Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2276

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3258
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet; artikel 13 en art 49; bijzondere bijstand; schulden; dringende redenen.

Verweerder heeft aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor schuld die zij heeft aan een bevriende kennis afgewezen. Deze kennis heeft voor eiseres in 2016 de kosten kinderopvang 2015 voor eiseres betaald. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat op grond van artikel 13 Pw geen recht op bijstand bestaat voor schulden. Er is ook geen sprake van een situatie van ar. 49 Pw. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: M.J.H. Bus).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2020.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres is sinds 2008 gehuwd met [naam 2] (hierna: de echtgenoot) en zij hebben samen kinderen. De echtgenoot verbleef van 1 januari 2014 tot en met 14 mei 2014 in een asielzoekerscentrum in Alkmaar, waarna hij tot 3 november 2014 illegaal in Nederland verbleef. Daarna heeft hij Nederland verlaten.

Verweerder heeft eiseres verplicht deel te nemen aan een inburgeringscursus en de termijn daarvoor is vastgesteld van 5 maart 2013 tot 5 september 2015. Eiseres heeft hieraan gevolg gegeven.

1.2.

Eiseres heeft in 2014 voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen voor de opvang van haar kinderen bij kinderdagverblijf ’ [kdv] in [woonplaats] . De Belastingdienst/Toeslagen heeft vervolgens de echtgenoot als toeslagpartner aangemerkt, reden waarom de eerder aan eiseres toegekende kinderopvangtoeslag over het kalenderjaar 2014 bij besluit van 29 april 2016 definitief is vastgesteld op nihil. Tevens is bepaald dat eiseres daarom € 4.107,- moet terugbetalen. Het hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 18 april 2017 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 23 mei 2018.

1.3.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft eiseres op 8 december 2014 bericht dat haar kinderopvangtoeslag niet wordt verlengd/voortgezet omdat eiseres over (het laatste deel van) 2014 ook al geen kinderopvangtoeslag meer kreeg of omdat zij daarop geen recht meer had. Eiseres heeft desondanks haar kinderen in 2015 naar de kinderopvang gebracht. Dit, zo stelt eiseres, om toch te kunnen deelnemen aan de verplicht gestelde inburgeringscursus.

1.4.

Bij besluiten van respectievelijk 30 oktober 2018 en 30 januari 2019 heeft verweerder aan eiseres voor de terugbetaling van het teruggevorderde bedrag aan kinderopvangtoeslag over het kalenderjaar 2014 bijzondere bijstand verstrekt. Verweerder heeft daarbij overwogen dat er aanleiding is om voor dit geval af te wijken van het uitgangspunt dat voor schulden geen bijzondere bijstand wordt verstrekt en om de schuld aan de Belastingdienst/Toeslagen te voldoen vanuit de bijzondere bijstand.

1.5.

Op 18 december 2018 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd voor de schuld die zij heeft bij haar taalcoach mevrouw [naam 3] betreffende de kosten voor kinderopvang 2015. Deze mevrouw [naam 3] heeft in januari en februari 2016 de kosten kinderopvang voor eiseres betaald.

2. Verweerder heeft de aanvraag van 18 december 2018 afgewezen, omdat op grond van artikel 13 van de Participatiewet (Pw) bijstand voor schulden is uitgesloten en omdat de feiten en omstandigheden bij deze aanvraag geen aanleiding geven om een uitzondering te maken op dit beginsel. Daarbij is van een schuld aan een derde, in dit geval aan degene die de betaling aan de kinderopvang heeft gedaan, of een terugbetalingsverplichting ten aanzien van deze derde niet gebleken. Er is volgens verweerder geen sprake van een harde incasso of het risico op het ontstaan van schuldenproblematiek.

Voor zover de aanvraag ziet op de kosten voor kinderopvang heeft verweerder gesteld dat ten tijde van de aanvraag reeds was voorzien in de gestelde kosten voor kinderopvang over 2015, nu de schuld aan de kinderopvang op dat moment was voldaan, zodat ook hierom de bijzondere bijstand niet kan worden verleend.

3. Eiseres meent dat verweerder ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken dat de kosten kinderopvang 2015 zijn ontstaan, omdat verweerder eiseres op straffe van beëindiging van haar bijstandsuitkering heeft gedwongen de inburgeringscursus te volgen. Toen de belastingdienst haar eind 2014 had bericht dat de kinderopvangtoeslag niet meer aan haar zou worden uitbetaald heeft zij zich direct tot verweerder gewend. Zij kon toen niet stoppen met de inburgeringscursus.

Verder meent eiseres dat verweerder gezien de bijzondere feiten en omstandigheden en de rol van verweerder met betrekking tot de inburgeringsplicht, de bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang dient te verstrekken. Toen de kinderopvangorganisatie eiseres dreigde met een gerechtelijke procedure over de betaling over de kosten kinderopvang 2015 heeft een kennis van haar deze betaald. Eiseres zou haar dit bedrag terugbetalen als de Belastingdienst de kinderopvang 2015 zou hebben toegekend.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Voor zover eiseres de aanvraag heeft willen indienen voor de kosten van kinderopvang heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag kon worden afgewezen, omdat op het moment van de aanvraag de kosten van de kinderopvang over 2015 al waren betaald aan de kinderopvangorganisatie (door een derde). Er was op dat moment dus al voorzien in de kosten.

4.2.

Gelet op het moment waarop eiseres de aanvraag heeft ingediend, gaat de rechtbank er echter vanuit dat eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd ter aflossing van een schuld aan een derde, bestaande uit de kinderopvangkosten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor toewijzing van bijzondere bijstand voor deze schuld, nu op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw het recht op bijstand voor aflossing van schulden is uitgesloten.

Dat verweerder eiseres op straffe van beëindiging van haar bijstandsuitkering zou hebben gedwongen de inburgeringscursus te volgen, waardoor eiseres gedwongen zou zijn geweest om haar kinderen ook in 2015 naar de kinderopvang te brengen kan, wat daar verder ook van zij, niet afdoen aan de afwijzingsgrond. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW is dwingendrechtelijk van aard en laat geen ruimte als door eiseres naar voren is gebracht. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, wat hier ook van zij, kunnen bij de toets aan het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW dan ook geen rol spelen. In beginsel kan slechts in geval van artikel 49 van de PW een uitzondering worden gemaakt op de uitsluitingsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW.

4.3.

In wat eiseres heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden dat sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 49 van de PW. Daartoe moeten in ieder geval zeer dringende redenen bestaan. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken.

Er zijn geen aanwijzingen dat eiseres door de weigering van verweerder om bijzondere bijstand te verlenen in haar directe bestaansvoorziening wordt bedreigd en waardoor het verlenen van bijzondere bijstand onvermijdelijk is aangewezen. Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige feiten of omstandigheden dat grond bestaat voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 49, aanhef en onder b, van de PW niet voor toepassing in aanmerking komt.

4.4.

Daar komt nog bij dat eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet heeft aangetoond dat er sprake is van een schuld aan mevrouw [naam 3] . Weliswaar staat vast dat mevrouw [naam 3] de kinderopvangkosten van eiseres heeft betaald, niet vast is komen te staan dat eiseres nu een terugbetalingsverplichting heeft ten opzichte van deze derde. Er is geen schuldbekentenis overgelegd en ook anderszins is niet gebleken van een verplichting tot terugbetaling. Ook hierom heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen.

4.5.

Voor zover eiseres een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, slaagt deze grond ook niet. Dat het sociaal raadslid dat eiseres bijstond ervan overtuigd was dat de Belastingdienst/Toeslagen alsnog de kinderopvangtoeslag 2015 zou betalen, maakt niet dat eiseres daaraan rechten kan ontlenen ten opzichte van verweerder. De mening van een sociaal raadslid kan niet worden aangemerkt als een toezegging die aan verweerder kan worden toegerekend.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenvergoeding is bij deze uitspraak geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.H. Riemeijer, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.