Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2124

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5590
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder op zijn aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor de kap van onder meer 1900 m² bosplantsoen op de locatie nabij het Plukkerspad aan de achterzijde van Refter 35 tot en met 48 en de Coxlaan te Blokker.

Nu geen enkele van de in artikel 4.11 van de Apv genoemde waarden in het bijzonder in geding is en gelet op de opgelegde compensatie voor het verloren gaan van bomen en bosplantsoen, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder het belang bij het behoud van het bosplantsoen zwaarder heeft moeten laten wegen dan het belang bij realisatie van de gewenste en bestemde ruimtelijke ontwikkeling (woningbouw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen

  1. Bewonersgroep Blokkers kleine GROENE HART

  2. [eiser 2] (ook geschreven als: [eiser 2] )

  3. [eiser 3]

  4. [eiser 4]

  5. [eiser 5]

  6. [eiser 6]

  7. [eiser 7]

  8. [eiser 8]

  9. [eiser 9]

  10. [eiser 10]

  11. [eiser 11]

  12. [eiser 12]

  13. [eiser 13]

  14. [eiser 14]

  15. [eiser 15]

  16. [eiser 16]

  17. [eiser 17]

  18. [eiser 18]

  19. [eiser 19]

  20. [eiser 20]

  21. [eiser 21]

  22. [eiser 22] (ook geschreven als: [eiser 22] )

  23. [eiser 23]

  24. [eiser 24]

  25. [eiser 25]

  26. [eiser 26]

  27. [eiser 27]

  28. [eiser 28]

  29. [eiser 29]

  30. [eiser 30]

  31. [eiser 31]

  32. [eiser 32]

  33. [eiser 33]

  34. [eiser 34]

  35. [eiser 35]

  36. [eiser 36]

  37. [eiser 37]

  38. [eiser 38]

  39. [eiser 39]

allen te Blokker, eisers,

gemachtigde: [eiser 7]

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder,

gemachtigde N. Rood, ambtenaar bij de gemeente.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de gemeente Hoorn, de vergunninghouder,

gemachtigde: E.J. van Dam, projectmanager Bangert en Oosterpolder, in dienst van de gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder op zijn aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor de kap van onder meer 1900 m² bosplantsoen op de locatie nabij het Plukkerspad aan de achterzijde van Refter 35 tot en met 48 en de Coxlaan te Blokker.

Het bezwaar tegen dit deel van het primaire besluit is bij besluit van 19 november 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 27 december 2018 is beroep ingesteld tegen dit deel van het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2019 op zitting behandeld. Namens eisers is niemand verschenen. De uitnodiging was verzonden aan [eiser 2] . Zij trad aanvankelijk op namens alle eisers. Ter zitting heeft de griffier telefonisch contact gehad met [eiser 6] . Zij verklaarde de partner te zijn van [eiser 2] . Zij bevestigde dat de uitnodiging eisers tijdig heeft bereikt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Visser, ook in dienst van de gemeente.

Na de zitting heeft [eiser 7] bericht voortaan als gemachtigde van eisers zal optreden.

Overwegingen

1.1

De vergunninghouder is voornemens in de Bangert en Oosterpolder (fase A West) in Blokker woningen te (laten) ontwikkelen. In dat kader is op 1 mei 2018 besloten aan drie randen van het plangebied de nieuwe woningen te situeren. In het midden van het plangebied is groen voorzien. De woningen van (de meeste van de) eisers zijn gelegen in de buurt rondom dat plangebied. Om de nieuwbouw mogelijk te maken, wil de vergunninghouder 1900 m² bosplantsoen (met houtopstanden met een stamdiameter tussen de 20 en 40 cm) kappen (hierna: het bosplantsoen). Dat bosplantsoen is gesitueerd in het zuidwestelijk deel van het plangebied op het terrein van een voormalige glastuinbouwbedrijf. Een deel van het bosplantsoen is gesitueerd op gronden in het plangebied met de bestemming wonen en een deel op gronden met een groenbestemming.

1.2

Op 16 mei 2018 hebben gedeputeerde staten aan de gemeente ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming verleend voor het verstoren en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis voor de herinrichting van de Bangert en Oosterpolder.

1.3

De vergunninghouder heeft de aanvraag voor de vergunning tot de kap van het bosplantsoen op 18 juli 2018 ingediend.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Alvorens het beroep inhoudelijk te beoordelen is de rechtbank ambtshalve gehouden om te beoordelen of het beroep van de onderscheiden eisers ontvankelijk is. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

2.2

Het beroep is weliswaar ingediend namens “Bewonersgroep Blokkers kleine GROENE HART”, maar niet is gesteld of gebleken is dat deze bewonersgroep als rechtspersoon valt aan te merken. Met name is niet onderbouwd dat sprake is van een formele of informele vereniging of een stichting zoals geregeld in de artikelen 2:26 en 2:27 of 2:285 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de bewonersgroep niet als afzonderlijke rechtspersoon in rechte kan optreden. Voorts is niet aangevoerd, dat en waarom de Bewonersgroep als in het rechtsverkeer herkenbare entiteit ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid in het beroep kan worden ontvangen. De Bewonersgroep is daarom geen belanghebbende in de zin van de artikelen 1:2 en 8:1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het namens de Bewonersgroep ingestelde beroep is reeds daarom niet-ontvankelijk, nog daargelaten dat ook niet op naam van de Bewonersgroep bezwaar was gemaakt. De personen die onderdeel uitmaken van de bewonersgroep kunnen echter wel persoonlijk belanghebbend zijn bij het besluit. De rechtbank merkt het beroep daarom aan als ingesteld door en namens alle tot de bewonersgroep behorende en op de diverse stukken van die zijde vermelde natuurlijke personen.

2.3

Het aanvankelijke, tijdig ingediende, beroepschrift is ondertekend door [eiser 2] . Daaronder is aangegeven dat het beroepschrift mede is ondertekend door de kerngroepleden de mevrouw [eiser 3] , de heer [eiser 4] , de heer [eiser 5] en mevrouw [eiser 6] .

2.4

Binnen de beroepstermijn hebben zich geen andere natuurlijke personen gemeld als mede-indieners van het beroepschrift. Op 20 januari 2019 - dat is na het einde van de beroepstermijn van zes weken - is een lijst ingediend waarop de namen van de andere eisers voorkomen. De rechtbank concludeert daarom dat alleen de tot de kerngroepleden behorende natuurlijke personen [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] tijdig beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. De (overige) personen die vermeld staan op de lijst met namen en handtekeningen die de rechtbank op 20 januari 2020 heeft ontvangen, hebben daarom als natuurlijke personen niet tijdig beroep ingesteld, omdat ze hun individuele identiteit pas na ommekomst van de beroepstermijn, en daarom te laat, kenbaar hebben gemaakt. Het beroep van diegenen die hun individuele identiteit pas na ommekomst van de beroepstermijn kenbaar hebben gemaakt, zal de rechtbank daarom wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaren. Een reden voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding hebben zij immers niet gesteld, noch is de rechtbank ambtshalve gebleken.

2.5

Het beroep van [eiser 2] en [eiser 6] is eveneens niet-ontvankelijk. Redengevend hiervoor is het volgende. De rechtbank heeft ter zitting getracht telefonisch contact op te nemen met [eiser 2] , omdat er niemand ter zitting was verschenen. Er is geen telefonisch contact met haar tot stand gekomen, maar wel met haar partner, [eiser 6] . Zij gaf in het met de griffier gevoerde telefoongesprek aan samen met [eiser 2] verhuisd te zijn naar [plaats] en niet meer te wonen in de (directe) nabijheid van het te kappen bosplantsoen. Hetzelfde feit is vermeld in de brief van [eiser 7] . Gelet hierop hebben zij geen rechtstreeks belang meer bij het bestreden besluit zoals de artikelen 1:2 en 8:1 Awb vereisen, en dus ook geen procesbelang meer bij de behandeling van het beroep. De rechtbank zal het beroep voor zover [eiser 2] en [eiser 6] dat hebben ingediend, daarom alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.6

Het recht om beroep in te stellen is op grond van artikel 6:13 Awb voorbehouden aan diegene die daaraan voorafgaand eerst bezwaar hebben gemaakt. [eiser 3] en [eiser 4] hebben geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat door [eiser 3] en [eiser 4] is ingesteld, daarom ook niet-ontvankelijk verklaren.

2.7

[eiser 5] heeft bezwaar gemaakt, woont op [adres] en heeft zicht op het bosplantsoen en is genoemd in het inleidend beroepschrift. [eiser 5] had dus het recht om beroep in te stellen en heeft dit tijdig gedaan. Dit betekent dat [eiser 5] wèl kan worden ontvangen in zijn beroep. Het door hem ingediende beroep kan daarom inhoudelijk door de rechtbank worden beoordeeld.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep

3.1

Artikel 2.2 van de Wabo luidt, voor zover van belang, als volgt:

1 Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

3.2

De Algemene plaatselijke verordening Hoorn (Apv Hoorn) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te (doen) vellen.

(…)

Artikel 4:11a Weigeringsgronden

1.Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer:

a.de natuur - en milieuwaarde van de houtopstand;

b.de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c.de waarde van de houtopstand voor stads - en dorpsschoon;

d.de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f.de waarde voor de recreatie en leefbaarheid van de houtopstand.

g.de boomwaarde met verwijzingen naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.
(…)

4. Uit artikel 4.11 van de Apv Hoorn volgt dat voor het vellen van een houtopstand in dit geval een (omgevings-)vergunning nodig is als bedoeld in artikel 2.2 Wabo.

5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er geen grond is om te oordelen dat de aanwezige natuur- en ecologische waarden, de gestelde achteruitgang van het woonklimaat op economisch, ecologisch en sociaal niveau, de wettelijke bescherming van vleermuizen, of de wettelijke bescherming van de mogelijk aanwezige steenuil aanleiding had moeten zijn om de gevraagde vergunning te weigeren. Ook is er volgens verweerder een gegronde reden voor de kap: de locatie is bestemd voor woningbouw. Het bosplantsoen ligt volgens verweerder voor het overgrote deel op gronden bestemd voor woningbouw. Niet is gebleken dat het bosplantsoen zodanige waarden vertegenwoordigt dat op grond daarvan dient te worden afgezien van die woningbouw. Voors is voorzien in het compenseren van groen, aldus verweerder.

6. Eiser voert aan dat de kap in strijd is met het bomenbeleid van de gemeente, dat het bosplantsoen wel een belangrijke natuurwaarde en ecologische waarde vertegenwoordigd, omdat elke boom bijdraagt aan bestrijding van klimaatproblemen en luchtvervuiling, dat zijn woongenot en de waarde van zijn woning minder wordt door de kap, dat de aanwezigheid van beschermde diersoorten (dwergvleermuis, steenuil, pad, bruine kikker, meerkikker, watersalamander, haas, egel, mol, muizen, ijsvogel, groene en bonte specht) aan de kap in de weg staat en dat er geen gegronde, toereikend gemotiveerde gronden voor de kap zijn. Voorts kan het bosplantsoen behouden blijven door het bestemmingsplan aan te passen.

7.1

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat op 3/5 deel van het bosplantsoen de bestemming “wonen” rust en op 2/5 deel de bestemming “groen”. Toch moet volgens verweerder het hele bosplantsoen wijken voor de voorgenomen woningbouw. Reden hiervoor is dat de locatie van het bosplantsoen voorheen in gebruik is geweest voor glastuinbouw. De achtergebleven restanten daarvan (glas en poeren) maken het bosplantsoen gevaarlijk en het bosplantsoen kan daarom niet gebruikt worden als openbaar groen. Daarvoor zullen glas en poeren moeten worden verwijderd. Dat kan volgens verweerder alleen als het bosplantsoen eerst ook voor dat deel wordt gekapt.

7.2

De rechtbank ziet geen grond om te twijfelen aan verweerders onderbouwing op dit punt en volgt verweerder daarom in de stelling dat de kap van het gehele bosplantsoen nodig is voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

8.1

Verweerder heeft beleid betreffende het verlenen van een omgevingsvergunning voor de kap van bomen. Dat beleid is neergelegd in de bomenbeleidsplan ‘Ruimte voor bomen”. Uitgangspunt van het beleid is ‘niet kappen tenzij’. Het bomenbeleidsplan sluit kappen van bomen bij ruimtelijke ontwikkelingen echter niet uit. Het verlenen van een kapvergunning voor woningbouw is dus niet in strijd met het beleid van verweerder. Uitgangspunt bij het kappen dient dan echter wel te zijn dat er zoveel mogelijk herplant plaatsvindt, tenzij de omstandigheden het niet toelaten.

8.2

In de besluitvorming is meegenomen dat het bosplantsoen worden gecompenseerd in de nieuwe wijk. In die zin is dus besloten in overeenstemming met het bomenbeleidsplan.

9. Ecologisch onderzoek ter plaatse, door [naam] in 2016 en 2017 (Quickscan in het kader van opstellen van een nieuw bestemmingsplan en Aanvullend onderzoek vleermuizen en kleine marterachtigen Bangert en Oosterpolder fase A west) heeft geen aanwijzingen opgeleverd die duiden op de aanwezigheid van beschermde fauna, anders dan de aanwezigheid van de dwergvleermuis. Voor de verstoring van die vleermuis is een ontheffing onder voorwaarden in de zin van de Wet natuurbescherming verleend. Nu die ontheffing is verleend, kunnen de gevolgen van de aanwezigheid van die diersoort geen rol meer spelen bij de beoordeling van de kapvergunning. Dat volgt uit het systeem van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De invloed van projecten op de ruimtelijke omgeving van zogenaamde onlosmakelijke activiteiten zoals het kappen van bomen en het verstoren van daarin levende beschermde dieren wordt integraal in een aanvraagprocedure beoordeeld, tenzij de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming eerder is aangevraagd zoals in dit geval1. De onderzoeksconclusies in de bedoelde rapporten heeft eiser in beroep wel betwist. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan de conclusies in de rapporten te twijfelen. De blote, niet nader onderbouwde stelling van eiser dat er meer beschermde soorten aanwezig zouden zijn en dat een of meer buurtbewoners een enkele van die soorten zouden hebben gezien, is daarvoor onvoldoende. De stelling van eiser dat de door hem bedoelde andere diersoorten wel aanwezig zouden zijn en door de kap van het bosplantsoen in strijd met de Wet natuurbescherming zouden worden verstoord, volgt de rechtbank daarom niet. Dat ook voor die soorten een ontheffing nodig zou zijn, heeft verweerder daarom in zijn beoordeling buiten beschouwing kunnen laten.

10. Anders dan eiser aanvoert, is door hem niet nader onderbouwd en daardoor is niet gebleken dat het bosplantsoen of onderdelen daarvan een bijzondere landschappelijke- of natuurwaarde vertegenwoordigen. In het Bomenbeleidsplan worden de bomen die onderdeel uitmaken van het bosplantsoen, niet benoemd als bomen van bijzondere waarde, staan de bomen niet vermeld op de lijst van monumentale bomen en staan zij op de bomenkaart ook niet als bomenhoofdstructuur in de gemeente aangeduid. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de bomen beeldbepalend zijn, een bepaalde cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen of van (bijzondere) waarde zijn voor recreatie en/of leefbaarheid. Als het gaat om recreatieve waarde weegt daarbij mee dat in het woningproject is voorzien in aanleg van (compenserend) groen.

11. Anders dan eiser aanvoert, vormt zijn persoonlijke woongenot of de waarde van zijn eigendom niet een belang dat is genoemd in artikel 4:11a van de Apv Hoorn, zodat dat belang niet een belang is dat tot weigering van de kapvergunning kan leiden. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat elke boom bijdraagt aan bestrijding van klimaatproblemen en luchtvervuiling.

12. Uit het voorgaande volgt dat bij de kap dus geen van de in de Apv Hoorn genoemde waarden in het bijzonder in het geding is en dat het bomenbeleidsplan op niet onjuiste wijze in de afweging is betrokken.

11.4

Nu geen enkele van de in artikel 4.11 van de Apv genoemde waarden in het bijzonder in geding is en gelet op de opgelegde compensatie voor het verloren gaan van bomen en bosplantsoen, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder het belang bij het behoud van het bosplantsoen zwaarder heeft moeten laten wegen dan het belang bij realisatie van de gewenste en bestemde ruimtelijke ontwikkeling (woningbouw).

12. Verweerder heeft daarom mogen besluiten om een omgevingsvergunning te verlenen voor de kap van het bosplantsoen.

13. Alle overige beroepsgronden, voor zover nog niet expliet besproken, behoeven, gelet hierop, geen bespreking meer.

14. Het beroep van [eiser 5] is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het van [eiser 5] ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover ingediend door de andere eisers en de Bewonersgroep, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier, op 20 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 2.1, eerst lid, aanhef en onder i, Wabo in verband met artikel 2.1aa, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht.