Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1673

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
C/15/15/452 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wsnp

Strafrechtelijke veroordeling staat aan toekennen schone lei in de weg. Schuldenares is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen.(artikel 352 Fw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

insolventienummer: C/15/15/452 R

vonnis van 3 maart 2020

in de zaak van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Nieuwersluis

hierna te noemen: schuldenares.

1 De procedure

1.1.

Bij vonnis van 21 mei 2015 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van schuldenares.

1.2.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 14 juni 2016 de looptijd van deze schuldsanering bepaald op 43 maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen.

1.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 maart 2017 de looptijd van deze schuldsanering bepaald op 48 maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen.

1.4.

Vanwege het verstrijken van de termijn heeft de rechtbank de beëindiging van de schuldsaneringsregeling pro forma behandeld ter zitting van 11 juli 2019.

Bij vonnis van 23 juli 2019 heeft de rechtbank de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van de schone lei aangehouden in afwachting van de uitspraak van een tegen schuldenares aanhangig gemaakte strafrechtelijke procedure.

1.5.

Bij brief van 3 december 2019 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris bericht dat schuldenares door de strafrechter bij vonnis van 26 november 2019 is veroordeeld tot een (langdurige) gevangenisstraf wegens doodslag op 16 september 2016 alsmede tot het betalen van schadevergoeding aan de wettelijke erfgenaam van de moeder van het slachtoffer.

1.6.

Gelet op de brief van 3 december 2019 heeft de rechtbank aanleiding gezien schuldenares op te roepen teneinde te worden gehoord. Schuldenares en mr. [A.], de bewindvoerder, zijn ter zitting van 18 februari 2020 verschenen.

2 De beoordeling

2.1.

Vanaf januari 2019 is schuldenares gedetineerd omdat zij werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat schuldenares vanaf dat moment tot het einde van de reguliere looptijd, te weten 21 mei 2019, de op haar rustende sollicitatieplicht niet is nagekomen. In voornoemd vonnis van de strafrechter van 26 november 2019 is schuldenares vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar. Schuldenares heeft weliswaar tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld, maar uit vaste jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2003:AF7682) blijkt dat een niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Nederlandse strafrechter waarbij bewezen is verklaard dat iemand een strafbaar feit heeft begaan een vrije bewijskracht heeft. De civiele rechter is hierdoor vrij in de waardering van de bewijskracht van een dergelijk vonnis. De rechtbank gaat uit van het bewezen verklaarde. Als gevolg daarvan heeft schuldenares vanaf januari 2019 met recht gedetineerd gezeten. Om die reden valt het schuldenares aan te rekenen dat zij vanaf dat moment de op haar rustende sollicitatieplicht niet langer is nagekomen. De rechtbank oordeelt dan ook dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tijdens de schuldsaneringsregeling op haar rustende sollicitatieplicht.

2.2

Daarnaast valt schuldenares te verwijten dat zij door voornoemd misdrijf te plegen onrechtmatig heeft gehandeld jegens de moeder van het slachtoffer en er als gevolg daarvan een nieuwe vordering is ontstaan tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling. De vordering tot schadevergoeding wegens shockschade van de moeder van het slachtoffer, welke vordering na haar overlijden is overgegaan op haar erfgenaam, vloeit immers voort uit het onrechtmatig handelen van schuldenares. De ontstaansdatum van die vordering is de datum waarop het onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden, te weten 16 september 2016. De nieuwe schuld, waarvan de hoogte door de strafrechter is bepaald op € 17.000,-, valt schuldenares dan ook aan te rekenen en is mede reden om haar niet de schone lei toe te kennen.

2.2.

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van schuldenares dat zij tot het moment van haar detentie de op haar rustende verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling correct is nagekomen. Die omstandigheid maakt voorgaand oordeel dat zij haar verplichtingen vanaf januari 2019 niet meer is nagekomen en er in 2016 als gevolg van haar verwijtbaar handelen een nieuwe schuld is ontstaan immers niet anders. Aan schuldenares zal dan ook de schone lei niet worden toegekend.

2.3.

De rechtbank zal het salaris voor de bewindvoerder vaststellen, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt vast dat schuldenares in de nakoming van één of meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekort geschoten en bepaalt dat deze tekortkomingen niet buiten beschouwing kunnen blijven;

3.2.

onthoudt schuldenares de schone lei;

3.3.

verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal eindigen met ingang van de dag dat de onderhavige uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan;

3.4.

stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op € 3.915,20.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 3 maart 2020. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.