Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2342

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 914
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en de activiteit wijzigen monument voor het restaureren en wijzigen van een kapberg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/914 en 20/140

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T. Ruhnke),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, verweerder

(gemachtigden: drs. J.E. Cornelisse en ing. J.P.G. Schavemaker).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [woonplaats 2] .

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en de activiteit wijzigen monument voor het restaureren en wijzigen van het bijgebouw de kapberg ten behoeve van bestaand gebruik op het perceel [adres] .

Bij besluit van 26 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit, met het herziene welstandsadvies van 21 oktober 2019 en de aangepaste tekeningen waarop het huidige en toekomstige gebruik van ruimten is aangegeven, in stand gelaten.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De verleende omgevingsvergunning ziet op het restaureren en wijzigen van het bijgebouw de kapberg ten behoeve van bestaand gebruik op het perceel [adres] (het perceel). In de kap van de kapberg worden onder meer drie ramen en een loggia aangebracht. De kapberg betreft een gemeentelijk monument.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Aan dit besluit heeft verweerder het herziene advies van de Adviescommissie Welstand en Monumenten Wormerland (de Adviescommissie) van 21 oktober 2019 en de aangepaste tekeningen waarop het huidige en toekomstige gebruik van ruimten is aangegeven ten grondslag gelegd.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ter beoordeling voorligt de omgevingsvergunning zoals deze door verweerder is verleend. Dat derde-partij de intentie heeft om in de toekomst een woning in de kapberg te realiseren, speelt hierbij geen rol.

6.1

Verzoeker betoogt dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen op het herziene advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 te reageren, alvorens een beslissing op zijn bezwaarschrift te nemen. Ook de bezwaarschriften commissie heeft geen oordeel kunnen vellen over dat advies. Nu het primaire besluit in stand is gelaten, is het verzoek om vergoeding van de proceskosten ook afgewezen. Dit voelt oneerlijk en verzoeker voelt zich dan ook benadeeld door verweerder.

6.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het nadere advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 een nader gemotiveerde herhaling van het eerste positieve advies van 5 maart 2019 is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1247, kan een advies dat voortbouwt op een eerder advies in de regel niet worden beschouwd als een na het horen van het bestuursorgaan bekend geworden feit als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat voor het op het bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn. Het nadere advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 is dan ook geen nieuw feit als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Verweerder was daarom niet gehouden verzoeker de gelegenheid te bieden op het nadere advies te reageren. Evenmin heeft dit voor verweerder aanleiding hoeven zijn het primaire besluit te herroepen. Daarnaast heeft een belanghebbende op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb alleen recht op vergoeding van de proceskosten indien het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het primaire besluit niet is herroepen, heeft verweerder terecht geen proceskostenvergoeding toegekend. Het betoog slaagt niet.

7.1

Verzoeker betoogt dat verweerder de adviezen van de Adviescommissie van 5 maart 2019 en 21 oktober 2019 niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, omdat de adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Hij voert daartoe aan dat is getoetst aan een te licht welstandsniveau, te weten gebied A2, terwijl aan gebied A3 getoetst moet worden. Bovendien is geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen het welstandsadvies en het monumentenadvies, terwijl uit informatie op de website van de gemeente Wormerland en uit vaste jurisprudentie volgt dat sprake is van twee verschillende adviezen op basis van twee verschillende toetsingskaders.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het advies van de Adviescommissie van 5 maart 2019 het welstandsgebied A2 is genoemd, terwijl dit A3 had moeten zijn. In het aanvullende advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 is geen enkel welstandsgebied genoemd. Volgens verweerder is dit echter niet van belang. De criteria die per gebied worden gehanteerd zijn vooral bedoeld voor het toetsen van (nieuw)bouwactiviteiten. De verleende omgevingsvergunning ziet alleen op het restaureren van de kapberg en met uitzondering van de dakramen en loggia worden er geen zichtbare wijzigingen aangebracht. De criteria die per gebied worden genoemd gaan niet over dakramen of loggia’s. Verder heeft verzoeker niet onderbouwd aan welke welstandscriteria van het welstandsgebied A3 getoetst had moeten worden en met welke welstandscriteria het bouwplan dan in strijd zou zijn.

7.3

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:726, mag het bestuursorgaan, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

7.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gegeven dat in het advies van de Adviescommissie van 5 maart 2019 het welstandsgebied A2 is genoemd, terwijl dit A3 had moeten zijn, niet maakt dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet heeft onderbouwd aan welke welstandscriteria van welstandsgebied A3 ten onrechte niet is getoetst en met welke welstandscriteria het bouwplan in strijd zou zijn. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat in de eerste alinea op pagina 2 van het nadere advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019, dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, wel wordt genoemd dat de kapberg onderdeel uitmaakt van het historische dorpslint van Jisp, zijnde welstandsgebied A3. Nu het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en voorts door verzoeker niet is gesteld, noch anderszins is gebleken dat één van de overige in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde weigeringsgronden zich voordoet, moet worden geoordeeld dat voor wat betreft de activiteit bouwen sprake is van een gebonden beschikking. Verweerder was derhalve gehouden de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te verlenen. Voor een verdere belangenafweging is geen plaats. Het betoog slaagt niet.

8.1

Verzoeker betoogt dat verweerder het advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 voor zover dit een monumentenadvies betreft niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, omdat aan dat advies gebreken kleven. Hij voert daartoe aan dat de monumentale waarden van de kapberg onevenredig worden geraakt door het realiseren van (dak)ramen en een loggia. Dit volgt ook uit verschillende informatiebronnen, zoals de website www.monumenten.nl en de brochure “Licht op zolder” van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voorts heeft verzoeker advies gevraagd aan een deskundige op het gebied van erfgoed. Op 22 januari 2020 heeft J. Kalmijn van Bureau Jolie Kalmijn Architectuurhistorie een monumentenadvies uitgebracht. Uit het advies volgt dat het erfgoedbelang ten onrechte niet is gewogen, nu de noodzaak voor het realiseren van de (dak)ramen en loggia niet is toegelicht in de aanvraag. Ook volgt uit het advies dat het realiseren van een loggia een zware aantasting betekent van de monumentale waarden, omdat het afbreuk doet aan de verschijningsvorm en zorg voor een aanzienlijk verlies van bouwhistorisch materiaal van de kapconstructie.

8.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Adviescommissie ervan is uitgegaan dat de reden voor plaatsing van de dakramen en loggia is gelegen in de noodzaak voor meer daglichttoetreding. Dat is ook begrijpelijk. Naast de bestaande openingen in de westgevel van de kapberg, zijn er geen openingen waar daglicht naar binnen kan treden. De verschillende informatiebronnen die door verzoeker zijn aangehaald, zijn algemene richtlijnen. De Adviescommissie heeft specifiek naar deze kapberg in zijn omgeving gekeken en ook ter plaatste is naar de kapberg gekeken. De algemene richtlijnen wegen niet zwaarder dan een uitvoerig en gedegen advies zoals dat is uitgebracht door de Adviescommissie. Het door verzoeker overgelegde tegenadvies van Bureau Jolie Kalmijn Architectuurhistorie is gebaseerd op onvolledig onderzoek, aangezien het advies enkel is gebaseerd op dossieronderzoek.

8.3

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 24 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2018:3420, mag het bestuursorgaan zich op een advies van de monumentencommissie baseren, tenzij dit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan daarop niet had mogen afgaan.

8.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Uit het advies blijkt dat het bouwplan geen afbreuk doet aan de monumentale waarde van de kapberg. De vraag naar de noodzaak van bepaalde ingrepen speelt daarbij geen rol. Dat verzoeker een tegenadvies van Bureau Jolie Kalmijn Architectuurhistorie heeft overgelegd met daarin een andersluidend inzicht, doet aan het voorgaande niets af. Het tegenadvies biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het advies van de Adviescommissie van 21 oktober 2019 niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat verweerder daarop niet had mogen afgaan. Het betoog slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, worden al deze uitspraken alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

b. een monument als bedoeld in een zodanige verordening:

1°. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen

Artikel 2:10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

Erfgoedverordening 2010 gemeente Wormerland

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

Artikel 10

1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.

2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

4. Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.

Artikel 13

1. De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

2. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden betreffende de uitvoering en

materiaaltoepassing