Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1612

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2686
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Verzoek tot terugbetaling van de antidumpingrechten. Het beroep op de in artikel 120 van het DWU genoemde billijkheid faalt. In dit artikel worden twee cumulatieve vereisten voor de terugbetaling van invoerrechten om reden van billijkheid genoemd. Eiseres heeft nagelaten de vereiste bijzondere omstandigheden nader te onderbouwen. De stelling van eiseres, dat verweerder artikel 121, tweede lid, van het DWU heeft geschonden, is niet terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-03-2020
FutD 2020-0874
DouaneUpdate 2020-0155
NTFR 2020/849
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2686

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 4 maart 2020 in de zaak tussen

[X] ., domicilie kiezend te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem (voorheen kantoor Nijmegen), verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 8 september 2016 een door eiseres bij brief van 17 juni 2016 op grond van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder d, juncto artikel 120 van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) ingediend verzoek tot terugbetaling van € 36.282,63 aan antidumpingrechten afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 april 2017 het hiertegen door eiseres ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020 te Haarlem.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. B.C. Brouwer en S. Enkelaar.

Eiseres is zonder bericht niet verschenen. De griffier heeft eiseres bij aangetekende brief, verzonden op 4 december 2019 en gericht aan het adres waar domicilie werd gekozen, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit het Track&Tracesysteem van PostNL is gebleken dat de brief op 5 december 2019 is uitgereikt, zodat eiseres behoorlijk is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 22 oktober 2013 via haar direct vertegenwoordiger [A] BV te [b] één aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen” (hierna: de aangifte) gedaan voor “Licht gevoelige halfgeleiderelementen: Andere ” (hierna: zonnepanelen). De zonnepanelen zijn in de aangifte aangegeven met goederencode 8541 4090 10 en als land van oorsprong Maleisië. Bij de aangifte is een door de autoriteiten van Maleisië (Ministry of International Trade and Industry of Malaysia) afgegeven certificaat van oorsprong Form A gevoegd. De zonnepanelen had eiseres gekocht van het Maleisische bedrijf [C] (hierna: [C] ).

2. Van 18 oktober 2014 tot 29 oktober 2014 heeft het antifraudebureau van de Europese Commissie (hierna: OLAF) in Maleisië onderzoek gedaan naar de oorsprong van zonnepanelen die vanuit Maleisië naar de Europese Unie waren uitgevoerd, maar die mogelijk van oorsprong konden zijn uit China. OLAF heeft de resultaten van zijn onderzoek in een missierapport van 31 maart 2015 vastgelegd. In dat rapport is onder meer het volgende opgenomen:

1. Purpose of the mission

The purpose of the mission was to investigate the alleged evasion of anti-dumping and countervailing duties applicable on imports into the EU of solar panels originating in or consigned from the People’s Republic of China (hereafter: China).

In 2014, OLAF was informed by the Dutch customs authorities that anti-dumping and countervailing duties imposed on imports of solar panels originating in or consigned from China were suspected of being evaded via Malaysia. It was alleged that Chinese producers have set up or were using intermediary companies in Malaysia to re-pack solar panels, or simply to change the container and ship the products concerned to the EU. The consignments were supplied with certificates of Malaysian preferential (GSP) and also non-preferential origin.

(…)

Based on the information provided at that stage to OLAF by Member States, a list of such consignments imported into the EU was compiled by OLAF for presentation to the Malaysian authorities during the mission and in order to request the Malaysian authorities to already carry out some initial enquiries on these consignments in the ZB1 Import (hereafter: ZB1) and ZB1 Export database (hereafter: ZB2) and/or other databases (K1, K2 and ZB4). A list of these 14 consignors is attached as annex 01 to this report.

The main task of the joint EU mission team was therefore to examine, together with the Ministry of International Trade and Industry (hereafter: MITI) whether the abovementioned consignments of solar panels imported from Malaysia qualified for non-preferential Malaysian origin and, if not, to establish the real origin of the solar panels. If it was established that the solar panels originated in or were consigned from China, evidence was to be collected with a view to enabling the EU Member States to recover from the EU importers the anti-dumping and countervailing duties evaded.

2 Mission activities

(…)

MITI was asked to provide a comprehensive list of genuine Malaysian producers of solar panels, including the dates on which the production by these companies had started. The list provided by MITI did not appear to be exhaustive and did not contain any starting dates (annex 3). It was explained that licences for solar panel producers were issued by another Ministry and that it would be difficult to obtain an accurate, complete and up-to-date list. No further information could therefore be provided by MITI.

3 Results

(…)

3.1.1 Information provided by the Port Klang Authority

The Port Klang Authority manages the FCZ in Port Klang. All the goods entering into or departing from the seaport in Port Klang physically move via the FCZ. Therefore, any transshipment of cargo also passes through this area. In addition, any form of manufacturing activity is prohibited in the FCZ. No origin-conferring manufacture or processing can thus take place in the FCZ and goods transshipped via the FCZ in Port Klang retain their origin. The goods entering the FCZ in Port Klang from overseas are recorded in the ZB1 register. The goods departing for overseas from the FCZ in Port Klang are recorded in the ZB2 register. (Whereas, goods imported or exported directly from the Principal Customs Area of Maleysia are not to be recorded in the ZB1 and/or ZB2 registries. They are recorded in the K1 (import) and K2 (export) customs registries). If transshipped goods leave for overseas from the FCZ in Port Klang, the shipper is obliged to lodge a ZB2 declaration in which the number of the corresponding ZB1 declaration has to be specified. Consequently, if goods are registered in both the ZB1 (import) registry and subsequently in the ZB2 (export) registry, they were merely transshipped and retained their origin.

(…)

According to the declarations made to the Port Klang Authority, the solar panels originated in China (see column ‘origin’) were classified under several subheadings of CN code 8541. The consignors registered in the ZB2 (export) data appear not to be the same as the consignors/exporters of the solar panels declared on importation to the EU. In Malaysia most of the ZB1 and ZB2 declarations are performed by agents or other representative companies (…), therefore their names will appear instead of the names of their customers. A direct match between the Malaysian consignor declared at importation of the solar panels into the EU and the ZB2 consignor is therefore impossible in most cases.

OLAF matched the ZB1 (import) data, i.e. the solar panels shipped from China to the FCZ in Port Klang, with the ZB2 (export) data, i.e. the solar panels dispatched from the FCZ in Port Klang to the EU and other destinations, mainly Taiwan. The matching was done through the ZB1 reference number. The matching of consignments of solar panels from and to Taiwan was done because it was suspected that containers containing solar panels originating in China were transshipped via Malaysia to Taiwan and from there on to the EU or were double transshipped via Malaysia (…). This concerns both consignments shipped from China directly as well as consignments shipped from EU Member States to Malaysia with destination Taiwan as well as consignments shipped from Taiwan.

(…)

OLAF then combined and compiled all these extracts concerning consignments of solar panels into three lists (see annexes 05, 06 and 07). These lists will be forwarded to the Member States in electronic format (Excel spreadsheet)”

In de “list of annexes” staat als Annex 05: “ZB1/ZB2 data exports to the EU (electronic format)”

(…)

3.2. Conclusions

Based on the information and documents provided by the Malaysian authorities, it was established that 686 unique containers loaded with solar panels as listed in annex 05 originate in or were consigned from China. This list contains the ZB1 and ZB2 data in relation to products under tariff heading 8541 exported to the EU for the period 01.06.2013 to 27.10.2014. These solar panels were shipped from China to the FCZ in Port Klang and, after reloading, were consigned to the EU. They were not subject to any processing or manufacturing activity in the FCZ in Port Klang.”

(…)

3.2.2 Matching with EU imports on master list

OLAF matched the consignments of imported solar panels already communicated by Member States with the relevant ZB1 and ZB2 data. This concerns data on consignments for which it has been established that the solar panels are originating in China (ZB1 data) and had been declared for export to the EU (ZB2 data). The consignments communicated by the EU Member States were compiled in one master list containing a total of 525 containers. The matching was carried out based on the container numbers. As a result, OLAF could so far match in total 176 containers (…) for the following member states:

(…)

NL 112

(…).”

3. Verweerder heeft zich op grond van de van OLAF verkregen informatie op het standpunt gesteld dat het in de aangifte vermelde land van oorsprong Maleisië en de in de aangifte aangegeven goederencode niet juist zijn. De oorsprong van de goederen zou in werkelijkheid de Volksrepubliek China zijn. Voor zonnepanelen met een Chinese oorsprong zijn – bij het in het vrije verkeer van de Europese Unie brengen van deze zonnepanelen - antidumpingrechten verschuldigd en voor deze zonnepanelen is de juiste goederencode 8541 4090 21. Verweerder heeft eiseres op 16 november 2015 ter zake een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) van € 36.282,63 toegezonden.

4. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 augustus 2016 een op 9 juni 2016 gedateerd en tegen de utb gericht bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit bezwaarschrift volgens verweerder niet tijdig werd ingediend. Tegen de uitspraak op bezwaar van 22 augustus 2016 is eiseres niet in beroep gegaan.

5. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar van 25 april 2017 onder het kopje “Beoordeling van uw bezwaar” onder meer als volgt overwogen:

“Ik ben van mening dat ik mij mag baseren op de constateringen vastgelegd in het OLAF rapport, waarin de goederenstroom vanuit China en de bevindingen duidelijk uiteengezet zijn. Bij mij zijn geen twijfels ontstaan aan de juistheid van de gegevens opgenomen in het OLAF rapport. Uit de bewijsstukken die u meestuurt kan ik niet opmaken dat de zonnepanelen daadwerkelijk in Maleisië geproduceerd zijn. Door u zijn geen feiten aangedragen die mij aan de juistheid van die bevindingen doet twijfelen.

Alleen al op grond van de vaststelling dat de autoriteiten bij de afgifte van het certificaat zijn misleid kan de regeling van artikel 119 DWU ter zake geen toepassing vinden.

Wat betreft de toepasselijkheid van artikel 120 DWU merk ik op dat normalerwijze de aangever zowel verantwoordelijk is voor de betaling van de rechten bij invoer als voor de juistheid van de documenten die hij de douaneautoriteiten voorlegt. De nadelige gevolgen van de incorrecte handelswijze van zijn contractspartner behoeven niet door de EU te worden gedragen. Met name het feit dat documenten vals of niet geldig blijken behoort tot het beroeps- en handelsrisico van de aangever, die kan trachten de schade te verhalen op de ondernemingen die aan de fraude met de documenten hebben deelgenomen.”

Geschil

6.
In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar tegen de beschikking op een verzoek om terugbetaling terecht ongegrond is verklaard.

7. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verzoekt de rechtbank om haar verzoek tot terugbetaling van de invoerrechten van € 36.282,63 alsnog toe te wijzen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten, waaronder € 2.250,-- aan kosten van vertegenwoordiging van eiseres bij de inzage van het dossier bij verweerder op 18 augustus 2016.

Eiseres stelt dat verweerder bij zijn uitspraak op bezwaar inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 116, 120 en 121, van het DWU. Krachtens artikel 116, eerste lid, van het DWU wordt onder meer overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoerrechten, indien de billijkheid deze terugbetaling of kwijtschelding rechtvaardigt. Het bepaalde in artikel 120 van het DWU biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen het bedrag aan invoerrechten om redenen van billijkheid terug te betalen of kwijt te schelden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

Eiseres is van mening dat zij voldoet aan de voorwaarden voor het kwijtschelden of terugbetalen van invoerrechten op grond van artikel 120 van het DWU.

Zij heeft geen bedrog gepleegd noch is zij kennelijk nalatig geweest. Zij kan de door haar geleden schade niet of slechts tegen zeer hoge kosten verhalen op haar Maleisische wederpartij.

De invoer in de Europese Unie van de uit China afkomstige zonnepanelen is het gevolg van bedrog door een derde, te weten het Maleisische bedrijf [C] . Eiseres heeft de zonnepanelen bij [C] gekocht. Dit wordt onderbouwd door de factuur, het door de Maleisische autoriteiten opgestelde certificaat van oorsprong en de vrachtbrief met nummer MY [#] . Zowel tijdens de onderhandelingen over de aankoop als op de dag van de aankoop heeft [C] eiseres verkeerd geïnformeerd. [C] heeft medegedeeld dat de zonnepanelen een Maleisische oorsprong hebben.

Eiseres is tevens van mening dat verweerder artikel 121, tweede lid, van het DWU heeft geschonden, omdat verweerder geen inhoudelijke analyse heeft gemaakt van het verzoek om terugbetaling om de andere redenen voor terugbetaling van artikel 116 van het DWU. Ter onderbouwing voor dit standpunt verwijst eiseres naar de uitspraken van het Gerecht van Eerste Aanleg van 7 december 2004 in de zaak T-240/02 (Koninklijke Coöperatie Cosun UA tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen), en van 27 september 2005 in de zaak T-26/03 (GeoLogistics BV tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen).

8. Verweerder stelt dat wat betreft de toepasselijkheid van artikel 120 van het DWU normalerwijze de aangever zowel verantwoordelijk is voor de betaling van de rechten bij invoer als voor de juistheid van de documenten die hij de douaneautoriteiten voorlegt.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. De nadelige gevolgen van de incorrecte handelswijze van de contractspartner van eiseres behoeven niet door de EU te worden gedragen. Met name het risico dat de documenten vals of niet geldig blijken behoort tot het beroeps- en handelsrisico van de aangever, die kan proberen de schade te verhalen op de ondernemingen die aan de fraude met de documenten hebben deelgenomen.

Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een beroep op artikel 120 DWU doen slagen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 116 DWU:

Algemene bepalingen

1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:

a) invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;

b) goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn;

c) vergissing van de bevoegde autoriteiten;

d) billijkheid.

(...)

Artikel 120 DWU:

Billijkheid

1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en de artikelen 117, 118 en 119 bedoelde gevallen wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terugbetaald of kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

2. De bijzondere omstandigheden bedoeld in lid 1 worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere deelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en indien de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden niet het nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten.

Artikel 121 DWU:

Procedure voor terugbetaling en kwijtschelding

1. (...)

2. Indien de bevoegde douaneautoriteit niet in staat is om, op basis van de aangevoerde gronden, terugbetaling of kwijtschelding te verlenen van een bedrag aan in- of uitvoerrechten, dient zij dit verzoek tot terugbetaling of kwijtschelding op zijn merites te onderzoeken in het licht van de andere in artikel 116 genoemde gronden voor terugbetaling of kwijtschelding.

(...)

Beoordeling van het geschil

10. Het beroep van eiseres op de in artikel 120 van het DWU genoemde billijkheid faalt.

In artikel 120 van het DWU worden twee cumulatieve vereisten voor de terugbetaling van invoerrechten om reden van billijkheid genoemd.

Eiseres heeft weliswaar onweersproken gesteld dat zij geen bedrog heeft gepleegd en ook niet kennelijk nalatig is geweest, maar zij heeft nagelaten om de eveneens vereiste bijzondere omstandigheden nader te onderbouwen, nadat verweerder de aanwezigheid van die bijzondere omstandigheden gemotiveerd had betwist. De rechtbank volgt derhalve verweerder in zijn standpunt dat uit de omstandigheden van de zaak niet is gebleken dat eiseres zich in een uitzonderlijke situatie zoals omschreven in het tweede lid van artikel van het 120 DWU heeft bevonden. Dat eiseres de nadelige gevolgen van de door een derde bij de invoer gebruikte valse of niet geldige documenten niet of slechts tegen hoge kosten op deze derde kan verhalen maakt niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie.

11. De stelling van eiseres dat verweerder artikel 121, tweede lid, van het DWU heeft geschonden, omdat verweerder – nadat was gebleken dat hij niet is staat was om op basis van de aangevoerde grond (billijkheid) terugbetaling van invoerrechten te verlenen - zou hebben nagelaten om het verzoek tot terugbetaling op zijn merites te onderzoeken in het licht van de andere in artikel 116, aanhef, eerste lid, van het DWU genoemde gronden voor terugbetaling is niet terecht.

Zo is niet gebleken dat eiseres teveel invoerrechten in rekening zijn gebracht (artikel 116, aanhef, eerste lid, onder a, van het DWU) . Verweerder heeft aangevoerd dat hij zich voor de berekening van de invoerrechten heeft gebaseerd op het OLAF-rapport. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de oorsprong van de ingevoerde goederen China is. Verweerder heeft geen redenen om aan deze conclusie te twijfelen. Nu verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ingevoerde goederen uit China komen zijn eiseres terecht antidumpingrechten in rekening gebracht.

De in artikel 116 lid, eerste lid, aanhef en onder 1 bij b, van het DWU genoemde reden doet zich in de voorliggende zaak niet voor. Uit de in artikel 118 lid, eerste lid 1, van het DWU genoemde vereisten voor die reden blijkt dat sprake moet zijn van een weigering door de importeur. Van een dergelijke weigering is in de voorliggende zaak niet gebleken.

Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van een vergissing van de bevoegde autoriteiten (artikel 116, aanhef en onder c, van het DWU).

12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, en mr.drs. C.M. van Wechem en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.