Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2187

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3902
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een beschoeiing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J.F. Voss),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan, verweerder

(gemachtigden: drs. M.J.E. Cornelisse, L. Schouten-Huijsmans en J. Overeem).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een beschoeiing (activiteit bouwen) op het perceel [perceel] .

Bij besluit van 16 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 februari 2020 heeft verweerder op verzoek van de rechtbank nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [perceel] dat aan twee zijden is gelegen aan water. Op 5 juni 2018 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van walbeschoeiing. De beschoeiing aan de achterzijde van de woning loopt van de zuidwestelijke kant van het perceel op 1,10 meter afstand vanaf de oorspronkelijke oeverlijn tot 0 meter in de noordoostelijke richting. Deze damwand is 23,6 meter lang. Om dit project te kunnen uitvoeren dient een gedeelte van de waterloop te worden gedempt en een gedeelte van de waterloop te worden verbreed. Hiervoor is aan eiser bij besluit van 6 oktober 2016 een watervergunning verleend door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen. Volgens verweerder is het project in strijd met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’, omdat de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ met gebiedsaanduiding ‘Weidevogelgebied, open landschap en verkavelingspatroon’ een beschoeiing ten dienste van de woonbestemming niet toestaat. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ontheffing van de planregels niet wenselijk is, omdat de watergang smaller wordt door het plaatsen van de nieuwe beschoeiing. De bestemmingsplangrenzen zijn bewust gelegen langs de perceelgrens om het specifieke verkavelingspatroon van de gronden waarop de voornoemde gebiedsaanduiding rust te beschermen.

3.1

Eiser voert aan dat de geplaatste beschoeiing reeds is vergund met de omgevingsvergunning van 10 april 2018 voor het plaatsen van een nieuwbouwwoning. Uit de bij de aanvraag van die vergunning behorende maatvoeringstekening van de walbeschoeiing blijkt dat een oppervlakte van 59 m2 van de hoekpunt van het perceel wordt ontgraven en dat over de gehele lengte van de damwand tot twee meter van de oorspronkelijke oeverlijn de sloot wordt gedempt. De beschoeiing is in plaats van de vergunde 2 meter slechts 1,10 meter vanaf de oorspronkelijke oeverlijn teruglopend naar 0 meter gedempt. De oeverlijn met de aangevraagde beschoeiing ligt zelfs dichter bij de oorspronkelijke oeverlijn dan reeds is vergund. Gemeten vanuit het uiterste punt van de beschoeiing is de sloot nog ruim 6 meter breed. Daarmee blijft de beschoeiing binnen de door het HHNK in de watervergunning gestelde eis van 6 meter. Van verstoring van het specifieke verkavelingspatroon van percelen en de daartussen gelegen sloten is geen sprake.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij het besluit van 10 april 2018 enkel een omgevingsvergunning is verleend voor het plaatsen van een nieuwbouwwoning. Bij deze omgevingsvergunning is geen beschoeiing of damwand vergund. Hoewel op de eerste pagina van de bij het besluit van 10 april 2018 behorende tekeningen met projectomschrijving ‘ [naam 2] ’ enkele witte lijnen staan aangegeven op de situatieschets met als basis een luchtfoto, is het volgens verweerder duidelijk dat slechts de bouw van de woning is aangevraagd en vergund.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aanvraag van 6 december 2017 noch uit het besluit van 10 april 2018 dat een aanvraag is gedaan voor en een besluit is genomen over het plaatsen van een beschoeiing. Dat op de bij het besluit van 10 april 2018 behorende tekeningen lijnen zijn ingetekend die een beschoeiing aangeven maakt niet dat die beschoeiing destijds (impliciet) is vergund. De contacten met [naam 1] die als supervisor heeft opgetreden bij de bouw van de nieuwbouwwoning op het perceel, doen aan het besluit tot vergunningverlening van 10 april 2018 niet af. De beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Eiser voert aan dat geen omgevingsvergunning is vereist voor de beschoeiing, omdat het HHNK een watervergunning heeft afgegeven. Het HHNK en verweerder werken samen waar het de verlening van vergunningen op het gebied van de Waterwet betreft. Verweerder was bekend met de verlening van de watervergunning en heeft daartegen geen bezwaar gemaakt of eiser op de hoogte gesteld dat ook een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. De watervergunning is tevens niet strijdig met de belangen die verweerder met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’ beoogt te beschermen, aangezien het verkavelingspatroon niet verandert en de sloot nog steeds meer dan 6 meter breed is.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat naast de watervergunning die door het HHNK is verleend ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist voor het project. Verweerder behartigt niet dezelfde belangen als het HHNK. Het besluit om een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit bouwen behoeft een andere beoordeling dan het verlenen van een watervergunning door het HHNK. Dat verweerder geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door het HHNK verleende watervergunning maakt niet dat geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ter legalisatie van de beschoeiing is vereist. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eiser voert aan dat de beschoeiing niet is gesitueerd op gronden waar het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’ van kracht is. Dit blijkt namelijk niet uit de bestemmingsplankaarten. Zoals uit de verleende omgevingsvergunning blijkt, ligt het woonperceel binnen het bestemmingsplan ‘Klein Twiske fase 2’. De aanvraag ter realisatie van de beschoeiing had derhalve niet aan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’ getoetst moeten worden, maar aan het bestemmingsplan ‘Klein Twiske fase 2’.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestemmingsplangrens strak om de oorspronkelijk oeverlijn is getekend. Het aan het perceel grenzende water en het daarin bouwen van een beschoeiing moet daarom worden getoetst aan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt geïllustreerd door het digitaal tonen van een afbeelding waarop het bestemmingsplan ‘Klein Twiske fase 2’ op een luchtfoto is geprojecteerd. Verweerder heeft hierbij toegelicht dat de beschoeiing is te zien op gronden waarop het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’ ziet.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het digitaal tonen van de hiervoor genoemde afbeelding aangetoond dat de gevraagde beschoeiing buiten het bestemmingsplan ‘Klein Twiske fase 2’ is gelegen. Op deze afbeelding is door de rechtbank gezien dat het gedempte stuk grond en de daaraan grenzende beschoeiing, hoe minimaal ook, buiten de grens van het bestemmingsplan ‘Klein Twiske fase 2’ valt. De beroepsgrond slaagt niet. Dat eiser door de digitaal getoonde afbeelding niet is overtuigd leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser zijn standpunt dat de beschoeiing niet is gesitueerd op gronden waar het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’ van kracht is, niet heeft onderbouwd.

6. Voor zover eiser heeft bedoeld een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar steigers die buren in de sloot hebben aangebracht is de rechtbank van oordeel dat dit geen omstandigheid is op grond waarvan het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de steigers van buren die in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oostzaan’ zijn gelegen eveneens onwenselijk zijn en dat hij daartegen handhavend gaat optreden. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat het handhavingsbesluit klaar ligt. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat verweerder gelijke gevallen niet gelijk behandelt.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.