Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2329

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens vervallen functie. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2929

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Th.C.J. Kaandorp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo, verweerder

(gemachtigde: mr. F.I.M. Tevette).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2018 op grond van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) eervol ontslag verleend wegens reorganisatie en subsidiair wegens andere gronden.

Bij besluit van 6 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een schadevergoeding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

[stichting 1] (hierna: de stichting) exploiteerde [theater] (hierna: het theater). Daarvoor huurde de stichting het theatergebouw van verweerder. Eiser was in dienst van deze stichting als beheerder/manager. Vanwege een voornemen van verweerder tot substantiële huurverhoging per 1 september 2016 heeft de stichting aan verweerder meegedeeld te berusten in huuropzegging per die datum. Er zijn nadien gesprekken gevoerd met verweerder, de stichting en [stichting 2] om te bezien of [stichting 2] de exploitatie van het theater wenste over te nemen. Dit is niet doorgegaan als gevolg waarvan verweerder op 12 juli 2016 heeft besloten het theater per 1 september 2016 tijdelijk zelf te gaan exploiteren.

1.2.

Als gevolg hiervan heeft verweerder eiser bij besluit van 15 augustus 2016 met ingang van 1 september 2016 in dienst genomen bij de gemeente Heiloo en hem aangesteld in de functie van [functie] van het theater. Het betreft een aanstelling voor onbepaalde tijd tot het theater in andere handen komt. In het besluit is verder vermeld dat in september 2016 een plan zal worden opgesteld voor de aanbesteding van het theater. Een van de eisen zal zijn dat eiser in de nieuwe organisatie dezelfde functie behoudt. Verweerder gaat zich inspannen om ervoor te zorgen dat eiser zijn functie per datum van overgang naar de nieuwe exploitant opnieuw volgt. De verwachting is verder dat de exploitatie op afstand voor het seizoen 2017/2018 wordt gerealiseerd. Gelet hierop heeft verweerder eiser bij dit besluit tevens boventallig verklaard per 1 september 2017. Na ingang van de boventalligheid per
1 september 2017 zal eiser in voorkomend geval feitelijk zijn werkzaamheden blijven verrichten tot de datum van de formele overgang naar de nieuwe exploitant op basis van deze aanstelling bij de gemeente Heiloo. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

1.3.

In het aanbestedingsdocument ten behoeve van de uitbesteding van het beheer en de exploitatie van het theater heeft verweerder expliciet opgenomen dat alle rechten en plichten van de huidige medewerker (eiser) in stand worden gehouden en zijn rechtspositie volledig in tact blijft. Eiser heeft interesse getoond om de exploitatie van het theater zelf ter hand te nemen, maar voldeed niet aan de voorwaarden. [stichting 2] heeft ingeschreven op de aanbesteding en kwam in juli 2017 als meest gerede partij naar voren.

1.4.

In de periode juli tot november 2017 hebben meerdere gesprekken en/of e-mailwisselingen plaatsgevonden tussen eiser en [naam 2] ( [stichting 2] ) over de invulling van eisers (mogelijke) rol bij het theater na overname door [stichting 2] . Daarnaast hebben hierover ook gesprekken en e-mailwisselingen plaatsgevonden tussen eiser en [naam 1] (werkzaam voor verweerder). De beoogde overgangsdatum van 1 september 2017 is gedurende de onderhandelingen tussen eiser, verweerder en [stichting 2] verschoven naar 1 oktober 2017 en vervolgens naar 1 november 2017.

1.5.

Verweerder heeft eiser bij brief van 30 oktober 2017 – samengevat – aangegeven dat eisers gedrag gedurende de onderhandelingen onacceptabel is. Hij heeft medegedeeld slechts over te willen gaan naar [stichting 2] om zo snel mogelijk een nieuwe baan te zoeken. Daarnaast heeft hij promotie/bevordering geëist van [stichting 2] en de gebruikers van het theater geïnformeerd over de in zijn ogen negatieve ontwikkelingen in de gesprekken met [stichting 2] , waardoor onrust is ontstaan onder de gebruikers van het theater. Hij gedraagt zich volgens verweerder niet als een goed ambtenaar en dit kan worden aangemerkt als (toerekenbaar) plichtsverzuim. Bovendien belemmert eiser de goede overgang en voortgang van de exploitatie van het theater en veroorzaakt eiser het risico op imagoschade en aanzienlijke financiële schade. Eiser wordt dan ook dringend verzocht zich per direct van dit gedrag te onthouden en op redelijke wijze te gaan meewerken. Eiser wordt gewaarschuwd dat verweerder zich over mogelijke rechtspositionele gevolgen moet gaan beraden als eiser zijn houding/gedrag voortzet en eiser aansprakelijk moet worden gesteld voor eventuele schade.

1.6.

Op 3 november 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en verweerder over het einde van eisers dienstverband bij verweerder en de formele overgang van het theater. [stichting 2] heeft per e-mail van 6 november 2017 aan verweerder laten weten dat zij niet bereid is de gunning gestand te doen met de wetenschap dat de enig over te nemen werknemer (eiser) op voorhand heeft aangegeven op zoek te willen gaan naar een andere baan vanuit zijn toekomstig dienstverband met [stichting 2] . Daarbij heeft eiser zich mogelijk negatief uitgelaten over [stichting 2] . De risico’s van deze houding wil [stichting 2] niet dragen. [stichting 2] is bereid de gunning gestand te doen als er een acceptabele oplossing wordt gevonden door verweerder. Als deze niet komt, zal [stichting 2] zich terug trekken uit de aanbestedingsprocedure.

1.7.

Verweerder heeft aan eiser vervolgens op 22 november 2017 het voornemen geuit om hem ontslag te verlenen per 1 januari 2018, primair op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO vanwege reorganisatie en subsidiair op grond van artikel 8:8 CAR/UWO vanwege de ontstane impasse, waarvoor geen andere oplossing voorhanden is. Eisers functie is opgeheven en hij is al boventallig per 1 september 2017. Verweerder stelt volledig aan zijn verplichtingen te hebben voldaan. Eisers dienstverband kan niet voortduren bij verweerder. Voortduring van het dienstverband is niet volgens de afspraken en er is geen werk voor eiser. Het volgen van eisers functie naar de [stichting 2] is onmogelijk geworden door eisers eigen gedragingen, houding en uitlatingen ten gevolge waarvan [stichting 2] heeft gedreigd de inschrijving in te trekken. Andere herplaatsingsmogelijkheden zijn er niet. Er zijn bij verweerder maar vier functies, zonder vacatures. De aanbesteding laten mislukken is geen optie.

1.8.

Op 4 december 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en verweerder naar aanleiding van het voornemen tot ontslag. Per e-mail van 5 december 2017 heeft eiser zijn zienswijze gegeven. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 8 december 2017 aan eiser vanaf 12 december 2017 buitengewoon verlof verleend met behoud van salaris tot het moment dat de besluitvorming in het kader van het ontslagtraject is afgerond. Op 21 december 2017 heeft verweerder conform het voornemen het primaire besluit genomen. Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.9.

Verweerder heeft in de aanbesteding de eis tot overname van eiser laten vervallen. De exploitatie van het theater is per 1 januari 2018 overgegaan naar de [stichting 2] zonder dat er een dienstverband met eiser tot stand is gekomen.

2. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie en de pleitnota naar aanleiding van het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarin is – samengevat – het volgende overwogen. Het aanstellingsbesluit staat in rechte vast omdat eiser hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Aangezien in dit besluit de functie waarin eiser wordt benoemd per 1 september 2017 vervallen is verklaard en direct is vermeld dat eiser per die datum boventallig wordt, is voldaan aan de eisen van artikel 8:3 CAR/UWO. Verweerder heeft zich vervolgens voldoende ingespannen om eiser zijn functie te laten volgen. Er bestond geen verplichting van verweerder om dit te bewerkstelligen. Aangezien verweerder zich voldoende heeft ingespannen heeft verweerder, nu het niet tot een aanstelling bij de nieuwe exploitant heeft geleid, op goede grond besloten om eiser per 1 januari 2018 eervol ontslag te verlenen. Subsidiair stelt verweerder dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 8:8 CAR/UWO. Door de weigerachtige houding, gedragingen en uitlatingen van eiser is sprake van een impasse in de arbeidsrelatie die een verdere vruchtbare voortzetting in de weg staat. Op goede gronden heeft verweerder de voorwaarde laten vallen dat [stichting 2] de functionaris van het theater moest overnemen. Van strijd met de aanbestedingsregels is geen sprake. Dit staat bovendien los van de ontslagbevoegdheid van verweerder.

3.1.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot ontslag. Hij is voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij verweerder. Op grond van analoge toepassing van het bepaalde in artikel 7:663 ev. van het Burgerlijk Wetboek (BW) of op basis van overeenkomst dient eiser (van rechtswege) over te gaan naar [stichting 2] . Van een rechtens relevante reorganisatie is volgens eiser geen sprake. Dat de exploitatie van het theater op afstand zou worden geplaatst was bekend en voorzien. Verweerder heeft zich verder niet aan zijn verplichtingen gehouden door niet al het mogelijke te doen om het dienstverband met eiser over te laten gaan naar [stichting 2] . Ten aanzien van de subsidiaire grond stelt eiser dat van verweten gedragingen van zijn zijde geen sprake is geweest. Verweerder heeft zich daarbij slechts gebaseerd op subjectieve informatie van [stichting 2] . Als er al sprake is van een impasse is dit eiser niet te verwijten.

3.2.

Volgens eiser heeft verweerder jegens hem een onrechtmatige daad gepleegd dan wel is sprake van wanprestatie. Er is door verweerder in strijd gehandeld met de aanbestedingsregels. De situatie rondom zijn ontslag is te wijten aan verweerder. Hij verzoekt om vergoeding van zijn geleden en te lijden materiële en immateriële schade. Er is eiser geen uitkering op basis van een bovenwettelijke regeling toegekend. Hij maakt naast een beëindigingsvergoeding (€ 8.591,-) ook aanspraak op een vergoeding van inkomensschade, kosten juridische bijstand, sollicitatiekosten en CV-onderhoud abonnementskosten. Eiser beperkt zijn vordering tot een bedrag van € 25.000,-.

4. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verweerder bevoegd was om eiser per 1 januari 2018 te ontslaan op grond van artikel 8:3 CAR/UWO. Indien dit het geval is, behoeft de vraag of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 8:8 CAR/UWO geen bespreking meer.

5. Artikel 8:3 van de CAR/UWO luidt als volgt:

1. Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

2. Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

3. Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.

6.1.

De functie van eiser als [functie] van het theater bij verweerder is per
1 januari 2018 opgeheven als gevolg van de overname van exploitatie van het theater door [stichting 2] . Gelet hierop is verweerder in beginsel bevoegd om per 1 januari 2018 ontslag aan eiser te verlenen als bedoeld in voornoemd artikel. Gelet op de omstandigheid dat verweerder eiser reeds bij het aanstellingsbesluit heeft gewezen op de op handen zijnde overgang van exploitatie en verweerder eiser in dat kader ook per 1 september 2017 boventallig heeft verklaard heeft verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Indien eiser het met de boventalligverklaring oneens was had het in de reden gelegen tegen het aanstellingsbesluit bezwaar te maken. Door dit niet te doen staat dit besluit in rechte vast.

6.2.

De vraag of verweerder zich al dan niet voldoende heeft ingespannen om eiser zijn functie naar de nieuwe exploitant te laten volgen is niet van invloed op verweerders bevoegdheid tot ontslag over te gaan. Hiervoor geldt voor verweerder geen verplichting. Uit artikel 10d:11 CAR/UWO volgt dat het Van werk naar werk-traject van toepassing is op de ambtenaar die door het college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende gemeente. Hieraan voldoet eiser niet. De omstandigheid dat er uiteindelijk geen dienstverband bij de nieuwe exploitant tot stand is gekomen, maakt dan ook niet dat verweerder niet bevoegd was tot ontslag op grond van artikel 8:3 CAR/UWO over te gaan.

7. Voor een beëindigingsvergoeding – zoals eiser voor ogen heeft – bestaat geen grond. In artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO is voorgeschreven dat voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 wordt ontslagen een passende regeling wordt getroffen. Een vergelijkbare bepaling ontbreekt ten aanzien van de overige ontslaggronden van de CAR/UWO. Nu eiser is ontslagen op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO is er geen grond voor het toekennen van een zogenoemde plus. Daarmee is er evenmin grond voor toekenning van een vergoeding op grond van het leerstuk van de nadeelcompensatie (zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:774).

8. De door verweerder genoemde subsidiaire grond voor ontslag behoeft dan ook geen bespreking.

9. Het bestreden besluit kan gelet op het voorgaande standhouden. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

10. Voor het toewijzen van de overige posten aan schadevergoeding die zijn verzocht zoals bedoeld in artikel 8:88 Awb bestaat geen grond omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst daarom het verzoek om schadevergoeding ook ten aanzien van die posten af.

11. Voor zover eiser meent schade te hebben geleden als gevolg van een onrechtmatige daad dan wel wanprestatie van verweerder staat het hem vrij zich met een verzoek om schadevergoeding tot de civiele rechter te wenden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. A.R. ten Berge en mr. A. Bouteibi, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.