Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2286

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
15/171418-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis - Beoordelingskader van verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis met het oog op nieuwe aspecten die een rol spelen en die verband houden met de uitbraak van het coronavirus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Haarlem

parketnummer : 15/171418-19

beslissing op verzoek schorsing van de voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 25 maart 2020

(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

Raadsman mr. A.J. Admiraal.

Procedure

Op 20 maart 2020 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De coronacrisis plaatst de samenleving en ook de rechtspraak voor nieuwe vragen. Bij de beoordeling van verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis spelen nieuwe aspecten een rol die verband houden met de uitbraak van het virus. Ook in de zaak van deze verdachte zijn argumenten ingebracht ter onderbouwing van een schorsingsverzoek die verband houden met de thans ontstane situatie.

De rechtbank stelt voorop dat het beoordelingskader in de kern geen andere is dan vóór de crisis.

Dat betekent dat als vertrekpunt worden genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. In dat verband beoordeelt de rechtbank of bijzondere voorwaarden kunnen worden geformuleerd die voldoende waarborg kunnen bieden voor een resultaat dat compenseert wat met voortzetting van de vrijheidsbeneming wordt beoogd.

Ter zitting is vooral gewezen op de omstandigheden in de penitentiaire inrichtingen ten tijde van de huidige Corona-crisis. Er zou sprake zijn van een grimmige sfeer. Familiebezoek zou niet mogelijk zijn en ook vrijheden als arbeid en recreatie worden ingetrokken. Dat detentie in een aantal gevallen hierdoor meer belastend is geworden, is niet onaannemelijk. Hierover overweegt de rechtbank dat deze ontwikkeling als zodanig evenwel geen grond oplevert om tot schorsing over te gaan. Ook als ervan wordt uitgegaan dat er redenen bestaan voor zorg biedt deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten voor een individuele beoordeling, wat de schorsing van de voorlopige hechtenis naar haar aard is.

Ter zitting is voorts aan de orde geweest dat de voortgang van het opsporingsonderzoek vertraging oploopt. Voor zover deze vertraging met corona in verband wordt gebracht moet daaraan de eis worden gesteld dat dit verband op zijn minst aannemelijk is geworden. Vooralsnog is het verloop van de coronacrisis onzeker en moeten de gevolgen ervan voor de individuele strafzaak als toekomstige onzekere gebeurtenissen worden aangemerkt. Anticipatie daarop is, zeker nu omvang, intensiteit en duur van de te nemen maatregelen zich niet laten voorspellen, gecompliceerd en met onzekerheden omgeven.

Tot slot is van de zijde van de verdediging aan de orde gesteld dat de gezondheidstoestand van de verdachte wordt geraakt door de huidige crisis, ook omdat onvoldoende adequaat kan worden opgetreden in de penitentiaire inrichting.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van deze aspecten, in het licht van alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij schorsing van de voorlopige hechtenis, aan het standpunt van het openbaar ministerie bijzondere relevantie toekomt. Grond hiervoor is gelegen in de gezagsrol van de officier van justitie bij de opsporing, op basis waarvan deze in het bijzonder de gevolgen van de corona-uitbraak voor het opsporingsonderzoek in de individuele strafzaak kan inschatten. Ook waar het gaat om de risico’s voor de maatschappelijke veiligheid wordt van de officier van justitie verwacht dat deze vanuit diens verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde een inbreng van gewicht heeft bij de beoordeling van de gevolgen van beëindiging van de vrijheidsbeneming. De officier van justitie verzet zich tegen schorsing omdat sprake is van verdenking van ernstige strafbare feiten en van een complex onderzoek, onder meer naar medeverdachten, dat ook wordt verricht door het NFI en thans nog niet is afgerond.

Voorgaande beschouwingen brengen de rechtbank ertoe om de toetsing in twee stappen te doen verlopen. Het individuele, op de persoon van de verdachte toegesneden, karakter is hierbij leidend. De eerste stap is die waarbij de vraag wordt beantwoord of de voorlopige hechtenis zou zijn geschorst als de coronacrisis niet aan de orde zou zijn. In dat kader spelen de hiervoor genoemde omstandigheden, geabstraheerd van de huidige maatschappelijke situatie, een rol, op de wijze zoals gebruikelijk.

Bij de tweede stap wordt beoordeeld of de uitbraak van het coronavirus in corrigerende zin op het resultaat van deze afweging inbreuk maakt. Het kan daarbij gaan om, op toereikende wijze gedocumenteerde, bijzondere omstandigheden verband houdend met een kwetsbare gezondheid van de verdachte of diens naasten. Wat de te verwachten duur van het opsporingsonderzoek betreft moet blijken dat er een reële kans bestaat op ernstige stagnatie die niet alleen in verband kan worden gebracht met complexiteit of omvang van het nog te verrichten onderzoek. De proceshouding van de verdachte is in dat verband ook een relevante factor. Ook de uitvoerbaarheid van de te stellen voorwaarden wordt in het licht van de huidige omstandigheden (die in het algemeen complicerend werken) in de beoordeling betrokken.

Toegepast op de zaak van de verdachte leidt dit tot het volgende resultaat.

De verdachte wordt verdacht van zeer ernstige strafbare feiten. Het gaat daarbij onder meer om het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid (automatische) vuurwapens, geluidsdempers en munitie.

Verdachte is op 17 juli 2019 aangehouden en is sindsdien gedetineerd. Eerdere verzoeken om tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan, zijn (ook door het Gerechtshof te Amsterdam) afgewezen, mede gelet op de ernst van genoemde feiten, het recidivegevaar, en het feit dat er nog onderzoek wordt verricht. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht onvoldoende zwaarwegend is om tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan. De algemene zorg over de uitbraak van het Coronavirus in relatie tot het detentieregime is daarvoor onvoldoende.

Ten aanzien van de door de verdediging gestelde vertraging van het onderzoek is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de geplande aanhoudingen van medeverdachten in verband met de coronacrisis zijn uitgesteld thans niet tot de conclusie kan leiden dat er een reële kans is op een ernstige vertraging van dit omvangrijke onderzoek.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot schorsing af.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 25 maart 2020 door:

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. M. Visser en mr. G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van S.P. van der Wiel, griffier.

Afschrift raadsman d.d.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing en brengt deze ter kennis van de verdachte.

Haarlem,

de officier van justitie

Gezien op:

de directeur van het Huis van Bewaring