Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2040

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
C/15/269143 / HA RK 18-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek gelasten voorlopig getuigenverhoor. De feiten worden niet betwist en deze dienen juridisch beoordeeld te worden. Voor het vaststellen van de feiten is voorlopig getuigenverhoor niet nodig, niet voldaan aan 187, lid 3 b Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/269143 / HA RK 18-11

Beschikking van 19 maart 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [verzoekster],

wonende te [woonplaats 2] ,

verzoekers,

advocaat mr. M.C. Hoogendam te Leusden,

tegen

de vereniging

INTERNATIONAL POLICE ASSOCIATION,

gevestigd te Gouda,

verweerster,

advocaat mr. M.E. Bentum Jr te Veendam.

Partijen zullen hierna “ [verzoeker] ”, “ [verzoekster] ” en “IPA” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift (met producties 1 tot en met 7),

  • -

    de pleitnota van mr. Bentum ten behoeve van de zitting op 18 april 2018,

  • -

    de door de griffier tijdens de zitting van 18 april 2018 gemaakte aantekeningen, en

  • -

    de door de griffier tijdens de zitting van 5 maart 2020 gemaakte aantekeningen.

2 De feiten

2.1.

IPA is volgens haar website de grootste politievereniging ter wereld waarvan alle politiemensen uit democratische rechtsorden lid kunnen worden. De vereniging is gebaseerd op idealisme en vrijwilligheid en biedt hulp in normale- en noodsituaties. De IPA staat voor internationale vriendschap zonder onderscheid.

2.2.

[verzoeker] en [verzoekster] zijn lid (geweest) van IPA en hebben verschillende bestuursfuncties binnen IPA vervuld.

2.3.

Op 9 mei 2014 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van IPA plaatsgevonden, waarbij [verzoeker] als lid van de vereniging aanwezig is geweest. Tijdens deze vergadering is door de toenmalige voorzitter van de vereniging, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), namens de 6 oostelijke districten de volgende verklaring voorgelezen:

[verzoeker] heeft een zetel in het PEB voor IPA Nederland. De centrale vraag is KAN [verzoeker] ons nog vertegenwoordigen in het PEB na zijn gedrag tijdens en na de 2de ALV 2013. [verzoeker] heeft zich niet gedragen in de geest van de vereniging (…) en heeft het bestuur verlaten. Verder heeft hij geprobeerd, andere LB leden te bewegen ook hun zetel op te zeggen. De oostelijke districten zijn van mening dat het LB van IPA Nederland in deze een standpunt moet innemen.

2.4.

Tijdens de ALV in november 2014 heeft [naam 1] , als voorzitter van IPA Nederland, een terugkoppeling gegeven van zijn deelname aan het Wereld Congres in Potsdam in september 2014. Blijkens een brief namens [verzoeker] en [verzoekster] van mr. [naam 2] van 22 augustus 2017 heeft [naam 1] aan de leden meegedeeld:

- [verzoeker]

  • -

    droeg een IPA kilt op het Wereld Congres.

  • -

    verkocht polsbandjes voor het CSC

  • -

    negeerde hem (Dhr. [naam 1] )

  • -

    heeft zich als vertegenwoordiger van IPA Nederland, opgegeven voor deelname aan het jubileumfestijn van de oprichter van onze vereniging, dhr. [naam 3] , in december 2014 te Nottingham.

Getuigen die aanwezig waren hebben mij telefonisch geïnformeerd dat de ALV schande sprak over deze feiten en vooral de laatste 2 bullits.

2.5.

In april 2016 was er weer een ALV. Voorafgaande aan deze vergadering hebben de Oost 6 districten een brief gedateerd 2 april 2016 aan de districtbestuurders en het landelijk bestuur gezonden. In deze brief stellen de Oost 6 districten dat [verzoeker] en [verzoekster] wel lid mogen blijven van de vereniging maar niet als bestuurslid omdat zij geen vertrouwen meer hebben in [verzoeker] en [verzoekster] . In de brief is het volgende gesteld:

“Nog vers in het geheugen is enerzijds hun onverwachtse en onbegrijpelijke opstappen destijds uit het Landelijk Bestuur in de respectievelijke functies van penningmeester en voorzitter, anderzijds hun laakbare gedrag daarna.

De districten hebben in de brief het landelijk bestuur opgeroepen om:

  • -

    Alles in het werk te stellen om zowel [verzoeker] als [verzoekster] uit hun bestuursfunctie(s) te halen;

  • -

    Zolang er geen harmonie is tussen [verzoeker] en [verzoekster] enerzijds en IPA-Nederland i.c. de Algemene Ledenvergadering anderzijds, te voorkomen dat zowel [verzoeker] als [verzoekster] ooit nog een bestuursfunctie bekleden binnen de IPA;

  • -

    In het uiterste geval tot ontzetting uit het IPA-lidmaatschap over te gaan conform artikel 4 van de Statuten van IPA-Nederland;

  • -

    Dit op de agenda te zetten van de Algemene Ledenvergadering d.d. 15 april 2016.

2.6.

[verzoeker] en [verzoekster] hebben IPA bij brief van 22 augustus 2017 aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen.

3 De beoordeling

3.1.

IPA heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat deze rechtbank (relatief) onbevoegd is. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 maart 2020 heeft IPA verklaard haar verweer met betrekking tot de bevoegdheid van deze rechtbank om het verzoek te kunnen behandelen niet langer te handhaven en de rechtbank verzocht het verzoek inhoudelijk te beoordelen.

3.2.

Het verzoekschrift strekt tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Een dergelijk verzoek dient voldoende concreet en ter zake dienend te zijn en feiten te bevatten die zich lenen voor een getuigenverhoor. Op grond van artikel 187 lid 3 sub b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) houdt het verzoekschrift in de feiten of rechten die men wil bewijzen. Daarbij dient een verzoeker het feitelijk gebeuren waarover hij getuigen wil doen horen, zodanig te omschrijven dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben.

3.3.

Met betrekking tot de door hen te bewijzen feiten en rechten hebben [verzoeker] en [verzoekster] onder punt 10 van het verzoekschrift het volgende aangegeven:

Door het horen van getuigen kan duidelijkheid worden verkregen omtrent (onder andere) de juistheid, achtergrond en andere omstandigheden van de volgende uitspraken en uitlatingen:

  • -

    [verzoeker] heeft zich niet gedragen in de geest van de vereniging (artikel 11, lid 1 onder d van onze statuten) en heeft het bestuur verlaten. Verder heeft hij geprobeerd, andere LB leden, te bewegen ook hun zetel op te zeggen.

  • -

    “ [verzoeker]

  • -

    droeg een IPA kilt op het Wereld Congres.

  • -

    verkocht polsbandjes voor het CSC

  • -

    negeerde hem (Dhr. [naam 1] )

  • -

    heeft zich als vertegenwoordiger van IPA Nederland, opgegeven voor deelname aan het jubileumfestijn van de oprichter van onze vereniging, dhr. [naam 3] , in december 2014 te Nottingham.

Getuigen die aanwezig waren hebben mij telefonisch geïnformeerd dat de ALV schade sprak over deze feiten en vooral de laatste 2 bullits.

  • -

    alles in het werk te stellen om zowel [verzoeker] als [verzoekster] uit hun bestuursfunctie(s) te zetten;

  • -

    zolang er geen harmonie is tussen [verzoeker] en [verzoekster] enerzijds en IPA i.c. de ALV anderzijds, te voorkomen dat zowel [verzoeker] als [verzoekster] ooit nog een bestuursfunctie bekleden binnen de IPA;

  • -

    in het uiterste geval tot ontzetting uit het IPA-lidmaatschap over te gaan conform artikel 4 van de Statuten van IPA-Nederland;

  • -

    Dit op de agenda te zetten van de ALV d.d. 15 april 2016.

Bovendien is er in de brief het volgende gesteld: “Nog vers in het geheugen is enerzijds hun onverwachtse en onbegrijpelijke opstappen destijds uit het Landelijk Bestuur in de respectievelijke functies van penningmeester en voorzitter, anderzijds hun laakbare gedrag daarna.

3.4.

Tijdens de mondelinge behandeling van 19 april 2018 is namens IPA – in de pleitnota – aangegeven dat IPA niet ontkent dat de desbetreffende uitlatingen en uitspraken zijn gedaan. IPA wijst erop dat [verzoeker] en [verzoekster] twee brieven van een aantal districten van IPA hebben overgelegd, die op twee verschillende ALV zijn voorgelezen, en waarin de passages zijn opgenomen die zijn vermeld onder het eerste en derde liggende gedachtestreepje opgenomen in het voorgaande onder 3.3. Ook de opmerkingen van [naam 1] , opgenomen onder het tweede liggend gedachtestreepje onder 3.3, worden door IPA niet betwist. Volgens IPA is de kern van het geschil tussen partijen of er sprake is van onrechtmatig handelen omdat IPA een ingezonden brief van een aantal districten aan het landelijk bestuur, conform het verzoek, op een ALV heeft laten voorlezen. Ook onderdeel van het geschil is een brief die namens dezelfde districten is verstuurd en ook tijdens een ALV is behandeld en waarin de betreffende districten aangeven dat zij niet willen dat [verzoeker] en [verzoekster] nog een bestuursfunctie vervullen binnen IPA en dat in het uiterste geval overgegaan dient te worden tot ontzetting uit het lidmaatschap van [verzoeker] en [verzoekster] .

3.5.

Doel van het voorlopig getuigenverhoor is te voorkomen dat bewijs verloren gaat, het bieden van gelegenheid aan belanghebbenden om voorafgaand aan een aanhangig te maken geding opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten zodat zij hun positie beter kunnen beoordelen en tot slot om belanghebbenden bewijs te verschaffen. Doordat IPA de onder 10 van het verzoekschrift weergegeven uitspraken en uitlatingen niet ontkent en van (een deel van) deze uitlatingen bovendien stukken zijn overgelegd door [verzoeker] en [verzoekster] , is het de rechtbank niet duidelijk welke feiten [verzoeker] en [verzoekster] door het horen van getuigen willen bewijzen. Bij gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het [verzoeker] en [verzoekster] er inderdaad om gaat vast te stellen of IPA een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Daarvoor is een juridische beoordeling nodig van de feiten, zoals die nu al bekend zijn en die door IPA niet betwist worden. Voor het vaststellen van de feiten zoals vermeld onder 10 van het verzoekschrift hebben [verzoeker] en [verzoekster] het voorlopig getuigenverhoor niet nodig.

In het verzoekschrift hebben [verzoeker] en [verzoekster] zich niet uitgelaten over de vordering die zij in een eventuele bodemprocedure aan de rechter willen voorleggen. Zij hebben als productie 7 bij het verzoekschrift wel de sommatie overgelegd, die ARAG namens hen aan het bestuur van IPA heeft gedaan. Uit die sommatie (blz. 13) volgt welke vorderingen zij zouden willen instellen. Die vorderingen (voornamelijk tot rectificatie en dergelijke) gaan ervan uit dat zal zijn vastgesteld dat IPA een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voor de onderbouwing van die vorderingen kan het horen van getuigen ook geen rol spelen.

3.6.

Dit alles betekent dat [verzoeker] en [verzoekster] onvoldoende belang hebben bij hun verzoek en ook dat het verzoek niet voldoet aan het vereiste van artikel 187 lid 3, onder b Rv (welke feiten of rechten moeten worden bewezen). Daarom moet hun verzoek worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek van [verzoeker] en [verzoekster] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2020.1

1 type: MKG coll: LJS