Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1592

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1124
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanmerkelijk belang in een BV waarvan hij ook directeur is (dga). Partijen verschillen van mening over de vestigingsplaats van de BV. De rechtbank is an oordeel dat eiser, op wie voor dit punt de bewijslast rust, niet gesteld heeft, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, dat de BV in 2015 ingevolge de belastingwetgeving van Curaçao aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, of enige andere soortgelijke omstandigheid. Dit betekent dat ongeacht waar de werkelijke leiding van de BV in 2015 werd uitgeoefend, de BV voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de BRK uitsluitend in Nederland was gevestigd.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-03-2020
V-N Vandaag 2020/699
FutD 2020-0942
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1124

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: mr.drs. J. de Jong),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 421.090. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van € 6.538 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente verminderd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is onveranderd gebleven. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verminderd tot € 271.441. Het in rekening gebrachte bedrag aan belastingrente is verminderd tot € 2.528.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020 te Haarlem. Namens eiser is, met bericht van afmelding, niemand verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. A.A. Sprokholt en mr. N.C. Eveleens.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is 100 percent aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] ). [A] is een op 5 mei 1993 naar Nederlands recht opgerichte vennootschap. Eiser is sinds deze datum directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) van [A] .

2. Eiser is op [..] 2005 vanuit Nederland naar Spanje geëmigreerd.

3. Voor het jaar 2005 heeft verweerder aan eiser een conserverende aanslag ib/pvv opgelegd. De conserverende aanslag heeft onder andere betrekking op de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang van eiser in [A] .

4. Eiser had een rekening-courantschuld (hierna: rc-schuld) bij [A] . In 2010 bedroeg de rc-schuld € 363.870. Eiser en verweerder hebben met elkaar gecorrespondeerd over de aflossing van de rc-schuld. Blijkens de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar van 19 juli 2018 is uitgangspunt voor verweerder dat eiser de rc-schuld met ingang van 2010 jaarlijks met een bedrag van € 36.387 (10 percent van € 363.870) in tien jaarlijkse termijnen volledig zou aflossen. Verweerder heeft in verband met het toenemen van de rc-schuld in de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 correcties in de vorm van het in aanmerking nemen van dividenduitkeringen aangebracht in lijn met dit uitgangspunt. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

5. Eiser is op [...] 2013 naar Curaçao geëmigreerd.

6. In 2015 stond [A] ingeschreven in het handelsregister van de (Nederlandse) Kamer van Koophandel. In 2015 vormde [A] een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met dochtervennootschap [B] B.V. [A] heeft in Nederland een aangifte vennootschapsbelasting 2015 voor de fiscale eenheid ingediend. Uit de aangifte blijkt dat de rc-schuld op 31 december 2015 € 416.989 bedroeg.

7. [B] B.V. is op 8 december 2016 ontbonden.

8. Eiser heeft op 1 mei 2017 een aangifte ib/pvv 2015 ingediend.

9. Verweerder heeft eiser bij brief van 3 oktober 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om van de ingediende aangifte af te wijken.

10. Verweerder heeft met dagtekening 8 december 2017 de aanslag ib/pvv 2015 aan eiser opgelegd. In de aanslag heeft verweerder het saldo van de rc-schuld gecorrigeerd, Daarbij is een bedrag van € 421.090 (gebruteerd) als dividenduitkering in aanmerking genomen, in box 2 belast tegen een tarief van 25 percent.

11. Eiser heeft bij brief van 16 januari 2018 bezwaar tegen de aanslag gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 18 januari 2018 ontvangen.

12. Eiser heeft het bezwaarschrift bij brief van 2 maart 2018 gemotiveerd. Verweerder heeft deze brief op 5 maart 2018 ontvangen.

13. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder eiser bij brief van 1 mei 2018 vragen gesteld. Eiser heeft hierop bij brief van 8 juni 2018 gereageerd. Verweerder heeft de reactie op 13 juni 2018 ontvangen. Vervolgens heeft verweerder eiser bij brief van 19 juli 2018 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar gestuurd. In reactie hierop heeft eiser zich bij e-mailbericht aan verweerder van 10 augustus 2018 als volgt gereageerd:
“In aanvulling op mijn bezwaarschrift wil ik nog een reden toevoegen voor ons standpunt dat de aanslag moet worden verminderd tot nihil. Deze reden betreft het feit dat de feitelijke leiding van [ [A] ] (te weten de heer [X] ) zich niet in Nederland bevindt.”
Eiser heeft na enige correspondentie uiteindelijk te kennen gegeven dat hij afziet van het recht te worden gehoord.

14. Verweerder heeft eiser bij brief van 15 januari 2019 een toelichting gestuurd op de uitspraak op bezwaar. De uitspraak op bezwaar is gedateerd 31 januari 2019. Verweerder is gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoetgekomen. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verminderd tot € 271.441. Verweerder heeft daarbij op grond van artikel 10, tweede lid, van het Belastingverdrag tussen Nederland en Curaçao een belastingtarief van 15 percent toegepast.

Geschil

15. In geschil is of verweerder het inkomen uit aanmerkelijk belang terecht heeft gecorrigeerd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de vestigingsplaats van [A] in 2015 in Nederland of in Curaçao gelegen was. De hoogte van de correctie is niet in geschil.

16. Eiser stelt dat verweerder het inkomen uit aanmerkelijk belang ten onrechte heeft gecorrigeerd omdat [A] in 2015 in Curaçao gevestigd was. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

17. Verweerder weerspreekt de stelling van eiser concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

18. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

19. Ingevolge artikel 2.1, onderdeel b, van de Wet IB 2001 zijn natuurlijke personen die niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten, buitenlandse belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting.

20. Ingevolge artikel 7.1, onderdeel b, van de Wet IB 2001 wordt ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.

21. In artikel 7.5 van de Wet IB 2001 is bepaald wat onder inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden verstaan. Artikel 7.5 luidt - voor zover van belang - als volgt (tekstversie 2015):

“1. Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap is het inkomen uit een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, verminderd met de verliezen uit aanmerkelijk belang, berekend volgens de regels van hoofdstuk 4, met uitzondering van de in artikel 4.12 genoemde persoonsgebonden aftrek en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2, 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden. Voor de beoordeling van de vraag of er een aanmerkelijk belang is, is artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, niet van toepassing. Voor de toepassing van de eerste volzin is afdeling 4.2 van overeenkomstige toepassing.

(…)

6. Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest gedurende tien jaar na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd.

7. Een verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland is een vervreemding van het aanmerkelijk belang.”

22. Ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar een lichaam gevestigd is. Bij de beoordeling naar de omstandigheden van de vestigingsplaats van een lichaam moet in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent (vgl. Hoge Raad 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105).

23. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) wordt als inwoner van een van beide landen (Nederland of Curaçao) aangemerkt:

“een persoon die, ingevolge de desbetreffende belastingregelingen van een van de landen aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, of enige andere soortgelijke omstandigheid.”
Uit het bepaalde onder a en b van dit artikellid volgt dat een rechtspersoon als [A] als persoon in voormelde zin moet worden aangemerkt.

24. Artikel 34, tweede lid, van de BRK bepaalt dat indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van artikel 2, eerste lid, letter d van de BRK inwoner van beide landen is, hij geacht wordt inwoner te zijn van het land waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gevestigd.

25. Uit de tussen partijen vaststaande feiten volgt dat [A] voor de toepassing van de Nederlandse belastingwetgeving geacht wordt in 2015 in Nederland te zijn gevestigd. [A] is immers in 1993 naar Nederlands recht opgericht. Pas bij de aanvulling van de motivering van het bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag bij e-mailbericht van 10 augustus 2018 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke leiding van [A] zich niet in Nederland bevindt. Aangezien vast staat dat de feitelijke leiding zich vele jaren in Nederland heeft bevonden en eiser zich niet eerder - bijvoorbeeld naar aanleiding van zijn emigratie naar Spanje - op dit standpunt heeft gesteld, had het op zijn weg gelegen dit standpunt nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de feitelijke leiding van [A] in ieder geval niet vóór de emigratie van eiser naar Curaçao is verplaatst. Voor zover er al sprake zou zijn van een verplaatsing van de feitelijke leiding, kan deze daarom eerst in 2013 aan de orde zijn. Dat betekent dat [A] geacht wordt nog gedurende tien jaar nadien in Nederland te zijn gevestigd (artikel 7.5, zesde lid van de Wet IB 2001).

26. Eiser, op wie op dit punt de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat [A] in 2015 ingevolge de belastingwetgeving van Curaçao aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, of enige andere soortgelijke omstandigheid. Dit betekent dat ongeacht waar de werkelijke leiding van [A] in 2015 werd uitgeoefend, [A] voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de BRK uitsluitend in Nederland was gevestigd.

27. Gelet hierop dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. B. Bruijnzeel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.