Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2260

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2245
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen procesbelang meer, omdat hij de terugvordering inmiddels in zijn geheel heeft betaald.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2245

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. de Haan).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser maandelijks een bedrag van € 150,- aan verweerder moet aflossen.

Bij besluit van 17 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser wegens teveel ontvangen WW-uitkering nog een bedrag van € 9.353,21 aan verweerder dient terug te betalen en heeft de aflossingscapaciteit van eiser per maand bepaalt op € 223,37. Omdat eiser ook andere kosten heeft, heeft verweerder aan eiser een termijnregeling van € 150,- per maand opgelegd. Verweerder heeft dit besluit genomen op basis van het op 7 november 2018 en 25 november 2018 door eiser ingevulde formulier inkomens- en vermogensonderzoek.

2. Eiser heeft erop gewezen dat in het verleden tijdens een rechtszaak is afgesproken dat hij € 30,- per maand moest terugbetalen. Dat heeft hij ook altijd gedaan. Eiser wenst vast te houden aan deze afspraak en kan niet rondkomen als hij maandelijks € 150,- aan verweerder moet aflossen.

3. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij een lening heeft afgesloten waarmee de volledige schuld aan verweerder is voldaan. Ter zitting heeft hij een betalingsbewijs getoond hiervan. Dit betekent dat de vraag moet worden beantwoord of eiser nog wel belang heeft bij een beoordeling van het beroep.

4. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende (proces)belang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen daarvan nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:695). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

5. Eiser wenst met zijn beroep te bereiken dat zijn aflossingscapaciteit op een lager bedrag wordt vastgesteld. Omdat eiser de terugvordering heeft betaald, is de termijnregeling vervallen en is de vaststelling van de hoogte van de aflossingscapaciteit van eiser niet langer van belang. Niet valt in te zien welk ander resultaat eiser met het beroep nog wenst te bereiken. Daarmee is dus het procesbelang komen te ontvallen bij een beoordeling van het beroep.

6.
Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020 door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.