Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2101

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
21-03-2020
Zaaknummer
15-034861-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bevel schorsing voorlopige hechtenis. Beoordelingskader van verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis met het oog op nieuwe aspecten die een rol spelen en die verband houden met de uitbraak van het coronavirus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Alkmaar

parketnummer : 15-034861-20

bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 19 maart 2020

(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

nu gedetineerd in P.I. Nieuwegein.

Raadsvrouw mr. O. Saki.

Procedure

Op 19 februari 2020 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 12 maart 2020 is op griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsvrouw gehoord.

Beoordeling

De coronacrisis plaatst de samenleving en ook de rechtspraak voor nieuwe vragen. Bij de beoordeling van verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis spelen nieuwe aspecten een rol die verband houden met de uitbraak van het virus. Ook in de zaak van deze verdachte zijn argumenten ingebracht ter onderbouwing van een schorsingsverzoek die verband houden met de thans ontstane situatie.

De rechtbank stelt voorop dat het beoordelingskader in de kern geen andere is dan vóór de crisis.

Dat betekent dat als vertrekpunt worden genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. In dat verband beoordeelt de rechtbank of bijzondere voorwaarden kunnen worden geformuleerd die voldoende waarborg kunnen bieden voor een resultaat dat compenseert wat met voortzetting van de vrijheidsbeneming wordt beoogd.

Ter zitting is aan de orde geweest dat de voortgang van het opsporingsonderzoek vertraging zal oplopen dan wel kan oplopen. Voor zover deze vertraging met corona in verband wordt gebracht moet daaraan de eis worden gesteld dat dit verband op zijn minst aannemelijk is geworden. Vooralsnog is het verloop van de coronacrisis onzeker en moeten de gevolgen ervan voor de individuele strafzaak als toekomstige onzekere gebeurtenissen worden aangemerkt. Anticipatie daarop is, zeker nu omvang, intensiteit en duur van de te nemen maatregelen zich niet laten voorspellen, gecompliceerd en met onzekerheden omgeven.

Ook is gewezen op de omstandigheden in de penitentiaire inrichtingen. Er zou sprake zijn van toenemende onderlinge spanningen en onzekerheid. Dat detentie in een aantal gevallen hierdoor meer belastend is geworden, is niet onaannemelijk. Ook hierover overweegt de rechtbank dat deze ontwikkeling als zodanig evenwel geen grond oplevert om tot schorsing over te gaan. Ook als ervan wordt uitgegaan dat er redenen bestaan voor zorg biedt deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten voor een individuele beoordeling, wat de schorsing van de voorlopige hechtenis naar haar aard is.

Tot slot is van de zijde van de verdediging aan de orde gesteld dat de gezondheidstoestand van de verdachte en zijn naasten wordt geraakt door de huidige crisis.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van deze aspecten, in het licht van alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij schorsing van de voorlopige hechtenis, aan het standpunt van het openbaar ministerie bijzondere relevantie toekomt. Grond hiervoor is gelegen in de gezagsrol van de officier van justitie bij de opsporing, op basis waarvan deze in het bijzonder de gevolgen van de corona-uitbraak voor het opsporingsonderzoek in de individuele strafzaak kan inschatten. Ook waar het gaat om de risico’s voor de maatschappelijke veiligheid wordt van de officier van justitie verwacht dat deze vanuit diens verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde een inbreng van gewicht heeft bij de beoordeling van de gevolgen van beëindiging van de vrijheidsbeneming. Dat betekent dat in geval de officier van justitie de schorsing van de voorlopige hechtenis vordert, dan wel zich niet verzet tegen toewijzing van een daartoe strekkend verzoek, dit gegeven aanzienlijk gewicht in de schaal legt.

Voorgaande beschouwingen brengen de rechtbank ertoe om de toetsing in twee stappen te doen verlopen. Het individuele, op de persoon van de verdachte toegesneden, karakter is hierbij leidend. De eerste stap is die waarbij de vraag wordt beantwoord of de voorlopige hechtenis zou zijn geschorst als de coronacrisis niet aan de orde zou zijn. In dat kader spelen de hiervoor genoemde omstandigheden, geabstraheerd van de huidige maatschappelijke situatie, een rol, op de wijze zoals gebruikelijk.

Bij de tweede stap wordt beoordeeld of de uitbraak van het coronavirus in corrigerende zin op het resultaat van deze afweging inbreuk maakt. Het kan daarbij gaan om, op toereikende wijze gedocumenteerde, bijzondere omstandigheden verband houdend met een kwetsbare gezondheid van de verdachte of diens naasten. Wat de te verwachten duur van het opsporingsonderzoek betreft moet blijken dat er een reële kans bestaat op ernstige stagnatie die niet alleen in verband kan worden gebracht met complexiteit of omvang van het nog te verrichten onderzoek. De proceshouding van de verdachte is in dat verband ook een relevante factor. Ook de uitvoerbaarheid van de te stellen voorwaarden wordt in het licht van de huidige omstandigheden (die in het algemeen complicerend werken) in de beoordeling betrokken.

Toegepast op de zaak van de verdachte leidt dit tot het volgende resultaat.

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij een hoeveelheid van ruim 28 kilo heroïne heeft vervoerd in een auto en dat hij een geldbedrag van € 58.600,- heeft witgewassen. De rechtbank heeft in het bevel voorlopige hechtenis aangenomen dat er sprake is van recidivegevaar. De ernst van de verdenking en de recidivegrond staan in beginsel aan schorsing in de weg.

Er is evenwel sprake van zeer bijzondere omstandigheden die verband houden met de huidige crisis zoals hiervoor bedoeld. In het bijzonder gaat het daarbij om de kwetsbare gezondheid van de ouders van de verdachte waarvan is gebleken uit de overgelegde stukken. Daarin is een verdere verslechtering opgetreden. De officier van justitie heeft zich niet tegen een schorsing verzet. Hoewel de overige naar voren gebrachte omstandigheden niet voldoen aan de hiervoor geformuleerde eisen acht de rechtbank voldoende grond aanwezig voor een schorsing van de voorlopige hechtenis.

De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.

Beslissing

De rechtbank:

schorst de voorlopige hechtenis met ingang van vrijdag 20 maart 2020 om 12.00 uur, onder de volgende voorwaarden.

1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.

1. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.

1. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn of haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

1. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

1. De verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie.

1. De verdachte zal bij wijziging van zijn of haar adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie.

1. De verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de terechtzitting aanwezig zijn.

1. De verdachte zal gedurende de schorsingsperiode op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opnemen, zoeken of hebben met:

- [naam] , geboren op [geboortedatum 2] .

De politie zie toe op handhaving van deze voorwaarde.

Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 19 maart 2020 door:

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. P. van Steijnen en mr. N. Cuvelier, rechters,

in tegenwoordigheid van L.D. Reijne-Schut, griffier.

Afschrift raadsvrouw d.d.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing en brengt deze ter kennis van de verdachte.

Alkmaar,

de officier van justitie

Gezien op:

de directeur van het Huis van Bewaring