Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2298

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op het bedrijfsplan en de door verweerder verstrekte nadere informatie over de opbouw van de omzet, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het de bedoeling is de bedrijfsschuur in hoofdzaak te gebruiken voor de agrarische activiteiten en in mindere mate voor het loonbedrijf. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bedrijfsschuur in hoofdzaak zal worden gebruikt voor het loonbedrijf. De beroepsgrond dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de bedrijfsschuur uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet, acht de rechtbank derhalve ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2063

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[eisers] e.a., te [plaats 1] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel, verweerder,

(gemachtigde: M. Oosterdijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 1] , te [plaats 2] ,

(gemachtigde: mr. X. Wentink-Quelle).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam 1] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsschuur.

Bij brief van 20 november 2018 is bezwaar gemaakt door [naam 2] , [naam 3] , [eisers] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .

Bij besluit van 8 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder

- de bezwaren van [naam 8] en [naam 9] niet ontvankelijk verklaard;

- de bezwaren van de overige bezwaarmakers ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de Commissie bezwaarschriften.

Bij brief van 13 mei 2019 heeft [eisers] (mede namens [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] ) tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft in zijn brief van 14 juni 2019 voor zijn verweer verwezen naar het bestreden besluit.

Bij brief van 23 mei 2019 heeft vergunninghouder aan de rechtbank aangegeven dat hij als derde partij wenst deel te nemen aan het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Ter zitting zijn verschenen [eisers] , [naam 2] , [naam 4] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is de derde partij verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Voor de relevante wetsartikelen verwijst de rechtbank naar de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

1.2

De omgevingsvergunning ziet op de bouw van een bedrijfsschuur op het perceel [adres] en is verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.1

De rechtbank stelt vast dat de door [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] aan [eisers] verleende volmacht van 16 november 2018 blijkens de redactie daarvan onder meer is verleend voor het voeren van een procedure bij de rechtbank. Aldus hebben al de aldaar genoemde personen beroep ingesteld.

3.2

Verweerder heeft de bezwaren van [naam 8] en [naam 9] niet-ontvankelijk verklaard omdat zij op een afstand van ongeveer 230 meter wonen van de nieuwe schuur en zij daarop geen zicht hebben.

3.3

De rechtbank stelt vast dat de afstand van het perceel van [naam 8] en [naam 9] tot het bouwplan alsmede het ontbreken van uitzicht vanaf hun perceel op het bouwplan niet in geschil is. Gelet hierop heeft verweerder hun bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog dat [naam 8] en [naam 9] in hetzelfde buurtschap wonen als de andere eisers en de omgevings- en woonkwaliteit ook hun belang is, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepen van [naam 8] en [naam 9] acht de rechtbank ongegrond.

3.4

Ten aanzien van de vraag of eisers gevolgen van enige betekenis ondervinden, overweegt de rechtbank als volgt. Het bouwplan ziet op de bouw van een schuur met een bruto-vloeroppervlak van 829 m2 en een nokhoogte van 8,25 m. Geen onderwerp van debat is dat eisers vanuit hun woningen zicht zullen hebben op de bedrijfsschuur. Gelet op het bouwvolume van de schuur worden zij in hun belangen geraakt. Verweerder heeft hen terecht aangemerkt als belanghebbende.

Ten aanzien van het gebruik van de schuur.

4.1

Ter plekke geldt het bestemmingsplan Buitengebied Texel 2013. Op de gronden ligt de bestemming “Agrarisch - Oude land”. De bedrijfsschuur valt binnen het ingetekende bouwvlak en voldoet ook overigens in overwegende mate aan de bouwvereisten (zie hierna vanaf 6.1).

4.2

Eisers hebben aangevoerd dat vergunninghouder de te bouwen bedrijfsschuur in strijd met het bestemmingsplan zal gaan gebruiken. Zij betogen namelijk dat de bedrijfsschuur uitsluitend zal worden gebruikt voor het loonbedrijf en dat van gebruik voor een agrarisch bedrijf geen sprake zal zijn. Voor zover vergunninghouder wel agrarische activiteiten verricht, zijn de activiteiten van het loonbedrijf daaraan niet ondergeschikt. Ook wordt niet voldaan aan de in het bestemmingsplan neergelegde eis dat sprake moet zijn van een grondgebonden agrarisch bedrijf, aldus eisers.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling: zie bijvoorbeeld 6 juni 2018: ECLI:NL:RVS:2018:1829) bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts dient te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar mede dient te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

4.4

Uit het bedrijfsplan [naam 1] van Flynth adviseurs en accountants van 4 oktober 2018 blijkt - kort zakelijk weergegeven - het volgende. De bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder bestaan uit teelt van gewassen (buxusteelt en winterpeen) en dienstverlening gericht op agrarisch loonwerk, reparatie en onderhoud van tractoren en landbouwwerktuigen met verkoop van materialen. Vergunninghouder wil zijn activiteiten uit het loonwerk, reparatie en onderhoud afbouwen en zijn teeltactiviteiten uitbreiden. Hiermee vormen de teeltactiviteiten de belangrijkste activiteit van het bedrijf. Ten tijde van het opstellen van het bedrijfsplan had de bedrijfslocatie een oppervlakte van 3.500 m2 en bedroeg de bedrijfsoppervlakte teelt 5,68 ha, waarvan 4,99 ha voor winterpeen, 0,3 ha voor buxus en 0,39 ha tijdelijk grasland. Vergunninghouder is voornemens om zijn grondareaal uit te breiden. Voorts blijkt uit het bedrijfsplan dat de schuur zal worden gebruikt ten behoeve van de verwerking van opslag van geoogste producten, lege kisten, stalling van machines en een werkbank. Achter bijlage 2 bevindt zich een calculatie van de standaardopbrengst per gewas per ha: voor peen is dit € 23.403,-- voor buxus € 37.100,-- en voor tijdelijk grasland € 488,--.

4.5

Uit het verweerschrift hangende bezwaar (dossierstuk 18) blijkt dat volgens verweerder van de totale opbrengsten van het bedrijf 9,6% moet worden toegerekend aan het loonwerk, 23,1% aan service en onderhoud en 69% aan de teelt. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de teeltopbrengst waar hij vanuit gaat ongeveer 2/3 van de omzet zal genereren en het resterende deel van de omzet wordt bepaald door het agrarisch loonwerk, reparatie en onderhoud van landbouwvoertuigen. Dat is door vergunninghouder bij brief van 15 februari 2019 en ter zitting bevestigd.

4.6

Eisers stellen dat het bedrijfsplan ongeloofwaardig is. Een groot deel van de omzet daarin wordt namelijk toegeschreven aan de teelt van buxus. Zij achten vergunninghouder daartoe niet in staat, omdat buxusteelt een specialistische vorm van teelt is die veel kennis en ervaring vereist.

4.7

Ter zitting heeft vergunninghouder aangegeven dat hij zich meer wil gaan toeleggen op teelt en minder op het loonbedrijf. Hij is opgegroeid met akkerbouw, heeft daarvoor ook geleerd en heeft altijd de intentie gehad om op termijn ook agrarische activiteiten te ontplooien. Hij bevestigt dat de kweek van buxus lastig is en dat er veel fout kan gaan. Om die reden laat hij zich bijstaan door een buxuskweker uit Brabant.

4.8

De rechtbank oordeelt als volgt. In het enkele feit dat in het bedrijfsplan een groot deel van de omzet wordt toegeschreven aan de teelt van buxus, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de schuur niet in hoofdzaak voor de agrarische activiteiten van eiser zal worden gebruikt. Vergunninghouder heeft gemotiveerd waarom hij die teelt heeft opgepakt. Bovendien is niet noodzakelijk dat de teelt slaagt voor de vraag of de schuur ten behoeve daarvan wordt gebruikt. Naast de buxusteelt is verder niet onaannemelijk dat vergunninghouder de schuur zal gebruiken ten behoeve van zijn teelt van winterpeen. Tot slot heeft vergunninghouder aangegeven dat hij van plan is op termijn meer grond te pachten of aan te kopen voor zijn akkerbouw. Ook ten behoeve daarvan kan hij de schuur gaan gebruiken.

4.9

Eisers hebben verder aangevoerd dat ook indien moet worden aangenomen dat het loonbedrijf maar 1/3 van de totale activiteiten uitmaakt (wat zij betwisten) dat dit ook dan geen ondergeschikte activiteit is in de zin van het bestemmingsplan. Daarbij hebben zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2012; ECLI:NL:RVS:2012:BW8870.

4.10

Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Voornoemde uitspraak betrof een nevenactiviteit/gebruik (het slachten van dieren) dat ingevolge het bestemmingsplan niet was toegestaan. De Afdeling overweegt dienaangaande dat ondergeschikte nevenactiviteiten geen strijd opleveren met het bestemmingsplan. Alleen activiteiten die in omvang en tijd beperkt zijn, kunnen als ondergeschikt worden aangemerkt. Een ondergeschikte nevenactiviteit hangt samen met de krachtens de geldende bestemming ontplooide hoofdactiviteit en is in verhouding tot die hoofdactiviteit planologisch niet of nauwelijks van belang, aldus de Afdeling. Nu in de onderhavige zaak het loonwerk op grond van het bestemmingsplan wel als ondergeschikt is toegestaan,1 geldt een andere toets. Dan kan een groter percentage voor de nevenactiviteit worden toegestaan. Die mag immers planologisch wél van belang zijn. Nu verweerder ervan uit gaat dat de activiteiten van het loonbedrijf 1/3 van de totale activiteiten bedragen en de agrarische activiteiten de overige 2/3 van het totaal, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de activiteiten van het loonbedrijf ondergeschikt zijn aan de agrarische activiteiten. De beroepsgrond faalt.

4.11

Gelet op het bedrijfsplan en de door verweerder verstrekte nadere informatie over de opbouw van de omzet, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het de bedoeling is de bedrijfsschuur in hoofdzaak te gebruiken voor de agrarische activiteiten en in mindere mate voor het loonbedrijf. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bedrijfsschuur in hoofdzaak zal worden gebruikt voor het loonbedrijf. De beroepsgrond dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de bedrijfsschuur uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet, acht de rechtbank derhalve ongegrond.

4.12

Eisers stellen verder dat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Die beroepsgrond faalt. Gelet op de hoeveelheid grond die vergunninghouder gebruikt (en zal gaan gebruiken) voor teelt, staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

4.13

Eisers stellen verder dat de bedrijfsschuur in strijd is met het bestemmingsplan omdat niet wordt voldaan aan de in artikel 1 aanhef onder 1.6 van de planvoorschriften neergelegde begripsbepaling van ‘agrarisch bedrijfsgebouw’. Die beroepsgrond faalt. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018: 3264) volgt dat de begripsbepalingen, die onderdeel uitmaken van de inleidende regels van het bestemmingsplan, op zichzelf onvoldoende zijn om een juridisch bindende relatie te leggen. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend. Het toetsingskader wordt daarbij gevormd door regels die specifiek invulling geven aan een bestemming. Dat de bedrijfsschuur niet uitsluitend gebruikt wordt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, maakt derhalve niet dat deze in strijd is met het bestemmingsplan.

4.14

Eisers hebben voorts aangevoerd dat door de bouw van de schuur de historische en kleinschalige omgevingskwaliteit wordt aangetast. Niet is aannemelijk gemaakt dat voor de kleinschalige buxusteelt een schuur van 829 m2 noodzakelijk is, aldus eisers. Blijkens de toelichting op artikel 5 wordt bij het bouwen van een nieuwe schuur altijd getoetst of de reeds aanwezige bouwwerken agrarisch in gebruik zijn, dus of de noodzaak van de extra schuur voor de agrarische bedrijfsvoering daadwerkelijk aanwezig is. Uit niets blijkt dat deze toetsing heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het bestemmingsplan een schuur van onderhavige afmetingen toestaat. Het moet ervoor worden gehouden dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan de ruimtelijke afweging is gemaakt dat een dergelijke schuur past binnen de omgeving. De toets uit de toelichting waar eisers naar verwijzen is niet terug te vinden in de bestemmingsplanregels. De toelichting op zich bevat geen bindende regels waarop een beroep kan worden gedaan. De beroepsgrond faalt.

4.15

Resumerend dient gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, het betoog van eisers dat het beoogde gebruik van de bedrijfsschuur en de bouw daarvan in strijd is met het bestemmingsplan te worden verworpen. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor gebruik als agrarische schuur. Daaraan ondergeschikt loonwerk valt daar ook onder. Mocht het uiteindelijk niet als zodanig gebruikt worden (maar bijvoorbeeld toch in hoofdzaak voor het loonbedrijf) dan is dat een kwestie van handhaving. Dat valt echter buiten de omvang van dit geschil.

Ten aanzien van de bouw van de schuur.

5.1

Geen onderwerp van debat is dat het bouwplan voor een klein deel in strijd is met het bestemmingsplan, omdat niet overal wordt voldaan aan het dakhellingsvereiste opgenomen in artikel 5.2.2. aanhef en onder i, van de planvoorschriften. Het betreft daarbij enkel de doorgang die gebouwd wordt tussen een reeds bestaande schuur en de nieuw te bouwen schuur. Die doorgang heeft een plat dak, terwijl gebouwen met een plat dak niet zijn toegestaan. Voor die doorgang heeft verweerder een binnenplanse vrijstelling verleend.

5.2

De rechtbank stelt voorop dat een besluit om aan een activiteit (bouwen/gebruiken) in afwijking van het bestemmingsplan al dan niet medewerking te verlenen een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft. Een dergelijk besluit dient door de rechtbank terughoudend te worden getoetst en de rechtbank kan slechts dan ingrijpen indien de uitkomst van de weging van de bij het bestreden besluit betrokken belangen onmiskenbaar onjuist is.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij het verlenen van de binnenplanse vrijstelling voor het platte dak van de doorgang bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. De verandering van het uitzicht van eisers vanuit hun woningen wordt immers voor het overgrote deel -zo niet geheel- bepaald door de schuur die op basis van het bestemmingsplan wél mag worden gebouwd. De doorgang heeft een zeer beperkte invloed op de ruimtelijke uitstraling van het perceel. De beroepsgrond faalt.

Conclusie.

6.1

Al het voorgaande maakt dat ook de beroepen van [eisers] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ongegrond zijn.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 5.1 onder l