Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1742

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
HAA 19_2564
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet natuurbescherming. Verdrag van Aarhus. Geen zienswijze tegen ontwerp. Beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2564

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2020 in de zaak tussen

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen, eiseres

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: A. Speekenbrink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap Stadsverwarming Purmerend Productie B.V., te Purmerend, (hierna: SVP)

(gemachtigde: mr. R. Molenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb) verleend aan derde-partij SVP.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Namens SVP is [naam] , [functie] van SVP Holding B.V., verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Het college is onder meer vertegenwoordigd door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit is Wnb-vergunning verleend ten behoeve van het project dat ziet op het oprichten en in gebruik nemen van een nieuwe Bio Warmtecentrale (BWC) met een thermische capaciteit van 14 MW aan de Baanstee Noord kavel 5D te Purmerend. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: PAS) en een AERIUS-berekening gemaakt van de stikstofdepositie van het project. Het bestreden besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.1

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verstaat onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het tweede lid staat dat ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen worden beschouwd.

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, gelezen in verbinding met het eerste lid van artikel 8:1 van de Awb, kan een bestuursorgaan uitsluitend beroep instellen tegen een besluit indien een aan hem toevertrouwd belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit van een ander bestuursorgaan. Een belang is aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3188.

2.2

Het college stelt belang te hebben bij het realiseren van de BWC. Het realiseren van de BWC is in het belang van Purmerend en de inwoners van Purmerend, vanwege de warmtevoorziening, de werkgelegenheid en het realiseren van duurzaamheidsambities. Omdat voor het oprichten en in gebruik nemen van de BWC door SVP een vergunning op grond van de Wnb vereist is, is het college van mening belanghebbende te zijn bij de procedure naar aanleiding van het intrekkingsverzoek van eiseres.

Verder heeft het college als het daartoe bevoegd gezag aan SVP een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend voor de realisatie van de BWC en het aanleggen van een in- en uitrit. Wanneer het besluit tot verlening van de onderhavige Wnb-vergunning door de rechtbank wordt vernietigd, raakt dit aan de bevoegdheid van het college om de omgevingsvergunning te verlenen. De Wnb-vergunning te behoeve van de BWC is relevant voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van het plan en raakt op die manier de ruimtelijke ordeningsbevoegdheden van het college. Het college verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1424, overweging 6.4.

2.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het college geen belanghebbende bij de aan SVP verleende Wnb-vergunning. De vergunning is afzonderlijk en vooruitlopend op de aanvraag omgevingsvergunning ingediend en verleend. Met de Wnb-vergunning worden voorts geen taken geraakt die aan het college ingevolge het bestuursrecht zijn opgedragen. De warmtevoorziening en de werkgelegenheid waarin het oprichten van de BWC voorziet zijn niet als zodanige taken aan te merken en de omstandigheid dat met het oprichten van de BWC verder duurzaamheidsambities van het college worden behaald maakt ook niet dat het college als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Ook het realiseren van duurzaamheidsambities, kan niet worden gekwalificeerd als een aan het college bij wettelijk voorschrift toevertrouwd belang vanwege de bevoegdheid tot behartiging van dit belang. Gelet op het voorgaande gaat verder de verwijzing van het college naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015 niet op. In die zaak kwam de gemeente Lansingerland immers wel op tegen een besluit dat gevolgen kon hebben voor een aan de gemeente toevertrouwd belang, te weten de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Lansingerland.

3. De rechtbank beoordeelt allereerst de ontvankelijkheid van het beroep.

4. Op grond van de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht.

Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht.

5. Vast staat dat eiseres geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit.

6. Eiseres voert aan dat het niet indienen van een zienswijze haar niet kan worden tegengeworpen omdat de koppeling van inspraak via het inbrengen van zienswijzen en de onderdelenfuik van artikel 6:13 van de Awb niet verenigbaar zijn met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (het Verdrag van Aarhus, hierna (ook): het Verdrag). Eiseres verwijst naar de arresten van het Europese Hof van Justitie met nummers ECLI:EU:C:2009:631, overweging 38, 39 en 48, ECLI:EU:C:2015:683, overweging 80 en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12159, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Verdrag niet van toepassing is omdat geen sprake is van een inrichting in de zin van artikel 6 van dit Verdrag. Wanneer het Verdrag wel van toepassing zou zijn heeft artikel 9, tweede lid, van dit Verdrag geen rechtstreekse werking in onze rechtsorde, omdat de Europese Unie op dit punt regelgevend heeft opgetreden door het opnemen van de verplichting van artikel 9, tweede lid, van het Verdrag in Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2010, ECLI: NL:RVS:2010:BO4217, overweging 2.7.3. Verweerder verwijst voorts naar de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2015, ECLI: NL: RVS:2015:3703, waarin al is uitgemaakt dat het vereiste van artikel 6:13 van de Awb niet in strijd is met het Verdrag van Aarhus. De Afdeling heeft daarbij in de overwegingen 21 tot en met 21.10 expliciet de door eiseres genoemde arresten van het Europese Hof van Justitie in haar afweging betrokken.

8.1

Artikel 4 van het Verdrag bepaalt, kort weergegeven, dat de lidstaat waarborgt dat milieu-informatie beschikbaar wordt gesteld voor het publiek.

Artikel 6, eerste lid, van het Verdrag van Aarhus (Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten) luidt, voor zover van belang, als volgt.

Elke Partij:

A. past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;

B. past, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, de bepalingen van dit artikel ook toe op besluiten over niet in bijlage I vermelde voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Hiertoe bepalen de Partijen of een dergelijke voorgestelde activiteit onder deze bepalingen valt.

Artikel 9 van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot de rechter.

Ingevolge het tweede lid waarborgt, samengevat, de lidstaat dat leden van het betrokken publiek toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6. In artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus staat voorts dat de bepalingen van dit lid niet de mogelijkheid uitsluiten van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

Artikel 9, derde lid, van het Verdrag bepaalt in aanvulling op de in het eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedure, dat wordt gewaarborgd wanneer aan eventuele in het nationale recht neergelegde criteria wordt voldaan, leden van het publiek toegang hebben tot bestuursrechtelijke en rechterlijke procedures om handelen en nalaten van privé personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van het nationale recht betreffende het milieu.

8.2

De overwegingen 18 tot en met 21 van (thans geldende) Richtlijn 2011/92 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (verder: mer-richtlijn) verwijzen naar het Verdrag van Aarhus, de doelstelling van dit Verdrag en de artikelen 6 en 9 van dit Verdrag.

Artikel 11, eerste lid, van de mer-richtlijn bepaalt, samengevat, dat de lidstaten ervoor zorgen dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij de rechtbank om de materiële en formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.

Volgens artikel 11, tweede lid, van de mer-richtlijn bepalen de lidstaten in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.

In artikel 11, vierde lid, van de mer-richtlijn staat dat de bepalingen van dit artikel een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uitsluiten en niet afdoen aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedure doorlopen moet zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

9.1

Daargelaten of met de verlening van een Wnb vergunning sprake is van een besluit over activiteiten in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het Verdrag en daargelaten dat is geoordeeld dat in een procedure bij de nationale rechter geen rechtstreeks beroep kan worden gedaan op artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag, overweegt de rechtbank als volgt.

9.2

De rechtbank onderschrijft en volgt eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 17 november 2010 en 2 december 2015.

Artikel 11 van de mer-richtlijn betreft de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit onder meer artikel 9, tweede lid, van het Verdrag. De bepalingen van artikel 11 van de mer-richtlijn sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht. De Afdeling concludeert dat er geen grond is voor het oordeel dat artikel 6:13 van de Awb buiten toepassing zou moeten blijven. De door eiseres in deze procedure genoemde arresten zijn door de Afdeling betrokken in de overwegingen en leiden niet tot een ander oordeel. Voorts overweegt de Afdeling dat de doelstellingen van artikel 9, derde lid, van het Verdrag zich niet verzetten tegen toepassing van artikel 6:13 van de Awb binnen het nationale procesrecht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat artikel 9, derde lid, van het Verdrag expliciet bepaalt dat het recht van beroep mag worden onderworpen aan in nationaal recht gestelde criteria.

10. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt de beroepsgrond niet en ziet de rechtbank evenmin aanleiding deze zaak in afwachting van de beantwoording van de door de rechtbank Limburg gestelde prejudiciële vragen aan te houden.

11. Nu niet is gebleken dat eiseres niet redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijze heeft ingediend, is het beroep niet-ontvankelijk.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 maart 2020.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.