Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1744

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
HAA 19/5146
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0052
JM 2020/92 met annotatie van Bremer, C.N.
JAF 2020/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5146

uitspraak van de enkelvoudige kamer 10 maart 2020 in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. van Angeren).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap Stadsverwarming Purmerend Productie B.V., te Purmerend

(gemachtigde: mr. R. Molenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij omgevingsvergunning verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de realisatie van een biomassacentrale inclusief waterbuffertank, ontvangstruimte en het aanleggen van een in- en uitrit aan de Visserijweg 51 te Purmerend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020.

Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door drs. ing. [naam 1] , [functie 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , werkzaam bij verweerder, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens derde-partij is verschenen [naam 3] , [functie 2] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

Het bestreden besluit

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend aan derde-partij voor de activiteiten:

- het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo;

- het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en

- een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo

voor het realiseren van een biomassacentrale inclusief waterbuffertank, ontvangstruimte en het aanleggen van een in- en uitrit (hierna: het project) aan de Visserijweg 51 te Purmerend. De biomassacentrale bestaat uit een 12 meter hoge opslagruimte voor houtsnippers, een 16 meter hoog ketelhuis en een schoorsteen van 20 meter. De waterbuffertank heeft een beoogde hoogte van 14,5 meter.

Crisis- en herstelwet van toepassing

2. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met categorie 1, onder 1.1, van bijlage I, van de Crisis- en herstelwet is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op deze procedure.

Procedureel

3.1

Eiseres stelt dat het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken niet volledig ter inzage zijn gelegd. Op de website van de gemeente ontbraken de aanvraag en aanmeldnotitie “Vormvrije m.e.r-beoordeling Oprichting BioWarmteCentrale 2 SVP Productie B.V.” (m.e.r-beoordeling).

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank maakt de omstandigheid dat stukken op de website ontbraken niet dat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij is van belang dat verweerder heeft medegedeeld dat het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, waaronder de aanvraag en de m.e.r.-beoordeling, fysiek gedurende zes weken ter inzage hebben gelegen op het stadhuis in Purmerend. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de mededeling van verweerder te twijfelen en eiseres heeft de fysieke terinzagelegging niet betwist.

Onvolledige aanvraag

4.1.1

Eiseres stelt dat de aanvraag onvolledig is geweest nu het bestreden besluit ten onrechte niet ziet op het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

Zij stelt daartoe dat de biomassacentrales aan de Visserijweg 51 en op het adres Contact 1a als één inrichting moeten worden aangemerkt en dat het gezamenlijk thermisch vermogen van deze beide biomassacentrales ver boven 15 megawatt (hierna ook: MW) ligt. Zij stelt verder dat de biomassacentrale aan de Visserijweg 51 zelf ook al een groter thermisch vermogen heeft dan 15 MW.

4.1.2

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

In onderdeel C, categorie 1.4, aanhef en onder a – voor zover hier van belang – , van Bijlage I bij het Bor is bepaald dat als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, worden aangewezen inrichtingen waar een of meer stookinstallaties met een nominaal vermogen groter dan 20 kilowatt aanwezig zijn, waarin een andere stof wordt verstookt dan biomassa, voor zover het verstoken plaatsvindt in stookinstallatie met een thermisch vermogen kleiner dan 15 megawatt.

Op grond van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer wordt elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.

4.1.3

De rechtbank onderschrijft niet het standpunt van eiseres dat de biomassacentrales aan de Visserijweg 51 en op het adres Contact 1a als één inrichting moeten worden aangemerkt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat weliswaar is voldaan aan het criterium van organisatorische samenhang nu derde-partij zeggenschap heeft over beide biomassacentrales, maar verweerder heeft verder afdoende gemotiveerd dat in elk geval van een technische binding tussen de centrales geen sprake is nu de installaties elkaar niet ondersteunen en een aparte infrastructuur hebben. De rechtbank volgt verweerder voorts in diens stelling dat de afstand tussen de beide biomassacentrales te groot is om als één inrichting te kunnen worden aangemerkt nu de afstand tussen de beide biomassacentrales – door verweerder terecht over de weg gemeten – ongeveer 1,7 kilometer bedraagt, waarbij ook geldt dat de percelen waarop beide centrales zijn gelegen niet aangrenzend zijn maar zijn gescheiden door percelen van derden en daarop aanwezige bebouwing alsmede openbare (water)wegen.

4.1.4

Voor zover eiseres stelt dat de onderhavige biomassacentrale een groter thermisch vermogen heeft dan 15 MW overweegt de rechtbank dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend op grond van de aanvraag en dat daarin omgevingsvergunning is gevraagd voor het oprichten van een biomassacentrale met maximaal thermisch vermogen van 14 MW. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet van de aanvraag kon uitgaan. Indien en voor zover de biomassacentrale niet in werking is overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning, is het bevoegd gezag in beginsel gehouden handhavend op te treden.

4.1.5

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het project niet tevens een activiteit behelst als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Het betoog van eiseres dat de aanvraag onvolledig was en het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven, faalt derhalve.

Voorschrift aan omgevingsvergunning

5. Nu geen sprake is van een vergunningplicht op grond van de activiteit bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo faalt reeds daarom de stelling van eiseres dat aan de verleende omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschrift is verbonden ter regulering van het ingaand vermogen van de installatie. In een omgevingsvergunning die ziet op de activiteiten bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, is voor het stellen van voorschriften over het ingaand vermogen van de biomassacentrale geen plaats.

Emissienormen in Activiteitenbesluit

6.1

Eiseres stelt dat de emissienormen die in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn opgenomen voor de onderhavige biomassacentrale niet zijn aan te merken als Best Beschikbare Technieken (BBT) omdat een veel lagere NOx concentratie kan worden bereikt dan op grond van het Activiteitenbesluit is toegestaan en de normen voor SO2 op grond van het Activiteitenbesluit te hoog zijn.

6.2

De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat op grond van het Activiteitenbesluit emissienormen op de biomassacentrale van toepassing zijn. Verweerder heeft verder onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij het – kortgenoemd – Besluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit (..) van 19 augustus 2017, gepubliceerd in Staatsblad 2017/330, afdoende gemotiveerd dat de normen die voor middelgrote stookinstallaties als de onderhavige gelden in overeenstemming zijn met BBT. Dat de biomassacentrale “beter” kan dan de aan haar gestelde normen, maakt niet dat de normen uit het Activiteitenbesluit niet zijn aan te merken als BBT.

7.1

Eiseres stelt dat onduidelijk is of in de inrichting in water opgeloste of geconcentreerde ammoniak wordt ingespoten, hetgeen volgens haar van belang is voor de vraag of de inrichting valt onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar pagina 10 van het m.e.r.- beoordelingsbesluit van 13 februari 2019 afdoende verduidelijkt dat in de ketel ammonia wordt ingespoten en geen ammoniak en dat het Bevi in zoverre en ook overigens niet op de onderhavige biomassacentrale van toepassing is.

Omgevingsvergunning activiteit met bestemmingsplan strijdig gebruik

8.1

Op de gronden waar het project is beoogd, geldt het bestemmingsplan “Bedrijvenpark Baanstee-Noord”. Het project is voorzien op gronden met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden I (BI)”. Uit de bestemmingsplanbepalingen volgt dat ter plaatste een bedrijf met een maximale milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 12 meter en een minimale brutovloeroppervlakindex van 0,8.

8.2

De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Met een afmeting van 1860m2 voldoet het beoogde bouwwerk niet aan de vereiste minimale brutovloeroppervlakindex van 0,8; het bouwwerk is te klein. Met een beoogde hoogte van 16 meter en 20 meter overschrijden het ketelhuis en de schoorsteen de maximale toegestane bouwhoogte van 12 meter. De waterbuffertank overschrijdt de voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestane maximale bouwhoogte van 12 meter.

8.3

De rechtbank stelt verder vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat verlening van de omgevingsvergunning met toepassing van de in de planvoorschriften opgenomen afwijkingsmogelijkheden niet mogelijk is. Evenmin kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2º, van de Wabo worden verleend. Er kon door verweerder derhalve alleen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wabo.

Verklaring van geen bedenkingen

9.1

Eiseres stelt dat verweerder de raad van de gemeente Purmerend (hierna: de raad) ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (hierna ook: vvgb) heeft gevraagd als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daarbij geldt dat het besluit van 1 oktober 2015 waarbij de raad categorieën heeft aangewezen waarvoor geen vvgb is vereist, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3207) onverbindend moet worden verklaard.

9.2

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor, kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de raad gebruik gemaakt van de bevoegdheid, volgend uit artikel 6.5, derde lid, van het Bor om categorieën aan te wijzen waarin een vvgb niet is vereist. Daarbij zijn projecten gelegen binnen het gearceerde gebied zoals aangegeven op bijgaande kaart (Bijlage 1 – Cat VVGB BANO – 04082015) als zodanig aangewezen.

9.3

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat voor het onverbindend verklaren van het raadsbesluit van 1 oktober 2015 geen grond bestaat nu, anders dan in voornoemde uitspraak het geval was, bij het besluit van 1 oktober 2015 niet is bepaald dat een vvgb in geen enkel geval is vereist. Bij het besluit is immers bepaald dat geen vvgb is vereist voor projecten die zijn beoogd binnen een bij dat besluit specifiek aangewezen gebied, welk gebied ook niet het gehele plangebied van het bestemmingsplan “Baanstee Noord” behelst. Nu het project valt binnen de grenzen van deze aangewezen categorie, heeft verweerder alvorens omgevingsvergunning te verlenen de raad niet om een vvgb hoeven vragen. Het betoog van eiseres faalt.

Ruimtelijke onderbouwing

10.1.1

Eiseres stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing niet alle ruimtelijk relevante aspecten zijn meegewogen en dat niet alle risico’s van de schadelijke stoffen die de biomassacentrale zal uitstoten op de volksgezondheid en het woon- en leefklimaat geheel duidelijk zijn, hetgeen had moeten worden meegewogen in de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Voor zover verweerder stelt dat op het aspect gezondheid is ingegaan in het rapport luchtkwaliteit en geur, stelt eiseres dat dit rapport van de ruimtelijke onderbouwing geen deel uitmaakt. Met het gegeven dat in het rapport is aangegeven wat de emissies zullen zijn en dat is voldaan aan de Wet milieubeheer en het provinciaal geurbeleid, staat de aanvaardbaarheid van het project niet vast. Daarbij geldt dat in het rapport alleen de emissies NOₓ (stikstofoxide) en fijnstof (PM 10 en PM 2,5) zijn beoordeeld; ZZS (zeer zorgwekkende stoffen), HCI (zoutzuur), SO₂ (zwaveldioxide) en HF (waterstoffluoride) zijn daarin niet meegenomen.

10.1.2

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing vormvrij is en dat in de beoordeling naast het als zodanig benoemde document ook de ter onderbouwing van de aanvraag overgelegde rapporten, waaronder onder meer de rapportage Luchtkwaliteit & Geur, de m.e.r-beoordeling en de Natuurtoets worden betrokken.

10.1.3

In het Activiteitenbesluit zijn emissienormen voor NOₓ, SO₂ en stof opgenomen die voor eiseres gelden. Verweerder is er bij de vergunningverlening terecht vanuit gegaan dat, nu ook in het rapport Luchtkwaliteit & Geur is onderkend welke normen gelden, daaraan door de biomassacentrale zal worden voldaan. Door verweerder is er verder op gewezen dat in hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden voor de luchtkwaliteit gesteld zijn voor SO₂, stikstofdioxide (No₂), PM10 en PM 2,5 alsmede koolmonoxide (CO), benzeen en lood. In paragraaf 2.3 van de rapportage Luchtkwaliteit & Geur is toegelicht dat de grenswaarden voor zwaveldioxide (SO₂) en koolmonoxide (CO) geen knelpunten zijn en uit de paragrafen 2.3, 2.3.1 en 2.3.2 van genoemd rapport volgt dat ter zake stikstofdioxide (NO₂) en fijn stof (PM 10 en PM2,5), de luchtverontreinigende stoffen die voor de onderhavige biomassacentrale van belang zijn, geen sprake zal zijn van onrechtmatige overschrijding van de wettelijke normen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de uitstoot van stoffen voldoende beoordeeld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom andere stoffen ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling.

10.2.1

Eiseres stelt verder dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende rekening is gehouden met de uitvoerbaarheid van het project, nu de op 6 mei 2019 aan eiseres verleende vergunning op grond van de Wnb naar huidig recht niet verleend zou mogen worden en daarom een nieuwe passende beoordeling moet worden gemaakt.

10.2.2

Onder verwijzing naar hetgeen hierna onder 14.2 is overwogen, volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling.

Milieueffectrapport

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder categorie 22.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r van toepassing heeft geacht. Onderdeel D noemt activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet Milieubeheer (Besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt) van toepassing is. In kolom 1 van deze categorie wordt de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water genoemd.

In kolom 2 zijn gevallen genoemd waarin de activiteit betrekking heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer en, indien het een wijziging of uitbreiding betreft,

1°. het vermogen met 20% of meer toeneemt, of

2°. de inzet van een andere brandstof tot doel heeft.

Deze categorie is volgens verweerder van toepassing omdat door verbranding van biomassa water zal worden verwarmd ten behoeve van stadsverwarming. Omdat de biomassacentrale een thermisch vermogen heeft van 14 MW blijven de activiteiten onder de drempelwaarde van D 22.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Uit artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r., volgt dat het bevoegd gezag een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient uit te voeren in gevallen waarin een activiteit genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de omvang van deze activiteit onder de in kolom 2 vastgelegde drempelwaarden blijft. Bezien dient te worden of die activiteit, ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Indien de te verrichten beoordeling leidt tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, dient een m.e.r.-beoordeling te worden verricht, volgens de procedure van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer.

Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke milieugevolgen, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid, luchtkwaliteit, geur, water en natuur. In de m.e.r.- beoordeling gedateerd 14 december 2018 is geconcludeerd dat met de voorgenomen oprichting geen sprake zal zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, reden waarom geen noodzaak bestaat voor het opstellen van een Milieueffectrapport (hierna: MER), hetgeen door verweerder is geformaliseerd in het m.e.r.-beoordelingsbesluit van 13 februari 2019.

12.1

Eiseres stelt dat een MER had moeten worden opgesteld omdat de biomassacentrale is aan te merken als een afvalverbrandingsinstallatie als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r). De houtsnippers die in de biomassacentrale worden verbrand zijn aan te merken als afvalstof.

12.2

Verweerder stelt dat categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. In deze categorie wordt de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen genoemd.

In de biomassacentrale worden alleen houtsnippers afkomstig van regulier onderhoud van de Nederlandse bossen en landschappen volgens NTA-8003, afkomstig van Staatsbosbeheer, gestookt. Onder verwijzing naar de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en de Handreiking onbehandeld hout van het Ministerie van I&M van oktober 2017, waarin een handreiking is gegeven voor de toepassing van de definities afvalstof en bijproduct volgens de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen, stelt verweerder dat de houtsnippers niet zijn te kwalificeren als afvalstof. Van belang daarbij is dat derde-partij zich niet van de houtsnippers ontdoet of beoogt te ontdoen en dat zij daartoe ook niet verplicht is. Dat geldt ook voor Staatsbosbeheer voor wie verder geldt dat de intentie van velling of snoei is dat het hout wordt geoogst en dat ervoor wordt betaald. Het door Staatsbosbeheer aan derde-partij te leveren hout voldoet voorts aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen. Dit betekent dat het hout ter plaatse van de velling of snoei wordt versnipperd en het niet meer dan 5 gewichtsprocent aan takken dunner dan 10 cm, bladeren naalden of gras; aanhangende grond dan wel hout dat is aangetast door rot, schimmel of ziekte bevat en dat de partij geen andere materialen zoals metaal, kunststof, papier en stenen bevat.

12.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat de houtsnippers die in de biomassacentrale zullen worden gestookt niet zijn aan te merken als afvalstoffen in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij is van belang dat, hetgeen door verweerder en derde-partij ter zitting is bevestigd, tussen Staatsbosbeheer en derde-partij sprake is van een (exclusieve) contractuele relatie waarmee voor Staatsbosbeheer is verzekerd dat voor het hout een vorm van benutting is voorzien. Nu verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een afvalstof, is categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r niet van toepassing.

M.e.r.-beoordeling

13. Eiseres stelt dat in de m.e.r-beoordeling ten onrechte niet de milieugevolgen van zowel de biomassacentrales aan de Visserijweg 51 en het adres Contact 1a zijn betrokken omdat sprake is van één inrichting. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.1.3 is overwogen, volgt de rechtbank eiseres niet.

14.1

Eiseres stelt verder dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) in de m.e.r.- beoordeling (en het m.e.r.-beoordelingsbesluit) niet kon worden verwezen naar het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS).

14.2

In de m.e.r.-beoordeling en de Natuurtoets zijn de effectbeschrijvingen voor de natuur weergegeven, en is geconcludeerd dat de activiteiten van derde-partij vergunningplichtig zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Bij besluit van 6 mei 2019 is door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan derde-partij op diens verzoek een vergunning verleend op grond van de Wnb ten behoeve van het project. Verweerder kon van de verlening van die vergunning uitgaan bij het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij uitspraak (HAA 19/2564) van heden het beroep van eiseres gericht tegen het besluit van 6 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

15. Eiseres heeft onder verwijzing naar de inbreukprocedure die de Europese Commissie op 7 maart 2019 is gestart met betrekking tot de Nederlandse omzetting van artikel 11 van de m.e.r.-Richtlijn gevraagd om aanhouding van de behandeling van het beroep. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien dit verzoek in te willigen nu nog onduidelijk is waar de ingebrekestellingsprocedure precies op ziet en onduidelijk is of de inbreukprocedure na afronding van de administratieve fase zal worden doorgezet. Omdat aldus niet vaststaat dat van een onjuiste implementatie sprake is, is verweerder terecht uitgegaan van de geldende implementatiewetgeving en ziet de rechtbank geen aanleiding voor aanhouding van het beroep.

Stikstofdepositie bouwen en uitrit niet in Wnb-vergunning

16.1

Eiseres stelt dat stikstofdepositie van het bouwen van de inrichting en het aanleggen van de inrit niet zijn meegenomen in het kader van de Wnb-vergunning.

16.2

Deze stelling heeft betrekking op de bij besluit van 6 mei 2019 aan eiseres verleende vergunning op grond van de Wnb, welke vergunning in dit geding niet aan de orde is. Verder heeft eiseres tegen de omgevingsvergunning voor zover deze de uitrit mogelijk maakt, geen zienswijze gericht. Zij kan niet eerst in beroep alsnog tegen dit besluitonderdeel opkomen.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 maart 2020.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.