Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1923

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
C/15/269957 / HA ZA 18-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Onjuiste declaraties van psychiater. Uren in rekening gebracht bij verzekeraar die hij niet aan de zorg voor de verzekerden heeft besteed. Op grond van artikel 5 lid 3 van de Zorgovereenkomst terecht terugbetaling van de vergoedingen gevorderd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/269957 / HA ZA 18-82

Vonnis in verzet van 11 maart 2020

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIE VGZ U.A.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

eiser in het verzet,

advocaat mr. A. Neophitou te Oss.

Partijen zullen hierna VGZ en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 januari 2018 waarmee [gedaagde] in verzet is gekomen van het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 27 december 2017, en waarin hij een eis in reconventie heeft ingesteld;

  • -

    de akte van [gedaagde] waarbij hij de producties 1 tot en met 14 in het geding heeft gebracht;

  • -

    het tussenvonnis van 21 februari 2018;

  • -

    de conclusie van antwoord in het verzet, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met de producties 19 tot en met 30;

  • -

    de conclusie van repliek in het verzet, tevens conclusie van repliek in reconventie, met de producties 15 tot en met 27;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met de producties 31 tot en met 51;

  • -

    de akte van VGZ tot het overleggen van productie 52;

  • -

    de akte van [gedaagde] tot het overleggen van de producties 28 tot en met 31;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2020 en de daarin genoemde spreekaantekeningen van VGZ;

  • -

    de brief van [gedaagde] van 6 februari 2020 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

De rechtbank merkt over de brief van [gedaagde] van 6 februari 2020 op dat van belang is dat in het proces-verbaal wordt vastgelegd wat voor het verdere verloop van de procedure en voor de beoordeling door de rechter relevant is. De opmerkingen van [gedaagde] over het proces-verbaal zijn naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de beslissing. De rechtbank verbindt daarom geen gevolgen aan de opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] voerde met ingang van 13 september 2012 als zelfstandig werkend psychiater een eenmanszaak onder de naam “ [gedaagde] , psychiater”.

2.2.

Partijen hebben voor het jaar 2013 de “Zorgovereenkomst 2013 Zorgverlening door een psychiater VGZ” (hierna: de Zorgovereenkomst) gesloten. Op grond van de Zorgovereenkomst was [gedaagde] gerechtigd en gehouden om zorg te verlenen aan verzekerden van VGZ die door een huisarts naar hem waren verwezen, en was VGZ verplicht de verzekerde en door [gedaagde] geleverde zorg te betalen.

2.3.

In artikel 5 lid 3 van de Zorgovereenkomst is het volgende bepaald:

“Indien blijkt dat de Zorgaanbieder verkeerde en/of onvolledige informatie heeft verstrekt of informatie heeft verzwegen over de zorgverlening en/of in rekening te brengen tarieven, dan wel daar op enigerlei wijze aan meewerkt, dan is de Zorgverzekeraar gerechtigd om ten onrechte betaalde vergoedingen inclusief wettelijke rente terug te vorderen.

In artikel 5 lid 4 van de Zorgovereenkomst is het volgende bepaald:

“Ingeval van aantoonbaar frauduleus handelen door de Zorgaanbieder, is de Zorgverzekeraar naast het bepaalde in artikel 5 lid 3 gerechtigd de onderzoekskosten terug te vorderen. Daarnaast is de Zorgverzekeraar in die situatie gerechtigd om de gegevens van de Zorgaanbieder op te nemen in het Interne en Externe Verwijzingsregister, conform het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen.”

2.4.

In het kader van de Zorgovereenkomst zijn de Spelregels Diagnose Behandel Combinatie (DBC)-registratie ggz van 1 januari 2013 (versie 20120907), onderdeel van de regeling Declaratiebepalingen DBC’s in de GGZ van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), van toepassing (hierna: de Spelregels DBC).

Een DBC omvat het traject tot maximaal 365 aaneengesloten kalenderdagen dat een patiënt doorloopt als hij zorg nodig heeft voor een specifieke diagnose, vanaf het eerste contact bij een tweedelijns curatieve ggz-aanbieder tot en met de behandeling die hier eventueel uit volgt. De DBC vormt de basis voor de declaratie van deze geleverde zorg.

In de Spelregels DBC staat dat behandelaren bij het registreren van patiëntgebonden activiteiten moeten aangegeven of het om directe of indirecte tijd gaat. De directe en de indirecte tijd worden als volgt gedefinieerd:

“Direct patiëntgebonden tijd
Direct patiëntgebonden tijd is de tijd waarin een behandelaar, in het kader van de diagnostiek of behandeling (dit betekent dat er alleen tijd geregistreerd kan worden als het contact in het kader is van het behandelplan van de patiënt; hieronder valt bijvoorbeeld niet bijpraten, koffiedrinken of het maken van een afspraak met het systeem van de patiënt), contact heeft met de patiënt of met familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten (het systeem) van de patiënt. Onder direct patiëntgebonden tijd valt:
- Face-to-face contact;
- Telefonisch contact;

- Elektronisch contact via e-mail of internet (chatten, Skype etc.)

Indirect patiëntgebonden tijd

Dit betreft indirecte tijd die de behandelaar besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct patiëntgebonden tijd), maar waarbij de patiënt (of het systeem van de patiënt) zelf niet aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn:
- het voorbereiden van een activiteit (bijvoorbeeld van een sessie psychotherapie);

- verslaglegging in het kader van de activiteit (bijvoorbeeld psychiatrisch onderzoek);

- hersteltijd na een intensieve behandelsessie.

2.5.

VGZ ontving op 24 december 2013 en op 8 januari 2014 een klacht van verzekerden van VGZ over door [gedaagde] bij VGZ gedeclareerde kosten van behandeling van deze verzekerden. Hierop heeft VGZ met behulp van haar (registratie)systeem een overzicht gemaakt van de door [gedaagde] gedeclareerde kosten. Naar aanleiding daarvan is VGZ een fraudeonderzoek gestart. Dat fraudeonderzoek had tot doel te onderzoeken of de door [gedaagde] gedeclareerde zorg daadwerkelijk was geleverd en of zijn declaraties gerechtvaardigd waren.

2.6.

Op 26 januari 2015 heeft VGZ een dossiercontrole verricht bij [gedaagde] om te onderzoeken of de door [gedaagde] gestelde diagnoses en verrichte behandelingen overeenstemden met de door hem gedeclareerde DBC’s.

2.7.

In april 2015 heeft VGZ door middel van telefonische en schriftelijke enquêtes vragen gesteld aan patiënten van [gedaagde] , verzekerden van VGZ, over de door hem verrichte behandelingen.

2.8.

Op 9 juli 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen VGZ en [gedaagde] naar aanleiding van de bevindingen van VGZ uit het dossieronderzoek en de enquêtes. VGZ heeft aan [gedaagde] op 20 juli 2015 een verslag van dat gesprek verstrekt.

2.9.

Bij brief van 23 oktober 2015 heeft VGZ [gedaagde] op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het fraudeonderzoek. VGZ heeft in haar brief de volgende conclusies getrokken:

- [gedaagde] kan onmogelijk het aantal door hem gedeclareerde uren in de periode van 15 maart 2013 tot en met 1 december 2013 hebben gewerkt, zowel de directe als de indirecte uren; [gedaagde] heeft daarom opzettelijk declaraties ingediend voor zorg die in werkelijkheid niet is geleverd;

- de informatie die VGZ heeft gekregen van haar verzekerden wijst uit dat [gedaagde] (directe) tijd heeft gedeclareerd voor zorg die niet is geleverd;

- tijdens de dossiercontrole is gebleken dat niet is aangetoond dat [gedaagde] rechtmatig parallelle zorgtrajecten heeft geopend voor al de verzekerden van VGZ;

- uit de dossiercontrole is gebleken dat de gedeclareerde directe en indirecte tijd (althans voor een zeer groot deel) niet aantoonbaar is geleverd;

- de door [gedaagde] in het gesprek van 9 juli 2015 aan VGZ overgelegde e-mails, waarin VGZ aan [gedaagde] zou hebben bevestigd dat hij “rustig 5-6 uur hersteltijd zou mogen schrijven”, zijn valselijk door [gedaagde] opgesteld;
- de handtekeningen van de verzekerden van VGZ op tenminste vijf van de documenten, genaamd “behandelingsovereenkomst”, die [gedaagde] aan VGZ heeft getoond tijdens de dossiercontrole, zijn vervalst;
- de handtekeningen van de verzekerden van VGZ op tenminste acht documenten, genaamd “afsluiten behandelingsovereenkomst”, die [gedaagde] aan VGZ heeft getoond tijdens de dossiercontrole, zijn vervalst;
- bij tenminste 8 verzekerden van VGZ is in het geheel geen behandelplan met de cliënt overeengekomen en daarom is niet voldaan aan de normen voor verantwoorde zorg zoals omschreven in de Zorgovereenkomst.

In de brief heeft VGZ van [gedaagde] terugbetaling gevorderd van € 460.007,54. Verder heeft VGZ meegedeeld dat de persoonsgegevens van [gedaagde] zijn opgenomen in het incidentenregister van VGZ en in het Extern Verwijzingsregister op grond van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland, de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken, Zorgverzekeraars Nederland en de Federatie van Onderlinge Verzekeringsmaatschappijen van 23 oktober 2013 (hierna: het Extern Verwijzingsregister), en dat zijn dossier zal worden gemeld bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) van het Verbond van Verzekeraars.

2.10.

Bij beslissing van 17 januari 2020 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam op grond van een klacht van VGZ aan [gedaagde] de maatregel opgelegd van doorhaling in het BIG-register, op de grond dat [gedaagde] in de periode van 13 maart 2013 tot 1 december 2013 in strijd heeft gehandeld met artikel 47 lid 1 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) en met de professionele normen die gelden voor het declareren van geleverde zorg, zoals onder meer neergelegd in de Spelregels DBC en de DBC-regeltool van de NZa.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

VGZ heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen:
a. tot betaling aan VGZ van het bedrag van € 460.007,54 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2015, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele betaling;
b. tot betaling aan VGZ van de onderzoekskosten van € 9.503,75;
c. tot betaling aan VGZ van de buitengerechtelijke kosten van € 4.075,04;
d. in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van het conservatoir beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis, en in de nakosten.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van VGZ integraal toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, de kosten van het conservatoir beslag daaronder begrepen, aan de zijde van VGZ tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 9.285,15. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toegewezen vanaf 14 dagen na betekening van het verstekvonnis.

3.3.

[gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van VGZ alsnog worden afgewezen, met veroordeling van VGZ in de kosten van de procedure en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert:
a. te verklaren voor recht dat de opname door VGZ van [gedaagde] in het Externe

Verwijzingsregister onrechtmatig is en VGZ te veroordelen de opname in het Externe Verwijzingsregister van de verwijzingsgegevens van [gedaagde] te verwijderen of te rectificeren en al hetgeen noodzakelijk is te doen om deze onrechtmatige toestand op te heffen op straffe van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom te verbeuren door VGZ per dag, indien niet binnen 30 dagen na het wijzen van dit vonnis aan dit vonnis wordt voldaan, dan wel binnen twee weken na betekening van dit vonnis;
b. te verklaren voor recht dat de door VGZ ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen van 18 oktober 2017 onrechtmatig zijn en deze beslagen op te heffen en VGZ te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2017 tot aan de dag van het wijzen van dit vonnis over de vorderingen van [gedaagde] die door deze beslagen zijn getroffen en met veroordeling van VGZ in de kosten van de gelegde beslagen aan de zijde van [gedaagde] van € 50,00;

c. VGZ te veroordelen tot vergoeding aan [gedaagde] van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 4.930,80 inclusief btw;

d. VGZ te veroordelen tot immateriële schadevergoeding aan [gedaagde] tot een bedrag door de rechtbank in goede justitie te begroten;

e. VGZ te veroordelen in de kosten van de procedure en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

VGZ voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

VGZ heeft in de verzetprocedure het primaire verweer gevoerd dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in zijn verzet omdat zijn advocaat, mr. Neophitou, voor het wijzen van het verstekvonnis het verstek namens [gedaagde] tijdig had gezuiverd. Tijdens de comparitie van partijen heeft de rechtbank VGZ voorgehouden dat zij het bericht van mr. Neophitou van 15 december 2017 waarin hij heeft beoogd zich in de procedure te stellen voor [gedaagde] (het zogenoemde ‘B2-formulier’) niet heeft ontvangen. VGZ heeft daarop haar verweer dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in zijn verzet laten vallen. De rechtbank is van oordeel dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.


in conventie

4.2.

VGZ heeft haar vorderingen gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] verkeerde en/of onvolledige informatie heeft verstrekt of informatie heeft verzwegen over de zorgverlening en in rekening te brengen tarieven, als bedoeld in artikel 5.3 van de Zorgovereenkomst, en dat hij fraude heeft gepleegd, als bedoeld in artikel 5.4 van de Zorgovereenkomst. VGZ baseert dat op het volgende:
- [gedaagde] declareert zonder dat door een huisarts naar hem is verwezen;

- behandelovereenkomsten zijn achteraf opgesteld en vervalst;

- [gedaagde] heeft ten onrechte parallelle zorgtrajecten geopend;

- [gedaagde] vervalst documenten, om aan te tonen dat klanten akkoord zijn gegaan met het declareren van parallelle DBC’s;

- [gedaagde] declareert directe tijd die in werkelijkheid niet is besteed en in strijd met de daarvoor geldende regels wordt opgevoerd;

- [gedaagde] declareert indirecte tijd die in werkelijkheid niet is besteed en in strijd met de daarvoor geldende regels wordt opgevoerd;

- [gedaagde] heeft een tweetal e-mails van VGZ vervalst om de indruk te wekken dat hij gedeclareerde indirecte tijd in rekening kon brengen;

- [gedaagde] kan onmogelijk het aantal gedeclareerde uren hebben gewerkt;

- [gedaagde] weigert de door hem toegezegde accountantsverklaring te overleggen, waaruit zou moeten blijken dat zijn administratie voldoet aan de daarvoor geldende DBC-regels.
VGZ heeft geconcludeerd dat [gedaagde] als gevolg van de geconstateerde fraude in geval van 46 DBC’s declaraties bij haar heeft ingediend, voor een totaalbedrag van
€ 460.007,64, voor zorg die feitelijk niet is geleverd. Op grond van artikel 5 lid 3 van de Zorgovereenkomst, subsidiair op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (BW)), vordert VGZ het aan [gedaagde] uitgekeerde bedrag van
€ 460.007,64 van hem terug. Verder vordert zij op grond van artikel 5 lid 4 van de Zorgovereenkomst haar onderzoekskosten terug.

4.3.

Nu VGZ van [gedaagde] op grond van artikel 5 lid 3 van de Zorgovereenkomst terugbetaling vordert van vergoedingen die zij aan hem heeft betaald en op grond van artikel 5 lid 4 de onderzoekskosten, rust op haar op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en zo nodig de bewijslast van de door haar gestelde feiten en omstandigheden ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] verkeerde en/of onvolledige informatie heeft verstrekt of informatie heeft verzwegen over de zorgverlening en/of de in rekening te brengen tarieven en dat hij daarmee fraude heeft gepleegd.
De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of hetgeen VGZ heeft gesteld ter onderbouwing van de door haar gestelde fraude in het licht van wat [gedaagde] ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, voldoende is om vast te stellen dat [gedaagde] bij VGZ uren in rekening heeft gebracht die hij niet aan de zorg voor de verzekerden van VGZ heeft besteed.


De rechtbank zal hierna de stellingen van VGZ, en hetgeen [gedaagde] daartegen heeft ingebracht, bespreken.

[gedaagde] declareert directe tijd die in werkelijkheid niet is besteed

4.3.1.

VGZ stelt dat de directe tijd die [gedaagde] per verzekerde in rekening heeft gebracht niet in overeenstemming is met de door verzekerden genoten behandelingen. In werkelijkheid is veel minder directe zorg geleverd, dan de uren die [gedaagde] heeft gedeclareerd. Ter onderbouwing van die stelling heeft VGZ verwezen naar de door haar bij haar verzekerden afgenomen enquêtes, en het aan de hand daarvan door haar opgestelde overzicht per verzekerde van de verhouding tussen de gedeclareerde tijd en de volgens verzekerden genoten directe tijd (productie 12 bij de inleidende dagvaarding), waaruit het volgende blijkt:
a. Zestien verzekerden hebben verklaard dat de behandelminuten die [gedaagde] heeft geregistreerd en gedeclareerd niet overeenkomen met de werkelijk bestede behandeluren. Het betreft discrepanties van veelal tientallen uren (bijvoorbeeld: patiënt [naam 1] heeft verklaard 6 uren direct contact met [gedaagde] te hebben gehad, terwijl [gedaagde] 54,1 directe uren heeft gedeclareerd; patiënt [naam 2] heeft verklaard 2,5 uren direct contact met [gedaagde] te hebben gehad, terwijl [gedaagde] 35,5 uren heeft gedeclareerd; patiënt [naam 3] heeft verklaard 6 uren direct contact met [gedaagde] te hebben gehad en een enkele keer met hem te hebben gebeld, terwijl [gedaagde] 94,7 directe uren heeft gedeclareerd).
b. Volgens de tijdsregistratie van [gedaagde] zouden alle verzekerden meerdere uren per dag zijn behandeld, terwijl slechts één verzekerde verklaart eenmalig een twee uur durende afspraak te hebben gehad.

c. [gedaagde] registreert een groot aantal keren directe tijd in de weekenden, terwijl verzekerden aangeven niet, dan wel slechts eenmalig in het weekend een afspraak te hebben gehad.

d. Verzekerden betwisten meerdere dagen achter elkaar, dan wel meerdere dagen per week te zijn behandeld, terwijl dit wel uit de tijdsregistraties van [gedaagde] blijkt.

e. Een verzekerde merkt op dat [gedaagde] directe tijd heeft geschreven in de periode dat verzekerde op vakantie was in Duitsland.

f. Een andere verzekerde geeft - onder overlegging van de agenda met de genoteerde afspraken - specifiek aan op welke drie dagen hij een (telefonische) afspraak had met [gedaagde] . Over de overige 34 dagen waarop [gedaagde] directe tijd heeft geschreven, verklaart hij dat hij geen direct contact had met [gedaagde] .

4.3.2.

[gedaagde] betwist dat hij directe tijd heeft gedeclareerd die hij niet daadwerkelijk heeft besteed aan de zorg voor zijn patiënten. Volgens [gedaagde] kan aan de enquêtes die VGZ bij haar verzekerden lange tijd na de behandelingen heeft afgenomen weinig waarde worden gehecht. Verder kennen volgens [gedaagde] de verzekerden de definitie van directe tijd in de Spelregels DBC niet. Ook is niet elk contact met [gedaagde] gepland, zodat het volgens hem de vraag is wat verzekerden daarvan kunnen terugvinden in hun eigen administratie.
beroept zich daarnaast op zijn behandelplannen, waarin hij per zorgtraject een prognose heeft opgenomen van de te besteden tijd. Deze prognose is gebaseerd op behandelprotocollen, waarin het aantal sessies is opgenomen voor de betreffende stoornis. Vaak gaat het om tussen de 15 en 20 sessies per diagnose. Ook beroept hij zich op de tijdsuitdraai van de verrichtingen die hij na afloop van een behandeling heeft gemaakt en waarvoor de patiënten hebben getekend.
Verder verwijst [gedaagde] naar het onderzoek naar zijn patiëntendossiers dat hij heeft laten verrichten door collega-psychiater dr. [naam 4] en haar onderzoeksrapport van 22 mei 2017. Zij heeft per nagenoeg alle dossiers het volgende verklaard:

“Is er een adequate en volledige tijdsregistratie in het dossier?
Ja, er is een adequate en volledige tijdsregistratie.

Is de dossiervoering op de juiste wijze ingericht?
Ja, de dossiervoering is op de juiste wijze ingericht. Zeer veel aandacht voor registratie van tijd in het EPD [de rechtbank: het Elektronisch Patiënten Dossier].

Zijn er aanwijzingen voor optimaal declareren?
Er is gehandeld binnen de grenzen van de Zorgverzekeringswet en overige bepalingen die samenhangen met het declareren van de behandeling. Alles is in het EPD en in contracten/ behandelovereenkomsten en minutenregistraties uitgebreid verantwoord. De behandeling is gepast, noodzakelijk en effectief. De geregistreerde tijd past bij hetgeen in rapportage/ decursus is beschreven en bij het type behandeling.

Is het totaalaantal minuten gebruikelijk voor de behandeling? Is dit minutenaantal reëel?
Het totaalaantal minuten van deze DBC is gebruikelijk en vormt in onderlinge samenhang met andere zorgtrajecten voor een reëel aantal minuten.”

4.3.3.

De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn betoog dat aan de enquêtes die VGZ bij haar verzekerden heeft afgenomen, geen relevante betekenis toekomt. Weliswaar kan tijdsverloop invloed hebben op het geheugen, zoals [gedaagde] heeft opgemerkt, en daarmee op de betrouwbaarheid van (de exacte juistheid van) verklaringen, maar die omstandigheid biedt in dit geval onvoldoende verklaring voor de aanzienlijke verschillen, van vaak tientallen uren, tussen de behandeluren die [gedaagde] heeft gedeclareerd en de behandeluren die zijn patiënten zich herinneren, soms ondersteund door aantekeningen in hun agenda of herinneringen van familieleden die bij de behandeling betrokken zijn geweest. Daarmee is ook niet verklaard dat meerdere verzekerden betwisten meerdere dagen achter elkaar of in het weekend te zijn behandeld. Daarbij komt dat de eerste telefonische interviews en schriftelijke enquêtes die VGZ bij haar verzekerden heeft afgenomen, al dateren uit de periode februari en maart 2014, niet lang nadat deze patiënten bij [gedaagde] in behandeling zijn geweest. Een viertal verzekerden heeft bovendien, na ontvangst van declaratieoverzichten en voordat VGZ onderzoek deed, uit eigen initiatief vragen gesteld aan VGZ over de declaraties van [gedaagde] , die hun uitzonderlijk hoog leken in relatie tot het aantal contactmomenten met [gedaagde] . De stelling van [gedaagde] dat de psychiatrische stoornissen van zijn patiënten en hun medicatiegebruik van invloed zijn op het geheugen, en daarom een verklaring kunnen zijn voor de aanmerkelijke verschillen tussen de gedeclareerde directe uren en het aantal behandeluren waarover zij verklaren, heeft hij niet concreet onderbouwd. Daarbij komt dat in een aantal gevallen de verklaringen van de verzekerden worden ondersteund door agendagegevens en verklaringen van betrokken familieleden, waarvan niet is gesteld of gebleken dat zij een psychiatrische stoornis hebben of medicatie gebruiken.

4.3.4.

Dat de verzekerden de definitie van directe tijd uit de Spelregels DBC niet zouden kennen, maakt het voorgaande niet anders. VGZ heeft in de vraagstelling van haar interviews en enquêtes immers niet de term ‘directe tijd’ gebruikt, maar gevraagd waaruit de behandeling heeft bestaan, hoe vaak de verzekerde werd behandeld en hoe lang de gemiddelde behandelduur was. Die vraagstelling laat daarmee ruimte aan de ondervraagden om de verschillende vormen van directe tijd, zoals bedoeld in de Spelregels DBC, in de beantwoording te betrekken. Veel verzekerden hebben in hun antwoorden ook verschillende vormen van directe tijd, zoals bijvoorbeeld ook telefonische contacten, genoemd. Voor zover andere verzekerden telefonische contacten met [gedaagde] mogelijk niet hebben betrokken bij hun beantwoording, biedt die omstandigheid evenmin een afdoende verklaring voor de structurele en veelal aanzienlijke verschillen tussen de (ongespecificeerde) behandeluren die [gedaagde] heeft gedeclareerd en de behandeluren die zijn patiënten hebben genoemd.

4.3.5.

Uit de door [gedaagde] gestelde omstandigheid dat zijn patiënten hebben getekend voor zijn behandelplannen, waarin hij een prognose heeft opgenomen van de te besteden behandeltijd, en voor de tijdsregistratie van zijn verrichtingen na afloop van de behandeling, nog daargelaten dat VGZ de authenticiteit van die documenten en de handtekeningen heeft betwist, volgt niet zonder meer dat [gedaagde] deze tijd ook daadwerkelijk aan de verzekerden van VGZ heeft besteed. De patiënten van [gedaagde] hebben zich immers niet jegens hem verbonden tot betaling van hun behandeling. [gedaagde] declareerde bij VGZ. Bezien in het licht van de latere verklaringen van de verzekerden van VGZ over de door [gedaagde] gedeclareerde behandeluren die volgens hen de daadwerkelijk bestede tijd ruimschoots overschrijden, kan de rechtbank aan de door [gedaagde] overgelegde behandelplannen, prognoses en tijdregistraties op zich geen waarde toekennen, ook al zouden de verzekerden daarvoor hebben getekend.

4.3.6.

Het uitsluitend op verzoek van [gedaagde] opgestelde rapport van dr. [naam 4] biedt evenmin, in het licht van de verklaringen van de verzekerden over de tijd die [gedaagde] aan hun behandeling heeft besteed, voldoende onderbouwing van de juistheid van de door [gedaagde] gedeclareerde directe behandeluren. Uit het rapport blijkt immers niet welke dossierstukken dr. [naam 4] heeft onderzocht, dat zij heeft geverifieerd of de diagnoses terecht zijn gesteld en of de gedeclareerde behandeltijden ook daadwerkelijk zijn besteed, meer in het bijzonder door ook navraag of onderzoek te doen bij de verzekerden van VGZ. Haar conclusies dat sprake is van een adequate en volledige tijdsregistratie, dat de geregistreerde tijd reëel is en past bij het type behandeling, heeft zij niet nader gespecificeerd of onderbouwd. Bovendien volgt uit die conclusies nog niet dat [gedaagde] de gedeclareerde behandeltijd ook daadwerkelijk heeft besteed.

[gedaagde] declareert indirecte tijd die in werkelijkheid niet is besteed

4.4.1.

VGZ stelt dat ook de door [gedaagde] gedeclareerde indirecte tijd buiten iedere proportie is en niet in overeenstemming met hetgeen binnen de beroepsgroep gebruikelijk is. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij verwezen naar het door haar opgestelde overzicht per verzekerde van de verhouding tussen de gedeclareerde directe tijd en de gedeclareerde indirecte tijd (productie 13 bij de inleidende dagvaarding). Daaruit blijkt dat [gedaagde] veelal op 60 minuten directe tijd 360 minuten - en in een aantal gevallen zelfs 520 minuten - indirecte tijd heeft gedeclareerd
VGZ heeft verder verwezen naar de volgende documenten:
- het “Gebruikersdocument ggz: Verantwoording RG13a” van de NZa (productie 49 bij de conclusie van dupliek in reconventie), waaruit blijkt dat van een psychiater in de reguliere GGZ een gemiddelde verhouding directe en indirecte tijd van 53% tot 41% (en 6% reistijd) zou mogen worden verwacht, en voor psychotherapeutische beroepen een verhouding van 64% en 34% (en 2% reistijd);
- het onderzoek door Casemix van januari 2016, in opdracht van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, “Analyse declaratiegegevens hoofdbehandelaarschap” naar de tijdsbesteding van hoofd- en medebehandelaars in de GGZ (productie 50 bij de conclusie van dupliek in reconventie), waaruit blijkt dat in de specialistische GGZ een verhouding directe en indirecte tijd van 61% : 39% gebruikelijk is voor de hoofdbehandelaar;
- het specialistische GGZ Zelfonderzoek 2013 (productie 51 bij de conclusie van dupliek in reconventie), waaruit blijkt dat gemiddeld 30% indirecte tijd en 70% directe tijd wordt geregistreerd per DBC; en
- de Inkoopgids GGZ 2012 van het Zorginstituut Nederland, waaruit blijkt dat een percentage variërend tussen 36% en 47% indirecte tijd wordt geregistreerd.
Uit de declaraties van [gedaagde] blijkt dat hij indirecte tijd declareert variërend van gemiddeld 210% tot 740%. Daarnaast blijkt volgens VGZ niet van een directe relatie tussen de door [gedaagde] gedeclareerde indirecte tijd en het contactmoment met de patiënt, zoals de Spelregels DBC voorschrijven. “Een beetje uitrusten en wat dingen regelen”, zoals [gedaagde] heeft verklaard over de indirecte tijd die hij heeft besteed, kan daarom volgens VGZ niet als indirecte tijd worden aangemerkt. VGZ concludeert dat de door [gedaagde] opgevoerde indirecte tijd niet werd besteed en daarmee onrechtmatig is, dan wel - in strijd met de ook wettelijk op [gedaagde] rustende verplichting tot levering van doelmatige zorg - hoogst ondoelmatig.

4.4.2.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de hoeveelheid indirecte tijd die hij heeft gedeclareerd redelijk is, en wordt onderbouwd door zijn verslaglegging in de medische dossiers. Volgens [gedaagde] heeft hij alle uren die hij heeft gedeclareerd ook daadwerkelijk gewerkt, althans kunnen die uren worden aangemerkt als directe en indirecte tijd die hij op grond van de Zorgovereenkomst en de Spelregels DBC in rekening mocht brengen bij VGZ. Er zijn volgens [gedaagde] geen normen voor de verhouding tussen de te declareren directe en indirecte tijd. Ook in de Zorgovereenkomst is daarover niets opgenomen. De percentages indirecte tijd die in het algemeen door psychiaters worden geschreven, zijn landelijke gemiddelden van alle psychiaters, waarvan afwijking mogelijk is. [gedaagde] was een vrijgevestigde psychiater. Hij stelt dat psychiaters verbonden aan instellingen veel minder indirecte tijd te besteden hebben dan vrijgevestigde psychiaters.
Volgens [gedaagde] verbetert de indirecte tijd de kwaliteit van de zorg. [gedaagde] heeft indirecte tijd ingezet die hij als arts noodzakelijk achtte voor de betreffende patiënten. Hij heeft de hersteltijd die hij nodig had geregistreerd en heeft daarbij naar zijn oordeel gehandeld als een redelijk handelend psychiater.
heeft verder verwezen naar een e-mail van [naam 5] namens VGZ van 10 februari 2015, waaruit volgens hem volgt dat VGZ hem heeft bevestigd dat hij na een gesprek met een patiënt “rustig 5 tot 6 uur hersteltijd mag schrijven” en dat er kennelijk geen eenduidige lijn is binnen VGZ over wat als indirecte tijd mag worden gedeclareerd.
Ook verwijst [gedaagde] in dit verband naar het onderzoeksrapport van dr. [naam 4] . Per dossier heeft zij het volgende geconcludeerd:

“Is de verhouding directe en indirecte tijd adequaat en doelmatig?
Ja, die is adequaat en doelmatig. De tijden en behandelingen zijn met patiënt overeengekomen. De beschreven werkzaamheden en onderzoeken passen bij de patiënt en zijn ziekten. Er is veel aandacht aan de behandeling en vormgeving daarvan geschonken. Er is sprake van complexe, ineengevlochten problematiek, dat maakt de geïnvesteerde tijd noodzakelijk. [gedaagde] declareerde daarom indirecte tijden.

Is het gebruik van hersteltijden zoals in het dossier is opgenomen en waargenomen tijdens onderzoek gerechtigd volgens de DBC-spelregels?
Ja, [gedaagde] is gerechtigd op deze wijze hersteltijden te gebruiken en te registreren. Er wordt nauwgezet en correct hersteltijd gerapporteerd, na gesprekken met patiënt.”

4.4.3.

Dat geen concrete normen bestaan over de hoeveelheid indirecte tijd die een psychiater in verhouding tot de gedeclareerde directe tijd mag declareren, en dat partijen daarover ook geen afspraken hebben gemaakt in de Zorgovereenkomst, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat VGZ terecht heeft verwezen naar de gemiddelde indirecte tijd die door psychiaters, of andere hoofdbehandelaars in de GGZ in verhouding tot de directe tijd wordt gedeclareerd, zoals die uit de verschillende door VGZ aangehaalde rapporten blijkt. Van [gedaagde] mag immers worden verwacht dat hij tijd declareert zoals een redelijk handelend psychiater in gelijke omstandigheden doet. De landelijke gemiddelden zijn weliswaar niet doorslaggevend, maar kunnen daarvoor een aanwijzing vormen. De juistheid van die cijfers heeft [gedaagde] op zichzelf niet bestreden. Nu de door [gedaagde] gedeclareerde indirecte tijd, in verhouding tot de door hem gedeclareerde directe tijd, aanzienlijk van de gemiddelden afwijkt, kan op zijn minst van [gedaagde] worden verwacht dat hij daarvoor een deugdelijke verklaring geeft. Die verklaring heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet gegeven. De rechtbank overweegt ter motivering van dat oordeel het volgende.

4.4.4.

[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat het feit dat hij een vrijgevestigde psychiater was, een verklaring is voor de aanzienlijke afwijking van de gemiddelde indirecte tijd die psychiaters declareren. Evenmin heeft hij zijn stelling onderbouwd dat psychiaters verbonden aan instellingen veel minder indirecte tijd te besteden hebben. Zoals VGZ onbetwist naar voren heeft gebracht, dienen ook psychiaters in loondienst zelf een dossier op te bouwen en zijn dat geen werkzaamheden die kunnen worden uitbesteed, en voor zover [gedaagde] te maken zou hebben gehad met hogere administratieve lasten, betreffen dat niet-dossier gebonden werkzaamheden die niet als indirecte tijd kunnen worden gedeclareerd.

4.4.5.

De door [gedaagde] gestelde omstandigheid dat uit de medische dossiers zijn uitgebreide verslaglegging blijkt, nog daargelaten dat hij die verslaglegging niet heeft overgelegd en VGZ de noodzaak en doelmatigheid van die uitgebreide verslaglegging ter discussie heeft gesteld, biedt op zichzelf nog geen verklaring voor de excessieve hoeveelheid indirecte tijd die [gedaagde] , ten opzichte van het gemiddelde, heeft gedeclareerd.

4.4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] voor elk van de verzekerden ongeveer 20% aan hersteltijd als indirecte tijd heeft gedeclareerd. Uit de Spelregels DBC volgt dat hersteltijd alleen als indirecte tijd mag worden gedeclareerd na een intensieve sessie. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de door [gedaagde] gedeclareerde directe uren wel aan zorg aan de verzekerden is besteed, heeft [gedaagde] zijn stelling dat hij zoveel intensieve sessies met alle verzekerden heeft gehad, dat hij voor elke verzekerde steeds 20% aan hersteltijd heeft kunnen declareren, niet onderbouwd. Zijn verklaring dat hij hersteltijd gebruikte om “een beetje uit te rusten en wat dingen te regelen”, zoals door VGZ aangehaald, is daarvoor in elk geval onvoldoende.

4.4.7.

Dat VGZ aan [gedaagde] heeft bevestigd dat hij na elke sessie met een patiënt 5 tot 6 uur hersteltijd mag declareren, zoals [gedaagde] onder verwijzing naar zijn (zeer uitgebreide) e-mail aan [naam 5] van VGZ van 10 februari 2015 om 16:02 uur en de (ook zeer uitgebreide) reactie van [naam 5] aan [gedaagde] van 10 februari 2015 om 16:54 uur, heeft gesteld, heeft VGZ gemotiveerd weersproken. Volgens VGZ heeft [naam 5] de door [gedaagde] overgelegde e-mail van 10 februari 2015 om 16:54 uur niet geschreven en verzonden. Zij verwijst daartoe naar de verklaring van [naam 5] van 13 april 2018, die stelt: “Ik kan je aangeven dat mijn naam klopt en de rest NIET. Dit zou ik niet eens verzonnen kunnen hebben.” Verder verwijst zij naar de e-mail die [naam 5] op 10 februari 2015 om 16:54 uur wel aan [gedaagde] heeft gestuurd, waarvan de (korte) inhoud een geheel andere strekking heeft dan het e-mailbericht zoals [gedaagde] dat heeft overgelegd, en dat een antwoord is op een geheel andere vraag van [gedaagde] (“Kunt u mij op de hoogte houden van de stand van zaken over het afsluiten van een contract met VGZ per 2016?”) in een e-mailbericht van 10 februari 2015 om 16:12 uur, dan door hem verwoord in het door hem overgelegde e-mailbericht van 10 februari 2015 om 16:02 uur. VGZ heeft verder verwezen naar de verklaring van [naam 5] van 22 juli 2015, waarin hij op de vraag van een medewerker Speciale Zaken van VGZ of hij toevallig ook een e-mail heeft ontvangen van [gedaagde] op 10 februari 2015 om 16:02 uur, heeft geantwoord: “Ik heb in totaal maar een mail ontvangen”.

4.4.8.

Het voorgaande kan tot geen andere conclusie leiden dan dat [gedaagde] de door hem overgelegde e-mail aan [naam 5] van VGZ van 10 februari 2015 om 16:02 uur en de e-mail van [naam 5] van VGZ aan hem van 10 februari 2015 om 16:54 uur heeft vervalst. De verwijzing door [gedaagde] naar een (ongedateerde) verklaring van [naam 6] , directiesecretaresse van het Medisch Psychiatrisch Centrum Haaglanden (MPCH), is een onvoldoende betwisting daarvan. [gedaagde] was ten tijde van de e-mailberichten van 10 februari 2015 als geneesheer-directeur werkzaam bij het MPCH. Volgens [naam 6] heeft [gedaagde] op 10 februari 2015 de e-mail van [naam 5] van VGZ van 10 februari 2015 om 16:54 uur, in de versie zoals hij in deze procedure heeft overgelegd, aan haar laten zien, in geopende versie op zijn computer en in een geprinte versie. Uit die verklaring kan niet worden geconcludeerd dat dat mailbericht ook daadwekelijk met die inhoud door [naam 5] is verzonden. De mogelijkheid blijft namelijk dat het mailbericht door [gedaagde] is aangepast voordat hij het aan [naam 6] heeft laten zien. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe.
4.4.9. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de door [gedaagde] overgelegde e-mailberichten van 10 februari 2015 vals zijn, kan er niet van worden uitgegaan dat VGZ aan [gedaagde] heeft bevestigd dat hij 5 tot 6 uur hersteltijd per sessie mag declareren. Een andere rechtvaardiging voor die hoeveelheid hersteltijd heeft [gedaagde] niet gegeven.

4.4.10.

Voor zover [gedaagde] ter rechtvaardiging van de door hem gedeclareerde indirecte tijd zich beroept op het rapport van dr. [naam 4] , verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder 4.3.6. in het kader van de door [gedaagde] gedeclareerde directe tijd. Zoals ook daar is overwogen, blijkt uit het rapport van dr. [naam 4] niet welke dossierstukken zij heeft onderzocht, dat zij heeft geverifieerd of de diagnoses terecht zijn gesteld en of de gedeclareerde (indirecte) tijden ook daadwerkelijk zijn besteed. Verder heeft zij haar algemene conclusies per dossier, dat de verhouding directe en indirecte tijd volgens haar doelmatig is en dat [gedaagde] gerechtigd was de geregistreerde hersteltijden te gebruiken, niet onderbouwd met verwijzing naar de onderdelen van het medisch dossier waaruit dat kan worden geconcludeerd. Meer in het bijzonder heeft zij niet voldoende onderbouwd toegelicht waardoor [gedaagde] in zo aanzienlijke mate van de gemiddelde gedeclareerde indirecte tijden heeft kunnen afwijken. Haar algemene, niet nadere toegelichte en geverifieerde stelling dat sprake is van complexe, ineengevlochten problematiek, is daarvoor onvoldoende.

[gedaagde] kan onmogelijk het aantal gedeclareerde uren hebben gewerkt

4.5.1.

VGZ stelt zich verder op het standpunt dat [gedaagde] het bij VGZ gedeclareerde aantal uren bovendien onmogelijk kan hebben gewerkt en dat de in zijn dossiers opgenomen tijdsregistraties en de nadien door [gedaagde] aangeleverde tijdsregistraties vals zijn. Uit de door [gedaagde] verstrekte tijdsregistraties volgt dat hij in de periode van 13 maart 2013 tot en met december 2013 gemiddeld 103,1 uur per week voor de verzekerden van VGZ heeft gewerkt. Daarnaast werkte [gedaagde] nog minimaal 32,3 uur per week voor andere verzekeraars. Op basis hiervan zou [gedaagde] een gemiddelde werkweek van maar liefst 135,4 uur en een gemiddelde werkdag van 19,34 uur hebben gehad. Op 41 dagen overstijgt de tijdsregistratie van [gedaagde] de 20 uren. VGZ acht dat onrealistisch.
Daarnaast zou [gedaagde] op basis van zijn tijdsregistraties in een periode van 261 dagen slechts op zeven dagen geen tijd hebben geregistreerd. VGZ acht dat hoogst onaannemelijk. Bovendien strookt dat niet met de verklaring van verzekerde [naam 3] , die heeft verklaard dat [gedaagde] in de periode tussen 21 juni en 23 september 2013 twee keer heeft gezegd dat hij een week of langer op vakantie ging waardoor geen afspraak kon worden ingepland.

4.5.2.

Volgens [gedaagde] moet bij de berekening van zijn gemiddelde werkweek of werkdag worden uitgegaan van het totaal aantal minuten dat hij heeft gedeclareerd bij VGZ van 227.556 en het totaal aantal minuten dat hij heeft gedeclareerd bij Achmea van 66.280, dus in totaal 293.846 minuten. Dat komt vervolgens neer op een gemiddelde werkweek van 128,9 uur en een gemiddelde werkdag van 18,4 uur. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat daarvan de hersteltijd nog moet worden afgetrokken van 20% van het totaal aantal uren per dag. [gedaagde] betwist dat hij daarnaast ook nog 4 DBC’s bij zorgverzekeraar De Friesland heeft gedeclareerd van 21.000 minuten en dat hij daarnaast nog in dienst was van GGZ Friesland en GZ Crisiscare B.V. Verder stelt [gedaagde] dat hij in de betreffende periode niet op vakantie is geweest en dat hij nagenoeg elke dag heeft gewerkt. Hij erkent dat hij in die periode extreem veel heeft gewerkt en stelt dat dit daarom ook tot een burn-out heeft geleid, mede als gevolg van kanker in de vorm van een melanoom die hij aan het einde van de periode als zelfstandig psychiater bleek te hebben.

Verder verwijst [gedaagde] opnieuw naar het onderzoeksrapport van dr. [naam 4] . Zij verklaart per dossier het volgende:

“Is er kennisgenomen van het totaaloverzicht van alle declaraties bij VGZ in 2013 en is de geregistreerde tijd binnen dit zorgtraject /DBC een haalbaar aantal minuten qua werktijden en arbeidsbelasting?
Ja, ik heb kennisgenomen van het totaaloverzicht van alle declaraties bij VGZ. Deze DBC/zorgtraject bestaat uit een haalbaar aantal minuten.

Kan met een voldoende mate van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid worden vastgesteld dat er sprake is van ‘gepast gebruik’?
Ja, er kan met voldoende mate van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid worden vastgesteld dat er sprake is van gepast gebruik.”

4.5.3.

De rechtbank is met VGZ van oordeel dat de door [gedaagde] gedeclareerde hoeveelheid werkuren gedurende de gehele periode van 15 maart 2013 tot en met 1 december 2013 hoogst onwaarschijnlijk is. Ook als alleen uitgegaan wordt van de uren die [gedaagde] heeft gedeclareerd bij VGZ en Achmea en zijn eigen urenoverzichten die hij daarvan heeft opgesteld, zou [gedaagde] , zoals hij zelf heeft berekend, een gemiddelde werkweek van 128,9 uur en een gemiddelde werkdag van 18,4 uur hebben gehad. Er is geen grond voor de conclusie dat van die gewerkte uren steeds 20% hersteltijd moet worden afgetrokken, zoals [gedaagde] heeft betoogd. Zoals hiervoor is overwogen heeft hij immers niet onderbouwd gesteld dat hij zoveel intensieve sessies met alle verzekerden heeft gehad, dat hij voor elke verzekerde steeds 20% aan hersteltijd heeft kunnen declareren (zie 4.4.6.), en is niet komen vast te staan dat hij steeds 5 tot 6 uur hersteltijd mocht declareren (zie 4.4.7. tot en met 4.4.9.). [gedaagde] heeft erkend dat slapen niet als indirecte tijd geldt. Dat betekent dat [gedaagde] gedurende negen maanden gemiddeld slechts 5,6 uur per dag tijd voor slaap en overige noodzakelijke activiteiten, zoals eten en andere persoonlijke verzorging, over zou hebben gehad. VGZ acht dat terecht niet realistisch, vooral niet als daarbij ook het navolgende in aanmerking wordt genomen.

4.5.4.

[gedaagde] heeft op zichzelf terecht gesteld dat de berekening van VGZ van het aantal door hem gedeclareerde uren op 26 september 2013, op basis waarvan VGZ heeft geconcludeerd dat hij die dag het onmogelijke aantal van 31,7 uren heeft gedeclareerd (conclusie van antwoord in oppositie, punt 34, onder i), niet kan worden herleid tot het urenoverzicht zoals [gedaagde] dat zelf heeft opgesteld. Wel kan aan de hand van dat urenoverzicht worden vastgesteld - en [gedaagde] heeft dat ook erkend - dat hij een aantal dagen 24 uren heeft gedeclareerd. Ook dat is niet realistisch. De niet nader toegelichte of onderbouwde suggestie die ter zitting namens [gedaagde] is gegeven, dat hij een aantal uren na 0.00 uur ’s nachts mogelijk nog op de voorgaande dag heeft geschreven, is daarvoor geen afdoende verklaring.

4.5.5.

Voor zover [gedaagde] zich ook in dit verband beroept op zijn behandelplannen met tijdsprognose en afsluitingsdocumenten met tijdregistratie, volgt daaruit niet zonder meer dat [gedaagde] deze tijd ook daadwerkelijk aan de verzekerden van VGZ heeft besteed. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.3.5.

4.5.6.

Ten aanzien van het beroep van [gedaagde] op het onderzoeksrapport van dr. [naam 4] , verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.3.6, waaruit volgt dat uit dat rapport niet blijkt welke dossierstukken dr. [naam 4] heeft onderzocht, dat zij heeft geverifieerd of de diagnoses terecht zijn gesteld en of de gedeclareerde behandeltijden ook daadwerkelijk zijn besteed, meer in het bijzonder door ook navraag of onderzoek te doen bij de verzekerden van VGZ. Haar algemene conclusies dat de DBC’s bestaan uit een haalbaar aantal minuten en dat met voldoende mate van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld dat sprake is van gepast gebruik, is van geen toelichting of onderbouwing per dossier voorzien, zodat daarvan in weerwil van hetgeen in het voorgaande is overwogen, niet zonder meer kan worden uitgegaan.

4.5.7.

De rechtbank concludeert uit het voorgaande, in samenhang met hetgeen eerder is overwogen in het kader van de door [gedaagde] gedeclareerde directe tijd en de door hem gedeclareerde indirecte tijd, dat VGZ voldoende onderbouwd heeft toegelicht dat [gedaagde] onmogelijk het aantal gedeclareerde uren kan hebben gewerkt en dat [gedaagde] de stellingen van VGZ in dat verband onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

Conclusie
4.6. De slotsom van al het voorgaande is dat VGZ, in het licht van hetgeen [gedaagde] daartegen heeft aangevoerd, voldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat [gedaagde] over de periode van 15 maart 2013 tot en met 1 december 2013 directe uren en indirecte uren heeft gedeclareerd voor de verzekerden van VGZ, die hij in werkelijkheid niet (in de door hem gedeclareerde mate) heeft besteed en ook dat hij het totaal aantal gedeclareerde uren in werkelijkheid onmogelijk kan hebben gewerkt. Gesteld noch gebleken is dat deze onjuiste declaraties zijn gebaseerd op vergissingen of misverstanden. Integendeel, [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld - en blijft zich op het standpunt stellen - dat hij al de uren die hij heeft gedeclareerd ook daadwerkelijk heeft gemaakt. Dat standpunt heeft hij, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende onderbouwd. Vast staat aldus dat [gedaagde] verkeerde en/of onvolledige informatie heeft verstrekt of informatie heeft verzwegen over de zorgverlening en in rekening te brengen tarieven. VGZ vordert daarom terecht op grond van artikel 5 lid 3 van de Zorgovereenkomst terugbetaling van de vergoedingen die zij op basis van die (onjuiste) declaraties aan [gedaagde] heeft betaald.
Voor bewijslevering is onder de gegeven omstandigheden geen plaats.

Aan een bespreking van de overige verwijten aan het adres van [gedaagde] die VGZ aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.

4.7.

[gedaagde] heeft nog betoogd, dat VGZ alleen het deel van zijn declaraties dat hij volgens VGZ teveel heeft gedeclareerd, als onverschuldigd betaald kan terugvorderen en niet al hetgeen zij op basis van de (onjuiste) declaraties van [gedaagde] aan hem heeft uitbetaald. Voor dat standpunt is geen grond. De tekst van artikel 5 lid 3 van de Zorgovereenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan dat elke declaratie die is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie van de kant van de zorgverlener, door de zorgverzekeraar in zijn geheel (inclusief wettelijke rente) kan worden teruggevorderd. In dat verband heeft VGZ ook terecht gewezen op het bepaalde in artikel 35 lid 1 en lid 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Bij de uitleg van de Zorgovereenkomst is van belang dat partijen opereren in een - onder meer door de Wmg - gereguleerde markt. Dit brengt mee dat bij de vaststelling van de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en van wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, mede betekenis toekomst aan het bepaalde in artikel 35 lid 1, lid 3 en lid 4 Wmg. Uitgelegd tegen die achtergrond roept de Zorgovereenkomst geen betalingsverplichting voor VGZ jegens [gedaagde] in het leven voor een zorgprestatie die is gedeclareerd in strijd met artikel 35 lid 1 Wmg. Voor zover VGZ niettemin tot betaling is overgegaan, berust deze betaling daarom niet op de overeenkomst en is deze dan ook onverschuldigd verricht (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 23 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1463).

4.8.

Nu [gedaagde] voor het overige de hoogte van het door VGZ teruggevorderde bedrag van € 460.007,54 en de hierover gevorderde wettelijke rente niet heeft betwist, kan de veroordeling van [gedaagde] in het verstekvonnis om dat bedrag aan VGZ terug te betalen, in stand blijven.

4.9.

Nu gesteld noch gebleken is dat de onjuiste declaraties van [gedaagde] zijn gebaseerd op vergissingen of misverstanden, maar hij juist blijft stellen dat hij al de uren die hij heeft gedeclareerd ook daadwerkelijk heeft gemaakt en dus bewust onjuiste declaraties bij VGZ heeft ingediend, heeft VGZ naar het oordeel van de rechtbank ook kunnen concluderen dat sprake is van frauduleus handelen in de zin van artikel 5 lid 4 van de Zorgovereenkomst. Op grond van die bepaling was VGZ daarom ook gerechtigd haar onderzoekskosten terug te vorderen. Nu [gedaagde] de hoogte van het gevorderde bedrag van de onderzoekskosten van € 9.503,75 niet heeft weersproken, kan de veroordeling van [gedaagde] in het verstekvonnis om ook dat bedrag aan VGZ te betalen, in stand blijven.

4.10.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn ook toewijsbaar. VGZ heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Of die vordering nu moet worden gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zoals VGZ heeft aangevoerd, of op het Rapport Voorwerk II, zoals de verstekrechter in het bestreden vonnis heeft aangenomen, in beide gevallen is het gevorderde bedrag van € 4.075,04 toewijsbaar, nu VGZ haar vordering tot dat bedrag heeft beperkt. Ook die veroordeling in het verstekvonnis kan daarom in stand blijven.

4.11.

[gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, de wettelijke rente over deze proceskosten en de nakosten. Deze nevenvorderingen zijn daarom toewijsbaar, met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierover in het verstekvonnis van 27 december 2017 heeft overwogen en beslist.

4.12.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd.

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van VGZ begroot op € 6.198,00 voor salaris van de advocaat (2,0 punten × tarief € 3.099,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

5.1.

[gedaagde] vordert in reconventie om voor recht te verklaren dat de opname van zijn gegevens in het Extern Verwijzingsregister onrechtmatig is en om VGZ te veroordelen de opname van zijn gegevens in het Extern Verwijzingsregister te verwijderen. Volgens [gedaagde] heeft VGZ hem ten onrechte opgenomen in het Extern Verwijzingsregister, omdat niet in voldoende mate vast staat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het ten onrechte en opzettelijk indienen van onjuiste declaraties. Hij verwijst daartoe naar hetgeen hij in conventie naar voren heeft gebracht.

5.2.

Zoals de rechtbank in conventie heeft geoordeeld is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] verkeerde en/of onvolledige informatie heeft verstrekt of informatie heeft verzwegen over de zorgverlening en in rekening te brengen tarieven en dat hij bij het indienen van zijn declaraties bij VGZ frauduleus heeft gehandeld. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat VGZ [gedaagde] ten onrechte heeft opgenomen in het Externe Verwijzingsregister. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de opname van [gedaagde] in het Externe Verwijzingsregister disproportioneel is omdat hij zijn praktijk als vrijgevestigde psychiater al geruime tijd had beëindigd, zoals [gedaagde] verder heeft betoogd. VGZ heeft in dat verband terecht erop gewezen dat, gezien het gebrek aan reflectie aan de zijde van [gedaagde] , benadeling van zorgverzekeraars, maar ook andere verzekeraars of financiële instellingen, niet is uit te sluiten. Dat [gedaagde] zijn zelfstandige praktijk heeft gestaakt, en inmiddels op grond van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam van 17 januari 2020 niet meer werkzaam mag zijn als psychiater, doet daaraan niet af.

5.3.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht en de vordering van [gedaagde] tot verwijdering van zijn gegevens uit het Externe Verwijzingsregister, zal afwijzen.

5.4.

Nu de rechtbank de vorderingen van VGZ in conventie heeft toegewezen, is er evenmin grond voor het oordeel dat de conservatoire beslagen die zij ten laste van [gedaagde] heeft gelegd, onrechtmatig zijn. De gevorderde verklaring voor recht en de vordering van [gedaagde] tot opheffing van die beslagen, en tot veroordeling van VGZ in de rente en kosten, zal de rechtbank dan ook afwijzen.

5.5.

Gelet op de afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] tot verwijdering van zijn gegevens uit het Externe Verwijzingsregister en tot opheffing van de conservatoire beslagen, zal de rechtbank de vordering van [gedaagde] tot vergoeding van immateriële schade in verband met die vorderingen en de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten eveneens afwijzen.

5.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op de samenhang met de zaak in conventie worden de kosten aan de zijde van VGZ begroot op € 543,00 voor salaris van de advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 543,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing


De rechtbank

in conventie

6.1.

bekrachtigt het door deze rechtbank op 27 december 2017 onder zaaknummer / rolnummer C/15/267214 / HA ZA 17/834 gewezen verstekvonnis,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van VGZ tot op heden begroot op € 6.198,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

6.3.

wijst de vorderingen af,

6.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van VGZ tot op heden begroot op € 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


in conventie en in reconventie
6.5. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, mr. J. van der Kluit en mr. J.H. van Woudenberg en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.1

1 type: JvdK coll: ST/JG