Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1591

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning milieu, PGS 29, bovengrondse opslagtanks, ethanol, voorschriften, stationaire of mobiele brandbestrijdingsvoorzieningen, geloofwaardigheid scenario's, warmtecontouren en effectafstanden, CFD-berekeningen, TNO-Effects, SAFETI-NL.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2020/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3432 (voorlopige voorziening) en 18/3433 (beroep)

uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter van 4 maart 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. M.G.J. Maas-Cooymans, advocaat te Rotterdam,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

gemachtigde: de directeur van de onder verweerder ressorterende Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, voor wie optreedt mr. H. Drupsteen, werkzaam bij die dienst.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend aan eiseres voor de inrichting van eiseres.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft op 18 september 2018 de Stichting advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de STAB) op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als deskundige benoemd en haar gevraagd advies uit te brengen ten behoeve van de beoordeling van het beroep.

[naam 1] [naam 2] en [naam 3] , werkzaam bij de STAB, hebben op 29 maart 2019 definitief verslag uitgebracht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Voor eiseres is verschenen haar directeur [naam 4] , bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van de deskundigen [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 9] (vergunningverlener bij de Omgevingsdienst) en [naam 10] (werkzaam bij de Brandweer Amsterdam-Amstelland). Van de zijde van de STAB zijn verschenen [naam 1] [naam 2] en [naam 3] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven om gezamenlijk te komen tot tekstvoorstellen ten aanzien van de voorschriften behorende bij het bestreden besluit, waarover zij alsnog overeenstemming hebben bereikt.

Nadat de rechtbank zich daarover voldoende voorgelicht achtte, heeft zij - nu partijen niet om een nadere behandeling ter zitting hebben gevraagd - het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres drijft een inrichting voor de op- en overslag van drinkbare alcoholen. Ook heeft zij vergunning voor de opslag van industriële alcohol, FAME (Fatty Acid Metal Esters: biodiesel) en plantaardige oliën. De inrichting is gevestigd in het Westelijk Havengebied aan de [locatie] te Amsterdam. Op het terrein van de inrichting bevinden zich 99 bovengrondse cilindrische opslagtanks met een totale capaciteit van ongeveer 54.000 m³, verdeeld over 4 tankputten. In tankput 1 wordt uitsluitend FAME opgeslagen. In de overige tankputten slaat eiseres alcohol op met diverse concentraties aan ethanol. De aan- en afvoer vindt plaats over het water, via het spoor en met tankauto’s.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een revisievergunning verleend voor voornoemde inrichting en aan deze vergunning voorschriften verbonden.

3.1 Haar beroep richt eiseres tegen de aan de revisievergunning verbonden voorschriften. Zij heeft gronden aangevoerd, die in het hiernavolgende op onderwerp, of wanneer dat niet mogelijk is, zelfstandig worden besproken. Haar beroepsgronden zijn enerzijds gericht tegen de uitgangspunten die verweerder hanteert voor de inschatting van de risico’s en mogelijke gevolgen van brand in haar inrichting en de in verband daarmee aan de vergunning verbonden voorschriften en anderzijds tegen enige andere voorschriften.

3.2 Eiseres heeft een aantal beroepsgronden voorafgaand aan de zitting en ter zitting ingetrokken. Dit betreft de beroepsgronden over de voorschriften:

1.1.8 - 3.4.46 - 4.1.2

1.1.10 - 3.4.47 - 4.2.1

2.1.2 - 3.4.48 - 4.3.1

3.2.1 - 3.4.49 - 4.4.1

3.4.6 - 3.4.51 - 4.5.1

3.4.17 - 3.4.53 - 4.6.1

3.4.38 - 4.1.1 - 6.1.2

3.3 Voorts hebben partijen, hangende het beroep, overeenstemming bereikt over hun aanvankelijke geschillen ten aanzien van een aantal voorschriften. Dit betreft de voorschriften:

3.4.3 - 3.4.37

3.4.14 - 3.4.41

3.4.25 - 3.4.52

3.4.26 - 3.4.57

3.4.27 - 4.6.2

3.4.35 - 5.1.1

4. Ingevolge artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) rekening met de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bij de Mor behorende bijlage. In deze bijlage is de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 29 (versie 1.1, december 2016) voor Bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks opgenomen, PGS 15 (versie 2016) “Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen” en PGS 31 (versie 1.0, april 2018) voor “Overige gevaarlijke stoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties”.

5. De rechtbank heeft ten behoeve van de beoordeling van het beroep de STAB als deskundige ingeschakeld en de STAB gevraagd advies uit te brengen. De STAB heeft een verslag uitgebracht gedateerd 29 maart 2019.

6. De rechtbank stelt voorop dat zij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3246), in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige, als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders, indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

I. Geloofwaardigheid scenario’s

7.1

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat bij het vaststellen van de voorschriften rekening moet worden gehouden niet alleen met de mogelijkheid van plasbranden op het terrein en brand in de afzonderlijke tanks (tankbrand), maar ook, na het mogelijkerwijs uitstromen van vloeistoffen in de tankputten, van brand in die putten (tankpuntbrand).

7.2

Eiseres betwist dat een tankputbrand tot een geloofwaardig scenario behoort. Zij stelt dat de specifieke situatie, de aard van haar bedrijfsvoering, de reeds getroffen maatregelen en de specifieke eigenschappen van ethanol - de stof die zij vooral opslaat - maken dat een tankputbrand niet reëel te achten is. In dit verband wijst eiseres op de ‘Factsheet TPB - Implementatieplannen bestrijding plasbrand in tankputten PGS 29 - versie maart 2017’ (hierna: Factsheet TPB). Ter zitting heeft eiseres gewezen op het wettelijk kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarbinnen de aanvraag dient te worden beoordeeld. Zij heeft daarbij gewezen op artikel 4.2 Mor, waarin is bepaald dat een aanvrager bij de aanvraag ook gegevens dient te verstrekken over ongewone voorvallen die binnen de inrichting redelijkerwijs mogelijk te achten zijn. De STAB heeft in haar advies vastgesteld dat de kans op een tankputbrand eens in de 31.250 jaar is. Daarmee is volgens eiseres geen sprake van een ongewoon voorval waarmee zij redelijkerwijs rekening hoeft te houden en kunnen er ook geen voorschriften in verband met dat risico worden verbonden aan het bestreden besluit.

7.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het risico op een tankputbrand al jaren is ingebed in het beleid op grond van de milieuwetgeving. Een tankputbrand wordt ook genoemd in het BBT-document PGS 29 en is dus een geloofwaardig scenario. Voorts heeft verweerder zich in dit verband gebaseerd op adviezen van de brandweer Amsterdam-Amstelland.

7.4

De STAB heeft in haar advies voorop gesteld dat niet in geschil is dat een tankbrand een geloofwaardig scenario is, nu eiseres dat niet betwist. Omdat verweerder stelt dat een tankbrand wel kan leiden tot een tankputbrand, is relevant of dit reëel geacht kan worden in verband met de te eisen voorzieningen. Een formele benadering, waarbij de PGS 29 strikt wordt gehanteerd, brengt de STAB tot de conclusie dat een tankputbrandscenario in dit geval reëel is. De PGS 29 is immers van toepassing. Daarin worden de beste beschikbare technieken beschreven, die in beginsel voor zowel nieuwe als bestaande opslagtanks gelden. Verweerder dient met dit BBT-document rekening te houden, zo volgt uit artikel 9.2 Mor. In paragraaf 4.1.1 van PGS 29 wordt een plasbrand in een tankput voor opslagtanks waarin brandbare vloeistoffen zijn opgeslagen, beschreven als een reëel en geloofwaardig scenario. Ethanol betreft een zogenaamde ‘klasse 1 stof’. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden in PGS 29 om voor een bepaalde klasse 1 stof het tankputbrandscenario buiten beschouwing te laten, aldus de STAB. Dat bij ethanol een minder grote kans bestaat dan bij bijvoorbeeld benzine dat in het gebied rond de plas een ontstekingsbron, zoals een vonk, leidt tot een plasbrand, maakt dit volgens de STAB niet anders.

Daarnaast heeft de STAB een technische benadering gehanteerd op basis van een risicobeschouwing om te beoordelen of een tankputbrand een relevant scenario is. De kans op directe ontsteking van ethanol bedraagt, aldus de STAB, eens per 3.125.000 jaar en ligt daarmee aanzienlijk lager dan bij benzine (eens per 200.000 jaar). Bij een dergelijke kleine kans is een tankputbrand in feite niet meer reëel te achten. Eiseres heeft echter circa 100 opslagtanks, zodat het risico 100 maal groter is en een tankputbrand op inrichtingsniveau nog wel als een reëel scenario moet worden beschouwd met een kans van eens per 31.250 jaar. Gelet op de grote gevolgen kan een kleine kans alsnog niet acceptabel zijn. De Factsheet TPB biedt weliswaar ruimte voor maatwerk, maar dat geeft geen aanleiding om een tankputbrand op basis daarvan niet reëel te achten.

7.5

De rechtbank volgt het advies van de STAB, die zowel op basis van een formele als een technische benadering concludeert dat een tankputbrand een geloofwaardig scenario is. De STAB stelt dat vanwege de grote hoeveelheid tanks waarin ethanol wordt opgeslagen in de inrichting van eiseres, de kans op een tankputbrand overeenkomt met eens in de 31.250 jaar en dat dit zo beschouwd, op inrichtingsniveau, als een niet verwaarloosbaar risico moet worden beschouwd. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank een tankputbrand worden beschouwd als een ongewoon voorval dat redelijkerwijs mogelijk te achten is binnen de inrichting van eiseres. Verweerder dient dat dan ook mee te wegen bij de beoordeling van de aanvraag en is tevens bevoegd om voorschriften te verbinden aan de verleende omgevingsvergunning die op dat risico betrekking hebben. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook niet.

II. Berekening warmtecontouren / effectafstanden

8.1

Van de vergunning maakt als bijlage 2 deel uit de berekening van warmtecontouren in het geval van brand in de vier afzonderlijke tankputten. Die contouren geven aan op welke afstand sprake is van voor de mens en de omgeving gevaarlijke hitte-effecten bij brand in die putten. Die afstanden zijn van belang voor de vaststelling van de aan de vergunning verbonden voorschriften, de risico’s van brand voor de omgeving en de mogelijkheden van bestrijding van brand van buitenaf.

8.2

Eiseres voert aan dat verweerder bij de berekening van de warmtecontouren en effectafstanden niet mocht afgaan op de brandweeradviezen, omdat die zijn gebaseerd op een rekenmodel dat niet is geschikt voor een ethanolbrand. Volgens eiseres dient gebruik te worden gemaakt van het plasbrandmodel van SAFETI-NL, die het meest met de praktijk overeenkomt. In het aanvullend beroepschrift stelt eiseres echter dat gebruik dient te worden gemaakt van CFD-berekeningen (Computational Fluid Dynamics), die leiden tot de conclusie dat sprake is van een kleinere warmtecontour dan waar verweerder in zijn besluitvorming van is uitgegaan. Dat model houdt beter rekening met het feit dat er in geval van een tankputbrand in de inrichting niet sprake is van één grote brandende plas die hitte uitstraalt, maar dat er in de tankput meerdere opslagtanks staan waardoor de uitstraling van de warmte anders verloopt.

8.3

Verweerder baseert zich op het advies van de brandweer Amsterdam-Amstelland en het Landelijk Expertise Centrum (LEC). Hij heeft deze adviezen laten toetsen op zorgvuldigheid door TNO. Het gebruikte model TNO-EFFECTS wordt geschikt bevonden, maar er is voor de parameter ‘SEP’ (Surface Emission Power) een correctie toegepast naar een voor ethanol juistere waarde, die geen gevolgen heeft gehad voor de benodigde voorzieningen.

8.4

De STAB heeft vooropgesteld dat er geen wettelijk voorgeschreven rekenmethode bestaat voor het bepalen van de warmtecontouren. In beginsel acht de STAB de rekenmethodes van SAFETI-NL en TNO-EFFECTS geschikt voor het berekenen van de warmtecontouren bij een tankbrand of gewone plasbrand. De STAB wijst echter op de specifieke situatie van de inrichting van eiseres, waar de tanks dicht op elkaar staan, en stelt op basis daarvan dat zeker bij het berekenen van de warmtecontouren bij een tankputbrand deze rekenmethoden onvoldoende nauwkeurig zijn. De STAB stelt zich op het standpunt dat bij eiseres sprake is van een situatie waarbij voor tankputbranden een CFD-berekening de aangewezen rekenmethode is, vanwege het complexe stromingsgedrag tussen de opslagtanks en de reflectie/afscherming van warmtestraling door de tanks. Toepassing van dit rekenmodel leidt mogelijk tot kleinere warmtecontouren.

8.5

De rechtbank volgt het advies van de STAB, waarin overtuigend is toegelicht waarom de door verweerder gebruikte rekenmethode in dit specifieke geval onvoldoende nauwkeurig is. Verweerder heeft zijn besluitvorming en de vaststelling van bijlage 2 dan ook niet op het TNO-Effects-model kunnen baseren. Hieruit volgt dat de voorschriften die zijn gebaseerd op de warmtecontouren, neergelegd in bijlage 2, niet in stand kunnen blijven. Dit betreft de voorschriften 3.1.1 (vitale functies) en 3.4.10 (afvoer product, blus- en koelwater uit tankput).

III. Stationaire of mobiele koel- en blusvoorzieningen

9.1

Stationaire koel- en blusvoorzieningen zijn brandbestrijdingvoorzieningen die op de installaties in de inrichting zijn aangebracht. Mobiele koel- en blusvoorzieningen zijn brandbestrijdingsmiddelen die in geval van brand van elders worden aangevoerd om de brand te bestrijden.

9.2.

Eiseres betoogt primair dat kan worden volstaan met mobiele voorzieningen voor het blussen en koelen en dat er geen noodzaak bestaat voor stationaire voorzieningen. Verweerder heeft de voorschriften die daarover gaan dan ook ten onrechte aan de vergunning verbonden. Het voorschrift 3.4.32, waarin het stationair koelen van de tanks wordt voorgeschreven, betwist eiseres echter niet voor zover het tankput 1 betreft, zijnde de tankput met de grootste capaciteit.

9.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat mobiele voorzieningen geheel zijn uitgesloten, nu de brandweer Amsterdam-Amstelland in haar advies heeft aangegeven dat vanwege de indeling van de inrichting mobiele inzet niet mogelijk is. Allereerst kunnen volgens de brandweer met het bestaande mobiele materieel niet alle tanks worden bereikt van buiten de tankputten. Bovendien wordt de benodigde worplengte van 45 meter met het voorhanden zijnde materieel niet gehaald. En als die afstand al zou worden gehaald, dan is de inzet van mensen onveilig vanwege de mogelijkheid van rondvliegende tankdaken bij een ontploffing, waarvoor een veilige afstand van 55 meter nodig is. Daarbij wijst verweerder er op dat ook voorgeschreven is dat de tanks zijn uitgerust met zogenaamde scheurnaden waardoor bij een ontploffing in een tank het tankdak afgeblazen wordt. Voorts staan de opslagtanks te dicht bij elkaar voor effectieve mobiele blussing en koeling. Ook is er geen permanente bezetting op het bedrijf aanwezig, waardoor automatisch ingrijpende systemen nodig zijn.

9.4

In haar advies geeft de STAB ten aanzien van de voorschriften 3.4.21 en 3.4.22 aan dat de brandweer het beste zijn eigen mogelijkheden voor inzet van mensen en materieel en brandbestrijding kan aangeven en dat het niet aan de STAB is om aan te geven wat precies de mogelijkheden zijn voor de brandweer en aan welke risico’s zij mag worden blootgesteld. De STAB acht het wel aannemelijk dat mobiele blussing minder effectief is, meer tijd kost en leidt tot meer vrijkomend bluswater dat ook moet worden opgevangen.

Met betrekking tot voorschrift 3.4.32 heeft de STAB aangegeven dat koeling van tanks ook in andere tankputten dan tankput 1 noodzakelijk is, omdat niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat geen verdere escalatie optreedt bij een plasbrand. Op grond van voorschrift 4.2.29 van PGS 29 dienen de opslagtanks van een stationaire koeling te worden voorzien. De STAB acht het aannemelijk dat met mobiele koeling niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt als met stationaire koeling. Effectieve mobiele koeling is volgens de STAB nog lastiger dan mobiele blussing, omdat er veel water aan alle zijden van de te koelen tanks moet worden opgebracht om temperatuurverschillen te vermijden, hetgeen hoge eisen stelt aan de bereikbaarheid. In zoverre leidt mobiele koeling tot een lager beschermingsniveau dan is beoogd met PGS 29. De STAB ziet dan ook geen aanleiding om voorschrift 3.4.32 te wijzigen.

9.5

De rechtbank volgt ook op dit punt het advies van de STAB, waarin gemotiveerd uiteen is gezet dat naar zijn deskundig oordeel de voorschriften met betrekking tot het stationair blussen en koelen aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. De rechtbank ziet geen grond de waardering door de STAB van het advies van de brandweer niet te volgen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit advies evidente onjuistheden bevat. De beroepsgronden die zijn gericht tegen de voorschriften 3.4.21 (stationaire blusinstallatie tank), 3.4.22 (stationaire blusinstallatie tankput), 3.4.23 en 3.4.24 (branddetectie), 3.4.32 (stationaire koelinstallatie), 3.4.36 (zachte applicatie), die alle samenhangen met de eis van een stationaire koel- en blusvoorziening, slagen daarom niet.

IV. Ernstcategorie

10. Partijen hebben onder verwijzing naar bijlage H bij PGS 29 stellingen betrokken over de ernst van de mogelijke maatschappelijk verstoring in geval van een tankputbrand in de inrichting en de eisen die in verband daarmee zouden moeten worden gesteld aan het effect van brandbestrijding en met name de periode waarbinnen sprake moet zijn van een merkbaar effect daarvan. Nu in het voorgaande reeds is geconcludeerd dat verweerder voorschriften met betrekking tot stationaire voorzieningen aan de vergunning mocht verbinden, is er geen belang bij bespreking van de standpunten over de ernstcategorie. Een bespreking hiervan kan immers niet leiden tot de conclusie, zoals eiseres voorstaat, dat mobiele voorzieningen ook mogelijk zijn.

V. Hoogniveau-Alarmering

Voorschriften 3.4.3 en 3.4.13

11.1.1

In voorschrift 3.4.3 is bepaald dat tankputten, bovengrondse verticale cilindrische tanks en hieraan verbonden voorzieningen aan daar genoemde onderdelen van PGS 29 moeten voldoen, tenzij in de vergunningvoorschriften anders is bepaald. De beroepsgrond van eiseres is gericht tegen het voorschrift 3.3.12, aanhef en onder a, van PGS 29 waarnaar in voorschrift 3.4.3 wordt verwezen, en het daarop betrekking hebbende voorschrift 3.4.13 bij het besluit.

11.1.2

Voorschrift 3.3.12, aanhef en onderdeel a, van de PGS 29 luidt: “Tanks moeten zijn uitgevoerd met een hoogniveau-alarmering die ter plaatse en/of in de controlekamer, alarm geeft, voordat het hoogst toelaatbare vloeistofniveau in de tank wordt bereikt, zodat maatregelen genomen kunnen worden om de pompcapaciteit te verminderen of het verpompen te stoppen, waarmee voorkomen wordt dat de tank kan overvullen. De alarmering is zodanig ingesteld dat er voldoende tijd is bij direct en adequaat reageren om de pompcapaciteit te verminderen of het vullen van de tank te stoppen zodat het hoogst toelaatbare vloeistofniveau niet wordt bereikt.”

In voorschrift 3.4.13 van het bestreden besluit is bepaald dat alle bovengrondse verticale cilindrische tanks uiterlijk op 1 januari 2021 zijn uitgevoerd met een fysiek onafhankelijke instrumentele overvulbeveiliging dan wel een fysiek onafhankelijke hoog-hoog alarmering in combinatie met operator ingrijpen om het vulproces tijdig te stoppen.

11.2

Eiseres acht voor de tankputten 2 en 4 geen noodzaak aanwezig voor het stellen van deze voorschriften, gelet op de specifieke situatie en haar bedrijfsvoering. In die tankputten is sprake van kleinere tanks en/of lagere verladingsdebieten. Bovendien moet op grond van de voorschriften onmiddellijk een hoogniveau-alarmering aanwezig zijn, maar om dit te realiseren moeten de opslagtanks leeg zijn. Het voorschrift is daarmee niet realistisch. Bovendien zijn er gelijkwaardige alternatieven mogelijk, niet zijnde instrumentele voorzieningen, zoals een koppeling met het bestaande voorraadbeheersysteem. Tot slot stelt eiseres dat ten onrechte de door haar ingebrachte LOPA-studie (Lines of Protection Analysis) niet is gevolgd.

11.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het voorschrift 3.3.12, aanhef en onder a, van de PGS 29 volgt dat voor alle opslagtanks een hoogniveau-alarmering nodig is. Een verplaatsbaar alarm is minder betrouwbaar en daarmee niet gelijkwaardig. De overgelegde LOPA-studie biedt volgens verweerder geen grond voor de conclusie dat sprake is van gelijkwaardigheid, vanwege vastgestelde tekortkomingen aan deze studie. Een instrumentele beveiliging acht verweerder veiliger dan een organisatorische maatregel, zoals het voorraadbeheersysteem.

11.4

Voor wat betreft de termijn verbonden aan het voorschrift 3.3.12, aanhef en onder a, van PGS 29 in voorschrift 3.4.13 heeft verweerder zijn omissie hersteld en alsnog een termijn van 12 maanden na onherroepelijk worden van de vergunning gegeven aan eiseres om hieraan te voldoen.

11.5

PGS 29 beoogt, hoewel dit niet expliciet is vermeld, volgens de STAB een instrumentele voorziening, nu wordt gesproken over een hoogniveau-alarmering. De door eiseres voorgestelde koppeling met het voorraadbeheersysteem is geen instrumentele voorziening. De STAB stelt voorts dat de ingebrachte LOPA-studie onvoldoende zekerheid biedt over de betrouwbaarheid van de operator en over het antwoord op de vraag of een operator (minimaal) even betrouwbaar is als een instrumentele voorziening. Volgens STAB is er dan ook geen reden voor aanpassing van deze voorschriften.

11.6

De rechtbank volgt, nu verweerder heeft toegezegd de termijn verbonden aan het voorschrift 3.3.12, aanhef en onder a, van PGS 29 in 3.4.13 alsnog op 12 maanden na onherroepelijk worden van de vergunning te stellen, de STAB in zijn advisering op dit punt. Dat betekent dat de voorschriften 3.4.3 en 3.4.13 van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

VI. Tankputten

Voorschrift 3.4.9 (minimaal vereiste opvangcapaciteit tankputten)

12.1

Eiseres stelt dat de in het voorschrift genoemde capaciteit niet de aangevraagde capaciteit betreft en bovendien de in PGS 29 voorschreven capaciteit overstijgen, zonder dat dit noodzakelijk is. Doordat voorzieningen in de tankput moeten worden aangebracht, zal de feitelijke aanwezige capaciteit niet meer voldoen aan het voorschrift, terwijl nog wel wordt voldaan aan PGS 29.

12.2

Verweerder stelt dat de in het voorschrift opgenomen capaciteit is aangevraagd. Volgens verweerder moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke capaciteit en niet van de theoretisch minimaal benodigde capaciteit. Met de overcapaciteit wordt een extra zekerheid ingebouwd voor onvoorziene omstandigheden. Dit komt volgens verweerder overeen met de bestaande situatie, waardoor eiseres niet in haar belangen wordt geschaad.

12.3

De STAB stelt vast dat de in het voorschrift genoemde tankputcapaciteit is genoemd in de aanvraag, maar laat het aan de rechtbank om vast te stellen of deze daadwerkelijk als zodanig is aangevraagd. Voorts stelt de STAB vast dat, hetgeen verweerder ook niet betwist, de voorgeschreven capaciteit groter is dan op basis van de PGS 29 minimaal is vereist. Verweerder heeft niet aangegeven op grond van welke overwegingen meer opslagcapaciteit nodig is dan waar het PGS 29 al vanuit gaat. Daarbij komt dat de vergunning uitgaat van stationair blussen en koelen, waarbij relatief weinig water vrijkomt. Voorschrift 2.3.2 van PGS29 houdt, naast product/bluswater/koelwateropvang, al rekening met allerlei bijkomende zaken zoals het volume van objecten in de tankput, de dikte van de schuimlaag, eventueel aanwezig regenwater en optredende golfslag door de wind. De STAB acht het dan ook voor de hand liggend dat wordt aangesloten bij het voorschrift 2.3.2 van PGS 29.

12.4

Voor zover dit voorschrift nog in geschil is na het oordeel van de rechtbank dat stationair blussen en koelen is aangewezen, en dat niet kan worden volstaan met mobiel blussen en koelen, volgt de rechtbank eiseres en de STAB in hun standpunt dat het voorschrift verder reikt dan noodzakelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit voorschrift dient aan te sluiten bij voorschrift 2.3.2 van de PGS 29, nu niet is gebleken dat een grotere capaciteit noodzakelijk is. Op dit punt kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Voorschrift 3.4.8 (brandwerendheid tankputwanden)

13.1

In dit voorschrift is bepaald dat binnen 36 maanden na inwerkingtreding van de beschikking moet zijn voldaan aan het voorschrift 4.2.29 van PGS 29, waarin is bepaald dat stalen en/of betonnen tankputwanden hun functie moeten behouden voor de duur van het maximale brandscenario tot een maximum van 2 uur.

13.2

Eiseres stelt dat dit voorschrift alleen geldt voor de daadwerkelijk benodigde opvangcapaciteit conform PGS 29 en niet de overcapaciteit zoals is opgenomen in voorschrift 3.4.9. De stalen ophoging op tankput 2 is volgens PGS 29 niet nodig, zodat daar thans ook geen voorschriften aan kunnen worden verbonden, aldus eiseres.

13.3

Nu de rechtbank in overweging 11.4 heeft geconcludeerd dat - bij gebrek aan motivering - een verdergaand voorschrift dan 2.3.2 van PGS 29 voor wat betreft de vereiste opvangcapaciteit van de tankputten niet noodzakelijk is, behoeft deze beroepsgrond verder geen bespreking meer, nu die slechts is gericht op de overcapaciteit opgenomen in voorschrift 3.4.9.

Voorschrift 3.4.28 (bluswaterringleiding)

14.1

In dit voorschrift is bepaald: uiterlijk vanaf 36 maanden na inwerkingtreding van de beschikking is binnen de inrichting een bluswaterringleiding aanwezig die continu een capaciteit levert van 360 m³/uur door drie naast elkaar gelegen brandkranen; de gezamenlijke capaciteit die geleverd wordt door de brandkranen op het terrein van eiseres kunnen van deze ringleidingcapaciteit worden afgetrokken; na aftrek van de gezamenlijke capaciteit van de brandkranen is de capaciteit uit de ringleiding altijd tenminste 90 m³/uur.

14.2

Eiseres voert aan dat een plasbrand op de verlaadplaats het maatgevende scenario is voor de ringleiding, waarvoor volgens het brandweerrapport van 30 oktober 2012 een capaciteit van 83 m³/uur, of minder, volstaat als uitgegaan wordt van stationaire koeling van aangestraalde tanks. Volgens eiseres is het voorschrift niet in lijn met voorschrift 4.2.20 van PGS 29, waarin staat dat met minder kan worden volstaan als blijkt dat minder capaciteit nodig is.

14.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet alleen moet worden uitgegaan van een plasbrandscenario bij verlading, maar ook van andere, kleinere of beginnende scenario’s. Dit om de inzet door de noodorganisatie of de overheidsbrandweer te faciliteren. Van de eis van 360 m³/uur kan niet worden afgeweken, aldus verweerder.

14.4

De STAB geeft in haar advies aan dat nog niet is komen vast te staan dat alleen van het plasbrandscenario mag worden uitgegaan. Alleen wanneer de uitkomst van dat geschilpunt over mobiele of stationaire voorzieningen zou zijn dat van een lager voorzieningenniveau mag worden uitgegaan, kan de capaciteit van de bluswaterringleiding hierop worden aangepast. Dit maakt overigens geen deel uit van de installaties als bedoeld in voorschrift 3.4.47 en kan dus niet in het uitgangspuntendocument (UPD) geregeld worden. De STAB ziet geen aanleiding om dit voorschrift voor wat betreft de capaciteit aan te passen.

14.5

De beroepsgrond is gericht tegen de in het voorschrift genoemde capaciteit, die verband houdt met stationaire voorzieningen. De rechtbank volgt, mede gelet op het oordeel over die voorzieningen, het advies van de STAB dat er geen aanleiding bestaat om het voorschrift op dit onderdeel aan te passen. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

VII. Verlading

Voorschrift 3.4.16 (toezicht verlading)

15.1

In dit voorschrift is bepaald:

a. Tijdens het verladen van een transportmiddel (vrachtwagen, spoorketelwagon of schip) of van een bovengrondse verticale cilindrische naar een bovengrondse cilindrische tank of andersom moeten tenminste twee ter zake deskundige personen permanent toezicht houden op het leidingtracé en de pomp. Tenminste een van deze personen moet in dienst zijn van NBW en de bevoegdheid hebben om bij incidenten direct in te kunnen grijpen.

b. Deze personen moeten bij een lekkage de vloeistofstroom uit beiden richtingen direct kunnen stoppen en moeten samen vanaf het punt waar zij zich bevinden het gehele leiding(/slang)tracé, van bron tot ontvanger overzien. Indien niet het gehele leiding(/slang)tracé te overzien is, moeten zoveel personen ingezet worden zodat het gehele tracé continu wordt overzien.

15.2

Volgens eiseres is dit voorschrift een invulling van de voorschriften 5.5.1 en 4.2.51 van PGS 29. Eiseres stelt dat het vanuit het oogpunt van lekkage niet nodig is om het gehele leidingtracé te overzien. Dit voorschrift is voorts niet in overeenstemming met de diverse adviezen van de brandweer, waarin voorschrift 3.4.16 b wordt voorgesteld als alternatief voor een automatische uitstroombeveiliging (inblokvoorziening). Eiseres doet een voorstel tot wijziging van de tekst van dit voorschrift (zie punt 3.15.13 beroepschrift).

15.3

Verweerder stelt dat het onderhavige voorschrift een verbijzondering is van voorschrift 5.5.6 van de PGS 29, die nodig is vanwege de beperkte opvangcapaciteit bij calamiteiten en de compacte opzet van de inrichting in combinatie met het gebruik van slangen met koppelingen. Voorschrift 4.2.51 van PGS 29, waarnaar eiseres verwijst, gaat volgens verweerder nog veel verder.

15.4

De STAB heeft vastgesteld dat voorschrift 4.2.51 van PGS 29 niet ziet op toezicht op het leidingtracé en de pomp tijdens verlading en niet op het kunnen stoppen van de verlading bij lekkage, zodat de verwijzing van eiseres naar dit voorschrift in dit verband geen doel treft. Voorts heeft de STAB vastgesteld dat met de voorschriften 4.2.40, 5.5.1 en 5.5.6 van de PGS 29, waaraan op grond van voorschrift 3.4.3 van de vergunning dient te worden voldaan, een hoger beschermingsniveau wordt gerealiseerd dan met het onderhavige voorschrift 3.4.16. Het voorschrift zou daarmee in zijn geheel kunnen vervallen.

15.5

De rechtbank is van oordeel dat dit voorschrift, gelet op het advies van de STAB in deze, overbodig is. Nu de rechtbank het voorschrift 3.4.3 van de vergunning met overweging 10.5 in stand heeft gelaten en voorschrift 3.4.3 voor het overige niet is bestreden, en met voorschrift 3.4.3 een hoger beschermingsniveau wordt bereikt dan met voorschrift 3.4.16, bestaat er geen noodzaak voor het daarnaast bestaan van voorschrift 3.4.16. Op dit punt kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Voorschrift 3.4.18 (afsluiter tank verlaadplaats)

16.1

Op grond van dit voorschrift moeten uiterlijk vanaf 12 maanden na de inwerkingtreding van de beschikking bij verladingen aan bovengrondse verticale cilindrische tanks de tanks zijn voorzien van een op afstand bedienbare afsluiter die zo dicht mogelijk bij de tank is geplaatst. De afsluiter moet vanaf de betreffende verlaadplaats en vanaf tenminste een andere veilige locatie kunnen worden bediend.

16.2

Eiseres voert aan dat in voorschrift 3.5.5 van PGS 29, waarnaar door verweerder in dit verband is verwezen, helemaal niet is voorgeschreven dat een op afstand bedienbare afsluiter zo dicht mogelijk bij de tank aanwezig moet zijn. Uitgegaan moet worden van ‘flenslekkage’ als meest maatgevende scenario en de effecten hiervan zijn beperkt. Er zijn meerdere handbediende afsluiters op verschillende plaatsen beschikbaar, zodat er altijd ten minste één afsluiter op een veilige locatie bereikbaar zal zijn. Voor tanks van minder dan 26 m³ zijn op afstand bediende afsluiters aan de tank niet vereist om het beoogde doel uit PGS 31 voorschrift 2.2.6 met toepassing van een antihevelvoorziening bij de tank te bereiken.

16.3

Verweerder stelt dat handbediende afsluiters minder betrouwbaar zijn. Het voorschrift heeft tot doel om lekkages tussen de tank en de verlading zoveel mogelijk te voorkomen. Eiseres maakt vooral gebruik van laad- en losslangen. Het standpunt in het beroepschrift dat RVS leidingen worden toegepast met hoofdzakelijk gelaste verbindingen klopt volgens verweerder niet. Ook is een antihevelvoorziening bij kleine tanks onvoldoende. De effecten bij een calamiteit zijn groter dan eiseres stelt, waardoor op afstand bediende afsluiters volgens verweerder wel noodzakelijk zijn.

16.4

De STAB geeft in haar advies aan dat PGS 29 niet expliciet op afstand bedienbare afsluiters voorschrijft. Wel is in voorschrift 3.5.1 van PGS 29 nadrukkelijk bepaald dat afsluiters in productleidingen zo dicht mogelijk bij de tank dienen te worden geplaatst. Afsluiters mogen op een alternatieve locatie worden geplaatst, mits dat kan worden beschouwd als gelijkwaardig. Dat geldt ook voor een antihevelbeveiliging bij een opslagtank met een inhoud tot en met 150 m³ waarop PGS 31 van toepassing is. Indien sprake is van extra risico’s in de inrichting van eiseres, dan zou dat het voorschrijven van op afstand bediende afsluiters kunnen rechtvaardigen. Het Buncefield-scenario1 kan echter volgens de STAB worden uitgesloten. Vloeistofdichtheid van leidingen en het voorkomen van leidingbreuk wordt geregeld in het inspectie- en onderhoudsplan, zoals bedoeld in het voorschrift 1.1.8 dat aan de vergunning is verbonden. STAB geeft aan dat ten aanzien van het gebruik van laad- en losslangen in de tankput een op afstand bedienbare afsluiter bij een tank naar haar mening geen extra zekerheid geeft, maar wel een stationaire automatische brand-, gas- of lekdetectiesysteem als bedoeld in voorschrift 4.2.40 van PGS 29. Een nadere beoordeling van de hoeveelheid vloeistof die eventueel vrijkomt bij lekkage kan daarom achterwege blijven. STAB acht gelet op het voorgaande geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan een op afstand bedienbare afsluiter dicht bij de tank nodig is. Het voorschrift komt dan ook voor wijziging in aanmerking.

16.5

Verweerder stelt in zijn reactie op het definitieve advies van de STAB dat op afstand bedienbare afsluiters bij de tanks reeds op grond van voorschrift 3.5.5 van PGS 29 noodzakelijk zijn. Het betreft een preventieve maatregel ter voorkoming van lekkage en geen repressieve maatregel, die werking heeft na de lekkage. Handbediende afsluiters, zoals eiseres voorstelt, kunnen realistisch gezien niet worden bediend indien een persoon zich hiervoor in een gevaarlijke situatie moet begeven. Bij lekkage ontstaat een vloeistofplas. Als dit in de buurt van een tank plaatsvindt, dan kan de lekkage niet worden gestopt met een handbediende afsluiter en stroomt de tank dus geheel leeg. Uitgangspunt is dat een lekkage na detectie zo snel mogelijk gestopt wordt.

16.6

De rechtbank volgt, mede gelet op haar conclusie dat stationaire voorzieningen in dit geval zijn aangewezen, het advies van de STAB op dit onderdeel. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die maken dat op afstand bedienbare afsluiters dichtbij de tanks noodzakelijk moeten worden geacht. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet in stand kan blijven.

VIII. Externe veiligheid

Voorschrift 2.1.3

17.1

In voorschrift 2.1.3 is bepaald dat binnen de inrichting te allen tijde een volledige en actuele registratie moet worden bijgehouden van alle in voorschrift 2.1.1 bedoelde stoffen. In de registratie moet de inhoud in de compartimenten van de transportmiddelen waarop is/wordt aangesloten zijn opgenomen.

17.2

Eiseres voert aan dat dit voorschrift niet in het belang van het milieu is. Verder stelt zij dat het voorschrift een onredelijke administratieve last met zich brengt en in feite overbodig is, gelet op de toezichthoudende bevoegdheden die verweerder heeft.

17.3

Verweerder betwist dat sprake is van een onredelijke administratieve last, omdat eiseres in een ander verband heeft aangegeven dat zij vanwege douaneverplichtingen een nauwgezet registratiesysteem dient bij te houden en zij als onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering een registratie bijhoudt die overvulling voorkomt.

17.4

De STAB heeft de vraag of dit voorschrift in het belang is van het milieu een juridisch punt geacht en dit ter beoordeling aan de rechtbank overgelaten. Zij stelt verder dat uit het voorschrift alleen een administratieplicht volgt voor compartimenten in transportmiddelen waarop is of wordt aangesloten en dat compartimenten in transportmiddelen waarop niet is of wordt aangesloten aldus buiten de registratieplicht blijven, hetgeen in overeenstemming is met paragraaf 3.1.2 van PGS 6. Tijdens een bezoek ter plaatse van de inrichting van eiseres heeft STAB begrepen dat er dagelijks een voorraad binnenkomt die in het computersysteem verwerkt dient te worden en dat er dagelijks een voorraad de inrichting verlaat, die nog niet gefactureerd is. Dit betekent dat er enige mate van onzekerheid is met betrekking tot de op een willekeurig moment aanwezige voorraad stoffen. Normaliter is de strekking van een voorschrift als het onderhavige dat een bedrijf binnen een redelijke termijn gegevens moet kunnen aanleveren om aan te tonen dat aan de drempelwaarden van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 wordt voldaan. Eiseres kan die gegevens binnen 2 tot 3 werkdagen aanleveren aan de hand van het voorraadbeheer- en facturatiesysteem, zo heeft zij verklaard aan de STAB. Gelet op de aard van de opgeslagen stoffen, waar geen groot risico vanuit gaat, en het werkproces, acht de STAB een dergelijke termijn aanvaardbaar.

17.5

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het voorschrift niet in het belang van het milieu is, nu het betrekking heeft op de opslag van de maximaal toegestane hoeveelheid (milieubelastende) stoffen genoemd in voorschrift 2.1.1 van de vergunning, hetgeen op enigerlei wijze controleerbaar moet worden gemaakt. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet. De rechtbank volgt de STAB echter in haar advies dat het acceptabel is dat dergelijke gegevens binnen een redelijke termijn, in dit geval 2 á 3 werkdagen, aangeleverd kunnen worden door eiseres. In zoverre kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het voorschrift vergt aanpassing.

IX. Denaturatievloeistof

Voorschrift 3.3.1 (Werkvoorraad)

18.1

Volgens dit voorschrift moet in afwijking van voorschrift 3.2.1 de werkvoorraad van denaturatievloeistof:

a. noodzakelijk zijn voor de denaturatie van ethanol;

b. een beginkookpunt hebben dat hoger is dan 35ºC;

c. niet meer zijn dan één aangebroken verpakkingseenheid, plus één reserve. De verpakkingseenheid mag niet meer dan 1 m³ kunnen bevatten;

d. zich niet bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen.

e. het vluchten niet belemmeren;

f. worden bewaard in deugdelijke verpakking, die bestand is tegen de desbetreffende gevaarlijke stof;

g. zijn geplaatst boven een lekbak en

h. binnen 48 na ontvangst zijn afgevoerd.

18.2

Eiseres voert aan dat verweerder de noodzaak van dit voorschrift niet heeft aangetoond en dat het voor haar bedrijfsvoering een onnodige en onwerkbare beperking oplevert. Het voorschrift moet zodanig worden aangepast dat zij drie Intermediate Bulk Containers (IBC’s) kan aanvoeren.

18.3

Verweerder stelt dat hij ten aanzien van de eis onder c heeft aangesloten bij voorschrift 3.1.3 van PGS 15, waarin is beschreven wat wordt verstaan onder werkvoorraad. Dit kan maximaal één aangebroken verpakking zijn met één reserve. In de zienswijze is eiseres hier niet op ingegaan en ook blijkt niet uit de aanvraag dat eiseres meerdere IBC’s wil opslaan, zodat de hoeveel is gemaximaliseerd tot twee verpakkingen.

18.4

Uit het STAB-rapport blijkt over dit geschilpunt het volgende. In de inrichting van eiseres wordt een deel van de opgeslagen ethanol ongeschikt gemaakt voor consumptie door een denaturatiemiddel toe te voegen. In bijlage 10 bij de aanvraag is beschreven dat voor de denaturatie eerst de gewenste hoeveelheid ethanol naar een opslagtank wordt overgepompt en nadat de exacte hoeveelheid is bepaald, wordt berekend hoeveel denaturatievloeistof moet worden toegevoegd. Dan pas wordt de denaturatievloeistof besteld/geleverd. Deze vloeistof wordt vanuit de verpakkingseenheid (veelal kunststof bulk containers of IBC’s van 1000 liter) naar de opslagtank gepompt. De STAB geeft aan dat verweerder aansluiting heeft gezocht bij voorschrift 3.1.3 van PGS 15 en dat dit voorschrift op zich duidelijk lijkt te zijn over de omvang van de werkvoorraad, namelijk maximaal twee verpakkingen. In de toelichting op voorschrift 3.1.3 van PGS 15 staat echter dat “de werkvoorraad zodanig moet zijn dat de productie normaal doorgang kan vinden”. Er mag echter geen sprake zijn van verkapte opslag, in welk geval de PGS 15 alsnog van toepassing wordt. STAB geeft aan dat kenmerkend voor een werkvoorraad is dat dit in de directe omgeving van de (proces)installatie staat opgesteld en niet groter is dan noodzakelijk. Als iets langdurig wordt opgeslagen elders in de hal, dan is geen sprake meer van een werkvoorraad. Volgens de STAB wordt de denaturatievloeistof bij eiseres niet langdurig opgeslagen, maar aangeleverd op de dag waarop de denaturatie plaatsvindt en dus op dezelfde dag nog verwerkt. Gelet hierop acht de STAB voldoende aannemelijk geworden dat het voorschrift niet goed werkbaar is voor eiseres zonder de productie te belemmeren. Het voorschrift dient dan ook zodanig te worden gewijzigd dat de werkvoorraad wordt afgestemd op de dagproductie.

18.5

De rechtbank volgt de STAB dat aannemelijk is dat het voorschrift, zoals het thans luidt, onvoldoende werkbaar is voor eiseres en daarom voor wijziging in aanmerking komt. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat een IBC een niet geheel veilige verpakking is, zodat moet worden onderzocht of meer dan twee IBC’s als werkvoorraad mogelijk is en of IBC’s in dat geval wel passend zijn, of dat er betere alternatieven zijn. In het nieuw te nemen besluit zal verweerder dit nader dienen te onderzoeken in samenspraak met eiseres.

X. Overige voorschriften

Voorschrift 3.4.54 (installatiecertificaat BRL-K903 / aanpassing tanks)

19.1

Dit voorschrift luidt: “Bovengrondse verticale cilindrische tanks vrij van de ondergrond moeten binnen 12 maanden na het in werking treden van de beschikking voldoen aan de volgende PGS 31 voorschriften:

a. 2.2.1, 2.2.4;

b. 3.2.3, 3.2.4, 3.2.5, 3.2.7;

c. 5.2.1, 5.2.2.”

19.2

Eiseres betoogt dat voorschrift 2.2.4 van PGS 31 ziet op de installatie van een nieuwe tank en niet op bestaande tanks. In zoverre moet het voorschrift worden verduidelijkt.

19.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit PGS 31 blijkt dat bestaande tankinstallaties een herclassificatie kunnen ondergaan, waarna een installatiecertificaat kan worden afgegeven.

19.4

STAB geeft in haar advies aan dat herclassificatie bij bestaande tanks alleen in bepaalde situaties nodig is, zoals het opnieuw in gebruik nemen na herstel van gebreken of het opnieuw plaatsen en in gebruik nemen van een bestaande tank van derden. Zoals het voorschrift thans is geformuleerd, moeten alle bestaande tanks worden geherclassificeerd. STAB stelt voor het voorschrift op dit punt aan te passen.

19.5

De rechtbank ziet in hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding om het advies van de STAB hierin niet te volgen. Dat betekent dat dit voorschrift voor wijziging in aanmerking komt en de beroepsgrond slaagt.

Conclusie in het beroep

20. Gelet op het vorenstaande - de rechtbank verwijst in het bijzonder naar de rechtsoverwegingen 8.5, 12.4, 15.5, 16.6, 17.5, 18.5 en 19.5 - is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 2.14 van de Wabo en artikel 3.46 van de Awb, voor vernietiging in aanmerking. Om een gedeeltelijke inwerkingtreding van het besluit te vermijden, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waaronder ook overweging 10.5. Vanwege de aspecten die verweerder daarbij dient te betrekken en de tijd die daarmee gemoeid zal zijn, leent deze zaak zich niet voor toepassing van een bestuurlijke lus. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien ten aanzien van de voorschriften waarover partijen overeenstemming hebben bereikt en tekstvoorstellen hebben opgesteld. Nu verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, ligt het voor de hand dat verweerder die tekstvoorstellen overneemt in het nieuw te nemen besluit.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor het beroep op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op het verslag van de STAB en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

22.1

Daarnaast heeft eiseres verzocht om vergoeding van door haar ingeschakelde deskundigen. De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn (vgl. ECLI:NL:RVS:2017:2904).

22.2

De rechtbank acht het inroepen van de deskundigen, gelet op de aard van de zaak, in dit geval redelijk. Voor wat betreft de hoogte van de te vergoeden kosten wordt in het Besluit proceskosten bestuursrecht aansluiting gezocht bij de Wet tarieven in strafzaken en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken 2003. In laatstgenoemd besluit is in artikel 6 voor gevallen als hier aan de orde bepaald dat het uurtarief maximaal € 129,63 (ex btw) bedraagt.

22.3

Eiseres heeft een overzicht overgelegd van de kosten voor de ingeschakelde deskundigen, inclusief facturen en toelichting. Op basis daarvan komt de rechtbank tot een vergoeding van deskundigenkosten van in totaal € 100.035,65 (exclusief btw). Het bedrag aan deskundigenkosten acht de rechtbank, gelet op de gehanteerde uurtarieven en de hoeveelheid verrichte handelingen, in combinatie met de aard van de zaak redelijk. Deze kosten zijn door verweerder niet bestreden.

Voorlopige voorziening

23. Omdat het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

24. De voorzieningenrechter ziet gelet op de uitkomst van het beroep aanleiding voor vergoeding van de proceskosten en stelt deze vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift).

Beroep en voorlopige voorziening

25. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepalen de rechtbank en de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van in totaal € 101.348,15.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van in totaal € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter van de meervoudige kamer, tevens voorzieningenrechter, mr. R.H.M. Bruin en mr. J.M. Janse van Mantgem, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Deze term verwijst naar een ernstig incident in december 2005 in het Buncefield Oil Storage Depot in Groot-Brittanië waar benzine uit een opslagtank stroomde en vervolgens een explosief mengsel deed ontstaan dat tot ontploffing kwam waarbij een zeer ernstige brand volgde.