Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1568

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1719
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De informatiebeschikkingen zijn terecht opgelegd, verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht en dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van eiser. Van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-03-2020
V-N Vandaag 2020/707
FutD 2020-0941
NTFR 2020/869
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/1719 tot en met HAA 17/1721

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. K.D. Smeele),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

HAA 17/1719

Verweerder heeft bij beschikking van 15 november 2013 ten name van eiser een informatiebeschikking in de zin van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) vastgesteld. De beschikking heeft betrekking op de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2008 (navorderingsaanslag).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2017 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

HAA 17/1720 en HAA 17/1721

Verweerder heeft bij beschikkingen van 29 november 2013 ten name van eiser twee afzonderlijke informatiebeschikkingen in de zin van artikel 52a van de AWR vastgesteld. De beschikkingen hebben betrekking op de heffing van IB/PVV voor het jaar 2010 (aanslag IB/PVV 2010 over binnenlandse periode en een conserverende aanslag IB/PVV 2010).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 maart 2017 de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft voor alle zaken tezamen een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019 te Haarlem. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met het beroep van eiser met het kenmerk HAA 17/2736. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M.C. Koopman, mr. O.C.W. Pos en R.C.G. Aarts.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft beide partijen opgedragen aanvullende informatie respectievelijk een reactie daarop te verstrekken. Beide partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een tweede mondelinge behandeling van het beroep. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en aangekondigd uitspraak te doen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser woonde van 2005 tot 6 mei 2010 samen met [A] en hun drie kinderen. In de periode van 31 maart 2009 tot 6 mei 2010 stond eiser met mevrouw [A] en de kinderen ingeschreven op het adres [b] . Op 6 mei 2010 is eiser geëmigreerd naar Cyprus, [c] . Per 12 april 2012 is zijn adres gewijzigd in [d] , Cyprus.

2. Bij een derdenonderzoek d.d. 27 juni 2013 bij de [E] is een schriftelijke verklaring van eiser aangetroffen, waarin hij een verklaring geeft voor het lage loon over 2007. Eiser geeft daarin aan dat er ruimte is voor een ruimere winstuitkering aan de bestuurder annex hypotheeknemer. In de inkomensverklaring staat vermeld: “zijn salaris is op 17499,- gesteld om fiscale redenen”.

3. De woning aan de [b] is bij akte van 7 mei 2010 toegescheiden aan mevrouw [A] . Eiser was aanwezig bij de ondertekening van de akte. De hypothecaire geldlening bedroeg € 260.000. De over 2010 verschuldigde rente bedroeg rond de € 9.500. Eiser is door de bank niet ontslagen van zijn verplichting als medeschuldenaar. Mevrouw [A] had in 2010 geen ander inkomen dan de van eiser ontvangen alimentatie. In 2010 was dat een bedrag van € 15.000.

4. Op 1 september 2006 is eiser onder de naam [F] in de vorm van een eenmanszaak financiële werkzaamheden gaan verrichtten, onder meer als controller.

5. Per 14 februari 2007 heeft eiser zijn activiteiten voortgezet in [G] . Blijkens de informatie uit de opgaaf startende onderneming houdt eiser 100 percent van de aandelen in [G] . Bij de vraag 9b, ‘Is de directeur-grootaandeelhouder in loondienst?’, heeft eiser ‘Ja’ aangekruist.

6. Per brief van 6 juli 2007, gericht aan verweerder, heeft eiser aangegeven een nieuw bedrijf op te gaan starten. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“ [H] ltd. is opgericht om aandelen te houden van en het management te voeren voor haar dochtermaatschappijen. Op dit moment zijn de actieve dochtermaatschappijen [G] ., mijn verwachting is dat dit in de toekomst zal uitbreiden naar een groter aantal. Voor het ter beschikking stellen van een bestuurder betaalt elke dochtermaatschappij een vergoeding aan de holdingmaatschappij. Dit is vastgelegd in een management overeenkomst, welke wordt geacht de loonadministratie van de dochtermaatschappij te vervangen. (…).

Ik had mij bij de start van de dochtermaatschappij niet beseft dat de loonadministratie die ik ga voeren zich dient te verplaatsen naar de holdingmaatschappij, [H] ltd.

Vandaar dat ik u wil verzoeken de reeds ingediende “opgaaf startende onderneming” van [G] ., d.d. 28-3-2007, te wijzigen op punt 9b (moet nee zijn).”

Bij de Kamer van Koophandel staat eiser vermeld als enig aandeelhouder van [H] Ltd. sinds 13 februari 2007.

7. Per brief van 20 november 2007 heeft eiser aan verweerder een brief met bijlagen gestuurd waaruit verweerder heeft afgeleid dat niet hij maar [I] Ltd. aandeelhouder is van [H] Ltd. en dat de heer [J] de contactpersoon is. Blijkens het in het dossier opgenomen structuurschema houdt [K] SA, in de onderhavige jaren, 100 percent van de aandelen in [I] Ltd.

8. Van 2008 tot en met 2010 heeft eiser, als enige werknemer, alle opdrachten voor de diverse opdrachtgevers van [G] . uitgevoerd. Eiser is in loondienst van [H] Ltd. [H] Ltd. brengt hiervoor een managementvergoeding in rekening aan [G] . In 2007 ontving eiser (voor een periode van 10 à 11 maanden) een salaris van € 17.488, in 2008 ontving eiser een salaris van € 21.786, in 2009 ontving eiser een salaris van € 21.774 en in 2010 ontving eiser (voor een periode van vier maanden) een salaris van € 8.493. [G] . berekende aan haar opdrachtgevers een uurtarief van rond de € 100. De omzet van [G] . was in 2008 € 121.993, in 2009 € 152.242 en in 2010 (over de eerste vier maanden) € 43.831.

9. Bij brief met dagtekening 7 mei 2009 heeft verweerder [G] . medegedeeld dat hij van plan is een boekenonderzoek in te stellen. Het doel van het onderzoek is om de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over het jaar 2007. Bij brief met dezelfde dagtekening heeft verweerder [H] Ltd. (t.a.v. eiser) medegedeeld dat hij van plan is een boekenonderzoek in te stellen. Het doel van het onderzoek is de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen over het jaar 2007.

10. Op 27 mei 2009 is het boekenonderzoek ingesteld.

11. Bij brief met dagtekening 10 november 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij van plan is het ingestelde boekenonderzoek uit te breiden. Het doel van het onderzoek is de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften IB/PVV 2008 alsmede de aangiften omzetbelasting over het jaar 2008.

12. Met dagtekening 17 september 2010 is aan eiser de aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

13. Eiser heeft sinds 16 november 2007 een bankrekening (een zogenoemde nummerrekening) in Luxemburg bij [L] met het nummer [#] . Op deze bankrekening is in het jaar 2008 (in drie termijnen) een bedrag ontvangen van € 64.500 van [M] . De brief van de voormalige gemachtigde van eiser, met dagtekening 1 oktober 2010 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“[Eiser] verklaart dat de bijschrijvingen aan te duiden zijn als schenkingen. Deze schenkingen zijn gedaan door [M] . (…). Van deze schenkingen zijn besluiten van de Foundation Counsel aanwezig, die ik u bijgaand doe toekomen.

Ik ben van mening dat het in het rapport vermelde bedrag van € 64.500 niet kan worden aangemerkt als een resultaat uit overige werkzaamheid, aangezien er sprake is van een drietal schenkingen.”

14. Bij de brief van 1 oktober 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser drie bijlagen genaamd ‘Distribution resolution of the [M] in respect of [## 1] ’ gevoegd. De eerste bijlage dateert van 8 januari 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 14.500 aan dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan eiser. De tweede bijlage dateert van 2 juli 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 20.000 aan dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan eiser. De derde bijlage dateert van 13 oktober 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 30.000 aan dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan eiser. De bijlagen zijn ondertekend door [N] . De heer [N] is werkzaam voor [O] en [O] is de Cypriotische partner van het [P] (hierna: [P] ).

15. Het rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 7 juli 2011. Een afschrift hiervan is op 8 juli 2011 aan eiser en zijn toenmalige gemachtigde gestuurd. In de brief is tevens aangekondigd dat naar aanleiding van de bevindingen uit het onderzoek een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 zal worden opgelegd.

16. Met dagtekening 13 augustus 2011 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 aan eiser opgelegd. Bij beschikking is aan eiser een boete opgelegd ten bedrage van € 13.346. Hiertegen heeft de toenmalige gemachtigde van eiser bezwaar gemaakt.

17. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft bij zijn brief aan verweerder van 19 september 2011 een bijlage meegestuurd van [M] . In de bijlage staat, voor zover hier van belang:

“Council resolution in respect of [## 1]

(…)

THAT considering that [eiser] has indicated to us his desire to obtain financing for the expansion of his primary residence.

IT IS RESOLVED THAT we hereby make a GIFT to be used for this purpose for the amount of € 125.000 to be paid by the foundation before the end of 2009.”

18. Als contactpersoon van [M] staat vermeld de heer [N] (zie onder 14 hiervoor).

19. Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag heeft verweerder vragen gesteld. Daarop is gereageerd door de toenmalige gemachtigde van eiser.

20. [H] Ltd. heeft aangiften dividendbelasting ingediend, waarbij een vrijstelling van inhouding is geclaimd. Het betreft de volgende aangiften:

01-12-2007 € 60.000

29-07-2008 € 21.000

29-07-2008 € 21.000

23-09-2008 € 30.500

29-06-2009 € 20.000

02-05-2010 € 80.000

Van het bedrag van € 21.000 is twee keer aangifte gedaan terwijl het één keer is uitbetaald. Op 3 mei 2010 betaalt [G] . € 80.000 aan [I] Ltd.

21. Eiser heeft in 2008 op de bankrekening bij [L] de volgende bedragen ontvangen van [M] . De betalingen zijn verzorgd door [Q] Ltd. namens de Foundation Council.

08-01-2008 € 14.500

02-07-2008 € 20.000

03-10-2008 € 30.000

Totaal € 64.500

22. Uit de bijlagen bij een brief van 25 maart 2011 van de toenmalige gemachtigde van eiser blijkt dat [M] geen vragen wil beantwoorden over het beleid van de foundation. Wel is door hen de oprichtingsakte (charter) bijgevoegd.

23. Vaststaat dat er ook zogeheten ‘regulations of the private foundation named [M] ’ bestaan. Deze heeft eiser niet verstrekt, maar deze zijn in januari 2015 wel bekend geworden bij verweerder. Bij een ander kantoor van de Belastingdienst zijn ze in een ander dossier, waarin [M] een rol speelt, opgevraagd en verkregen. Uit de regulations blijkt dat er individuele ‘Nexus’ zijn, waarvan de rechten en verplichtingen zijn vastgelegd in een zogenoemd ‘annex’. De ‘annex’ is door eiser niet overgelegd.

24. Over 2008 zijn bankafschriften van de [L] verstrekt. Over 2009 en 2010 zijn geen bankafschriften van de [L] verstrekt. Eiser heeft gesteld dat de rekening is opgeheven. Bewijstukken zijn niet overgelegd. Ook zijn geen andere bankstukken verstrekt.

25. Eiser heeft in het jaar 2007 diverse betalingen gedaan aan [P] en [O] . Op

6 februari 2007 heeft hij eenmaal € 600 betaald en op 7 februari 2007 stortte hij contant € 7.000 op de rekening van [O] . Dit was één week voor [G] . en [H] Ltd. werden opgericht. Op 1 december 2008 betaalde hij via zijn [L] € 4.590 met factuurnummers [## 2] . De factuurnummers blijken uit de kredietberichten. De begunstigde staat niet vermeld. Op 6 juli 2011 betaalde eiser € 60 aan [O] [r] . De [L] vermeldt op de afschriften niet aan wie de betalingen worden verricht.

26. Bij een brief van 6 mei 2010 van de toenmalige gemachtigde van eiser is een structuurschema gevoegd. Hieruit blijkt dat de [H] Ltd. 100 percent aandeelhouder is van [G] ., [I] Ltd. 100 percent aandeelhouder is van [H] Ltd. en [K] SA 100 percent aandeelhouder is van [I] Ltd. Wie de aandeelhouder is van [K] SA wordt niet vermeld. [K] SA is gevestigd op de Seychellen. In het overzicht correspondentie [X] ( [###] ) dat bij de stukken is bijgevoegd, wordt uitgebreid beschreven wie op welk moment bestuurder was van [G] ., [H] Ltd. en [I] Ltd. Blijkens gegevens uit de Engelse Companies House is eiser als bestuurder betrokken bij alle drie de Ltds. (bijlage 140 bij het verweerschrift).

27. In een brief van 1 juni 2011 van de toenmalige gemachtigde van eiser staat dat de huidige aandeelhouder van [I] Ltd. [S] Ltd. gevestigd te [r] is. Verder staat er dat de aandeelhouder van [S] Ltd. [U] Ltd. is. De aandeelhouders van [U] Ltd. zijn een grote groep individuele aandeelhouders en een foundation genaamd “ [V] Foundation”. Ook staat er dat eiser vijf aandelen in het aandelenkapitaal van [U] Ltd. bezit en geen betrokkenheid heeft bij [V] Foundation. Hij voert de strategie van [I] Ltd. uit en hij ontvangt geen werkopdrachten. Hij is in loondienst van [I] Ltd. Sinds 21 september 2010 staan [H] Ltd. en [G] . niet meer ingeschreven in de Engelse Chamber of Commerce.

28. Op 9 november 2012 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. Bij het gesprek was eiser aanwezig, alsmede zijn toenmalige gemachtigde. Van het gesprek is een hoorverslag opgemaakt. Het hoorgesprek heeft plaatsgevonden in het kader van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2008. In het hoorverslag is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“[De toenmalige gemachtigde van eiser] vraagt of van de zijde van de Belastingdienst er nog vragen zijn.

De heer [W] gaf nogmaals aan dat door [M] in 2008 driemaal een besluit is genomen tot het uitkeren van een bedrag aan [eiser]. De Belastingdienst heeft deze reeks aan bedragen aangemerkt als een periodieke uitkering. Volgens [eiser] is geen sprake van een reeks. De Foundation heeft beslist tot uitkering van € 125.000. Dit bedrag is hierna in partjes uitgekeerd.

Dit voorgaande leidde bij de heer [Y] tot een aantal vragen en opmerkingen. Aangezien hij nieuw is in het dossier is voor hem onduidelijk welke samenhang bestaat tussen [eiser], de Limiteds en de Foundation. [Eiser] vertelde dat hij dit al diverse malen aan verschillende collega’s van de heer [Y] heeft uitgelegd. Naast het bezwaarschrift IB 2008 moeten nog aangiften voor recentere jaren worden behandeld. De info over die jaren kan het beeld voor de oudere jaren compleet maken. De heer [Y] hecht daarom waarde aan de beantwoording van vragen door [eiser].

[Eiser] vertelde dat hij een ambitie had/heeft tot een groter doel. Het doel wil hij bereiken door iets met of in China te doen. Hij wil de ambitie realiseren door het oosten te veroveren. Om dit te bereiken heeft hij een netwerk nodig.

Hij vertelde dat de Foundation met het bereiken van dit groter doel niets heeft te maken. Tijdens zijn vakantie kwam hij op het strand op Mallorca mevrouw [AA] tegen. Hij raakte hiermee aan de praat. Hij vertelde haar dat hij vanwege gezinsuitbreiding een grotere huisvesting wilde. Zij gaf hem een telefoonnummer van de Foundation met de opmerking dat de Foundation wellicht iets voor hem kon betekenen. Dit resulteerde in uitkeringen in 2008 en latere jaren. (…).

[Eiser] vertelde dat de heer [J] namens [I] Ltd. met hem afspraken heeft gemaakt voor een samenwerking waarin volgens zijn verklaring ook afspraken over de toekomst zijn vastgelegd. Deze afspraken zijn vastgelegd in een strategiedocument. De heer [AB] de opvolger van de heer [J] heeft het strategiedocument geaccordeerd. Het strategiedocument waarin dit is vastgelegd zal nog worden overgelegd (zie de vragenbrief).

[Eiser] is tegenwoordig zelf bestuurder van [I] Ltd.

Vanwege het bereiken van het groter doel nam [eiser], hoewel hij alle werkzaamheden in [G] ., [H] Ltd. en [I] Ltd. verrichtte, genoegen met een laag salaris en ontvingen de aandeelhouders de resterende winst middels dividenduitkeringen. De heer [W] merkt op dat het salaris van [eiser] laag is, terwijl de vennootschap voldoende winst maakt om een behoorlijk dividend uit te keren, De heer [W] stelt dat dit in zakelijke verhoudingen ongebruikelijk is. Als enig werknemer en winstgenerator zou je in dat geval een adequate arbeidsbeloning willen ontvangen.

Als verklaring voor het lage salaris verwees [eiser] naar het strategiedocument. (…). De heer [Y] stelde dat, het lage salaris in combinatie met de dividenduitkering en het groter doel, het van belang is dat de heer [X] de personen/partij kent met wie hij uiteindelijk in zee gaat. [K] SA moet namelijk ook haar bijdrage leveren in het bereiken van het groter doel. Daarom vroeg de heer [Y] naar de naam/adres van [K] SA haar aandeelhouder(s)/ bestuurders en een beschrijving van de SA haar bijdrage in het bereiken van het groter doel. [Eiser] kon deze informatie niet verstrekken. Aan hem is daarom gevraagd op welke wijze hij en bij welke natuurlijke persoon hij nakoming van de overeenkomst met [K] SA kan afdwingen. Het is namelijk niet ondenkbeeldig dat [K] SA haar bijdrage niet levert of met [eiser] zijn ideeën en of de toekomstige winststroom aan de haal gaat. Hierop had [eiser] geen antwoord. Hij heeft geen naam, adresgegevens verstrekt. Hij verklaarde de aandeelhouders van [K] SA of haar medewerkers niet te kennen. Overigens is het volgens hem in het bedrijfsleven en in de landen waarin hij opereert niet ongebruikelijk dat sommige zaken niet schriftelijk vastliggen. Dit vindt hij geen probleem.

De heer [W] heeft verder gevraagd naar het bestaan van de eenmanszaak die pas in 2010 bij de KvK is uitgeschreven. [Eiser] verklaarde dat in de jaren 2008 t/m uitschrijving geen omzet is gerealiseerd en geen kosten zijn gemaakt. Daarom is in zijn aangifte IB 2008 t/m 2010 geen resultaat uit onderneming aangegeven. Hij heeft inschrijving en het BTW-nummer aangehouden voor het geval een opdrachtgever niet met een Limited in zee wil gaan.

[Eiser] is bestuurder van [I] Ltd. Bij het vaststellen en uitkeren van het dividend is de bestuurder verplicht betrokken. De heer [Y] heeft nogmaals gevraagd naar de NAW-gegevens van de aandeelhouders/bestuurders van [K] SA. [Eiser] verklaarde ook in zijn hoedanigheid als bestuurder hem niets bekend is omtrent de aandeelhouders/bestuurders van [K] SA. [Eiser] antwoordde deze niet te kennen en had het ook graag anders gezien.”

29. Eiser is zijn toezegging het strategiedocument te overleggen niet nagekomen. In een bijlage bij de brief van de toenmalige gemachtigde van eiser van 1 juni 2011 staat [AB] , bestuurder van [AC] Ltd., vermeld als bestuurder van [I] Ltd. Uit een in het dossier opgenomen screenshot van LinkedIn blijkt dat hij gewerkt heeft voor de [O] Group.

30. [P] bood in samenwerking met [O] in 2007 een zogeheten dividendstructuur aan. Deze staat beschreven in een brochure uit 2007. De structuur komt in het kort op het volgende neer:

- Offshore Nexus Foundation: ontwijkt de belasting van 25 percent in box 2 (dividend, vermogenswinst op aandelen) en de successierechten van maximaal 27-68 percent. Verschaft vermogensbescherming en anonimiteit. Houdt aandelen in:

- Offshore Investment Holding: ontwijkt belasting op (inkomsten uit) vermogen, zoals de belasting in box 3. Wordt belast met 0 percent vennootschapsbelasting. Bouwt in Luxemburg of Zwitserland een afgeschermd vermogen op met dividenden uit de onderliggende dochter.

- Cypriotische Holding: ontwijkt de bronbelasting van 25 percent, een cruciale schakel om via een laag belastende staat binnen de Europese Unie de stap van Nederland naar een onbelaste offshore jurisdictie te maken. Houdt aandelen in:

- Nederlandse Holding: ontwijkt de belasting op de winst uit de verkoop van aandelen in de onderliggende dochter. Houdt aandelen in:

- Nederlandse Werkmaatschappij: hierin wordt de nieuwe onderneming opgebouwd of de bestaande onderneming ondergebracht. Deze werkmaatschappij betaalt 25,5 percent

vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting is de enige belasting die in deze structuur nog verschuldigd is over de winst en het vermogen dat hiermee wordt opgebouwd.

Onder het onderdeel ‘Panama’ van de brochure is onder andere nog te lezen dat:

“Panama kent aandelen aan toonder en voor inkomsten uit buitenlandse bron (bijvoorbeeld dividenden uit Engeland of Cyprus) geen boekhoud- of publicatieplicht. Er geldt geen minimum kapitaaleis. Een lokale vestiging van een internationaal advocatenkantoor (zoals [AD] ) fungeert meestal als registered agent. De agent en anderen met toegang tot privacy-gevoelige informatie hebben een wettelijke geheimhoudingsplicht, schending waarvan wordt bestraft. (...).

(…)

Meer informatie over onze samenwerkingspartners in Panama en Luxemburg vindt u op:

[@]

[@@]

31. De partij [AD] komt voor in de stukken die eiser heeft verstrekt met betrekking tot [M] .

32. In verband met de invoering van de APV-wetgeving per 1 januari 2010 wordt de structuur niet meer aangeboden door [P] en is deze vervangen door de structuur die onder 26 hiervoor is beschreven.

33. [AD] is bekend uit de zogeheten Panama Papers. [M] en [K] SA Seychellen komen voor in de (vrij toegankelijke) Offshore Leaks Database (https:// [@@@] ). Volgens deze bron is [K] SA opgericht op 18 januari 2007, is zij inactief geworden per 8 juli 2009 en bestaat zij niet meer sinds 31 december 2010.

34. Naar aanleiding van het hoorgesprek heeft verweerder op 22 november 2012 een vragenbrief aan (de toenmalige gemachtigde van) eiser gestuurd. In totaal heeft verweerder op 11 punten vragen aan eiser gesteld:

“Met referte aan ons hoorgesprek van 9 november 2012 stel ik u de volgende vragen.

1) [Eiser] is bestuurder van [I] Ltd. Bij de dividendvaststelling en -uitkering is de bestuurder verplicht betrokken. In de jaren 2008 t/m 2011 vindt vanuit de reserve dan wel het eigen vermogen van [G] ., [H] Ltd. en [I] Ltd. (verder ook de vennootschappen) uitkeringen plaats die uiteindelijk terechtkomen bij [K] SA. De bestuurder zal niet geheel zelfstandig tot de (dividend)uitkering hebben besloten of zonder voorafgaande kennisgeving aan de aandeelhouder de uitkeringen hebben overgemaakt. Graag ontvang ik m.b.t. de jaren 2009 t/m 2011 de volgende gegevens:

- Alle correspondentie, aantekeningen, vastleggingen in de ruimste zin van het woord betreffende de door de vennootschappen verrichtte (dividend)uitkeringen.

De besluiten tot dividendvaststelling en/of terugbetaling van eigen vermogen met de daarbij behorende betalingsbewijzen. Besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van [G] ., [H] Ltd. en [I] Ltd.

2) [M] heeft ook na 2008 uitkeringen gedaan daarom verzoek ik u om voor de jaren 2009 t/m 2011 de volgende gegevens te overleggen:

- De distribution resolutions waarin de [M] besluit tot toekenning van de

uitkeringen.

- Bankafschriften waaruit blijkt dat de bedragen door [M] zijn gestort en welke tegenrekening aan de storting is gekoppeld.

- De bankafschriften waaruit blijkt dat de gestorte bedragen zijn overgemaakt naar een andere bankrekening van [eiser] dan wel een andere persoon of waaruit blijkt dat de bedragen contant zijn opgenomen.

- Het totale rekeningoverzicht van de bankrekening bij de [L] over 2009 t/m 2011.

3) [Eiser] spreekt steeds over het netwerk om zijn groter doel te bereiken. Binnen dit netwerk zijn volgens hem de Limiteds en de SA van essentiële betekenis. Hij neemt daarom zelfs genoegen met een laag salaris en laat de volledige winst ten goede komen aan [K] SA. Uit mijn gegevens blijkt dat [eiser] in de Limiteds de enige werknemer is die werkzaamheden verricht. Hij is daarom zijn eigen netwerk. Voor zover sprake is van een ander netwerk kan dit alleen door [K] SA worden geleverd. Nu ik geen zicht heb op haar activiteiten verzoek ik u om voor de jaren 2008 t/m 2012 de volgende vragen te beantwoorden.

- Graag de NAW (naam, adres en woonplaats) -gegevens en verdere contactgegevens van [K] SA overleggen. Als de gevraagde gegevens gedurende de periode 2008 t/m 2012 zijn gewijzigd de gegevens per periode specificeren.;

- Welke concrete werkzaamheden, bijdrage of onder welke andere benaming (verder ook:

doelbijdrage) heeft de SA geleverd om het groter doel te bereiken? Ik verzoek u om stukken te overleggen waaruit dit blijkt.

- Graag ontvang ik de NAW-gegevens en verdere contactgegevens van de personen die namens de SA en of Limiteds de doelbijdrage hebben geleverd.

- Graag ontvang ik de NAW-gegevens en verdere contactgegevens van de personen die namens de SA opdracht hebben gegeven aan anderen om de doelbijdrage te leveren.

Als een doelbijdrage is geleverd door de Limiteds verzoek ik u om voor de jaren 2008 t/m 2012 de volgende vragen te beantwoorden

- Welke doelbijdrage heeft iedere Limited geleverd om het groter doel te bereiken? Ik verzoek u om stukken te overleggen waaruit dit blijkt.

- Graag ontvang ik de NAW-gegevens van de personen die namens de Limiteds de doelbijdrage hebben geleverd.

4) De heer [J] sloot namens een andere partij met [eiser] het strategiedocument. Met

betrekking tot dit document verzoek ik u om de volgende vragen te beantwoorden.

- Graag ontvang ik het ondertekende originele strategiedocument (inclusief alle wijzigingen over 2008 t/m 2012).

- In welke hoedanigheid en in welke vorm was de heer [J] partij bij het document?

- Graag ontvang ik de heer [J] zijn NAW-gegevens en contactgegevens.

5) Met betrekking tot alle bestuurders van [I] Limited ontvang ik vanaf de oprichtingsdatum tot op heden stukken waaruit blijkt:

- dat een bestuurder is benoemd/aangesteld en is ontheven uit zijn functie;

- dat de bestuurder is gedechargeerd voor zijn gevoerde beleid;

- welke vergoeding door de bestuurder is ontvangen;

- de NAW-gegevens, geboortedatum en contactgegevens van de bestuurder.

6) U hebt gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de Foundation voor elk overgemaakt bedrag een distribution resolution maakt. De heer [Y] heeft gevraagd op welke wijze [eiser] communiceerde met de Foundation als hij een bedrag nodig had. Op deze vraag kwam geen concreet antwoord. Daarom verzoek ik u om die vraag alsnog te beantwoorden met overlegging van gegevens waaruit dit blijkt.

7) Om de activiteiten in 2008 en de volgende jaren in elkaars samenhang te beoordelen verzoek ik u om de volgende vragen te beantwoorden.

- Hoeveel bedraagt [eiser] zijn salaris uit [H] Ltd. vanaf 6 mei 2010 t/m 31 december 2010 en in de jaren 2011 en 2012. Graag gegevens meesturen waaruit dit blijkt.

- Hoe is [eiser] in de hiervoor vermelde periode verzekerd voor zijn ziektekosten? Stukken

meesturen waaruit dit blijkt met betalingsbewijzen van de premie.

- In de periode 6 mei 2010 t/m heden betaalde [eiser] rente/aflossing van zijn eigenwoninglening en alimentatie. Hiervoor is inkomen nodig. Graag ontvang ik betreffende de hiervoor vermelde periode de bankrekeningoverzichten waaruit de betalingen en inkomsten blijken.

- Graag de huurovereenkomst van de woning op Cyprus overleggen met de bankafschriften waaruit de betaalde huur, energie en overige huisvestingskosten blijken.

8) Heeft [eiser] buiten zijn inkomen van [H] Ltd. in de jaren 2010 t/m heden nog salaris of een andere vergoeding voor zijn werkzaamheden ontvangen? Zo ja, hoeveel per jaar en van wie.

9) Inmiddels is met een Russische partner een joint-venture opgericht. [I] Ltd. brengt een duurzame energieproduct wereldwijd op de markt. Hiervoor sluit [eiser] in de week van 14 november 2012 een financieringsovereenkomst met een Chinese partij. Inmiddels wordt in het 4e kwartaal 2012 al veel geïnvesteerd in opstarten distributie en verkoopketen. In het 1e kwartaal 2013 vindt de wereldwijde introductie plaats.

- Graag de joint-venture overeenkomst en financieringsovereenkomst overleggen en de aan de andere partij(en) verstrekte gegevens die ten grondslag liggen aan de overeenkomsten

- Ik verzoek u om de NAW-gegevens en contactgegevens van de partijen mee te sturen.

- Graag aangeven wanneer u de periode 2008 t/m 2012 naar Rusland en China bent gereisd.

- Ter verificatie ontvang ik graag een kopie van het volledige paspoort inclusief alle (visa)bladen

10) Het door [I] Ltd op de markt te brengen produkt heb ik nog de volgende vragen:

- Graag een ruime omschrijving geven van het product (werking, doel, nut, unieke verkooppunt verkoopbaarheid).

- Wie heeft het product ontwikkeld? NAW- en contactgegevens vermelden.

- Wie gaat het product produceren? NAW- en contactgegevens vermelden.

- Is het product beschermd middels patent of op andere wijze? Zo ja, wie bezit de rechten en voor welke landen? Graag gegevens overleggen waaruit dit blijkt.

11) Volgens de aanvulling op het bezwaarschrift heeft mevrouw [AA] [eiser] gewezen op het bestaan van de heer [N] . De heer [N] van [Q] Ltd. heeft de Distribution resolutions ondertekend waardoor [eiser] het geld ontving. Wat zijn de NAW- en contactgegevens van de heer [N] . Wat is zijn relatie tot de [M] ?

Graag ontvang ik uw reactie binnen vier weken na dagtekening van dit schrijven.”

35. Hierop heeft de toenmalige gemachtigde van eiser gereageerd op 31 januari 2013. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft in zijn brief aangegeven eerst te willen weten wat de aanleiding en reden is voor de gevraagde informatie.

36. Verweerder heeft daarop in zijn brief van 15 maart 2013 aan de toenmalige gemachtigde van eiser gewezen op de tekst van artikel 47, eerste lid, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), benadrukt dat geen sprake is van een fishing expedition en vermeld dat de vragen zijn gesteld om zo nauwkeurig mogelijk inzicht te krijgen in de onderhavige situatie en zodoende om op basis van concrete feiten te kunnen vaststellen of en in hoeverre de navorderingsaanslag eventueel te hoog is vastgesteld. In de brief heeft verweerder daarnaast de volgende aanvullende vragen gesteld:

“1. [Eiser] is bij uitstek de werknemer/bestuurder die kennis heeft van [G] ., [H] Ltd. en [I] Ltd.. Heeft [eiser] of is namens hem op enig ogenblik contact geweest met het [P] ? Zo ja, wanneer en waaruit hebben de contacten bestaan. Heeft het [P] contracten opgemaakt waarbij [eiser] betrokken was?

2. Heeft [eiser] een factuur of facturen van [O] Ltd. te [r] ontvangen en is of zijn deze door hem of namens betaald? Heeft een rechtspersoon waar uw cliënt bestuurder is of was zo’n factuur betaald?”

37. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft hierop op 17 april 2013 een reactie gestuurd zonder in te gaan op de gestelde vragen. Daarop heeft verweerder op 25 april 2013 een dringend verzoek aan (de toenmalige gemachtigde van) eiser gedaan antwoord te geven op de vragen en de gevraagde stukken te overleggen.

38. In de periode van 4 juni tot en met 11 oktober 2013 heeft er een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen verweerder en de huidige gemachtigde van eiser.

39. De huidige gemachtigde van eiser heeft een inhoudelijke reactie gegeven op 1 november 2013.

40. Met dagtekening 15 november 2013 is de informatiebeschikking voor het jaar 2008 vastgesteld. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“In verband met het behandelen van het bezwaarschrift [IB/PVV] over het jaar 2008 t.n.v. [eiser] is u verzocht om inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [eiser] te overleggen.

(…). Ik constateer dat [eiser] niet of niet geheel aan de informatieverzoeken van mijn brieven van 22 november 2012 en 15 maart 2013 heeft voldaan. Inhoudelijk is er geen antwoord gegeven.

(…)

2 Informatiebeschikking

Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat [eiser], (…), niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR.

De volgende vragen van mijn brieven van 22 november 2012 en van 15 maart 2013 zijn inhoudelijk niet beantwoord: het gaat om de vragen 1) t/m 11) uit mijn brief 22 november 2012 (…) en de vragen 1. en 2. van mijn brief 15 maart 2013 (…). Ik geef daarom de informatiebeschikking af.”

41. Met dagtekening 29 november 2013 zijn de informatiebeschikkingen voor het jaar 2010 vastgesteld. In de brieven is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“In verband met het behandelen van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag [IB/PVV] over het jaar 2008 t.n.v. [eiser] is verzocht inlichtingen te overleggen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [eiser]. In de brief van 22 november 2012 is gevraagd informatie te geven die ook van belang kan zijn voor de aanslagregeling [in de andere brief: voor het opleggen van een conserverende aanslag] [IB/PVV] 2010.

Tevens is op 15 maart 2013 een nadere vragenbrief gestuurd waarvan de beantwoording eveneens betrekking kan hebben op de aanslagregeling 2010.

Op 7 oktober 2013 heb ik een rappel gestuurd met het verzoek de gevraagde informatie als nog toe te sturen. Op 2 november 2013 is uw reactie per email ontvangen. Ik constateer dat [eiser] niet of niet geheel aan de informatieverzoeken van mijn brieven van 22 november 2012 en 15 maart 2013 heeft voldaan. Inhoudelijk is er geen antwoord gegeven.

(…)

2 Informatiebeschikking

Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat [eiser] (…), niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR.

De vragen van mijn brieven van 22 november 2012 en van 15 maart 2013 zijn ook gesteld voor de aanslagregeling van 2010 maar zijn inhoudelijk niet beantwoord: het gaat om de vragen 1) t/m 11) uit mijn brief van 22 november 2012 (…) en de vragen 1. en 2. van mijn brief 15 maart 2013 (…). Ik geef daarom de informatiebeschikking af voor de aanslagregeling [IB/PVV] 2010 over de periode dat [eiser] in dat jaar binnenlands belastingplichtig was [in de andere brief: ter zake van het opleggen van een conserverende aanslag IB/PVV 2010 t.n.v. [eiser]].”

42. Namens eiser heeft zijn gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikkingen. Het bezwaarschrift gericht tegen de informatiebeschikking inzake de conserverende aanslag IB/PVV 2010 is gedagtekend 8 januari 2014. Het bezwaarschrift gericht tegen de informatiebeschikking inzake de aanslagregeling IB/PVV 2010 over de periode dat eiser binnenlands belastingplichtig was, is gedagtekend 16 januari 2014 en door verweerder ontvangen op 20 januari 2014.

43. In de daarop volgende periode hebben partijen geprobeerd een vaststellingovereenkomst te sluiten ter afhandeling van alle lopende zaken. In dat kader heeft op 17 maart 2016 een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder.

44. Het is partijen niet gelukt tot overeenstemming met elkaar te komen. Op 22 juli 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder.

45. Op 28 februari 2017 en 2 maart 2017 heeft verweerder uitspraken op bezwaar gedaan waarbij de bezwaren van eiser zijn afgewezen.

46. Verweerder heeft bij brief van 20 september 2018 een nader stuk met bijlagen ingezonden. Uit die stukken blijkt dat eiser met betrekking tot de rekening van [K] SA een “adviesmandaat” heeft ondertekend ten behoeve van de bank en een verklaring heeft afgegeven dat hij niet de Amerikaanse nationaliteit heeft. Uit de bij de mutaties van de bankrekening behorende stukken blijkt dat eiser zelf, zonder tussenkomst van een ander, geld opnam van de bankrekening van [K] SA. De opnamestukken zijn door hem zelf ondertekend. Uit de mutaties van de bankrekening van [K] SA over 2008 en 2009 blijkt dat op deze bankrekening betalingen worden ontvangen van [I] Ltd. Het door [K] SA van [I] Ltd. ontvangen bedrag wordt doorgestort naar [AE] , bankrekening nr. [#a] (hierna: [AE] ). De bankrekening van deze foundation wordt gebruikt om van diverse Ltds. gelden te ontvangen en direct door te betalen aan de betrokkenen bij die Ltd. Evenals [M] komt de foundation voor in de Panama Papers en is zij terug te vinden in de Offshore Leaks Database.

47. De door [K] SA aan [AE] overgemaakte bedragen werden vervolgens door [AE] , vaak al de volgende dag, overgemaakt naar de Luxemburgse privérekening bij de [L] (nr. [#] ) van eiser. Eiser heeft bedragen ontvangen van [M] . Hij heeft verklaard dat het om schenkingen ging. Uit de stukken blijkt dat de bedragen zijn overgemaakt door [AE] . De betalingen door [AE] sluiten aan bij de in het dossier aanwezige “Distribution resolution of the [M] in respect of [## 1] ”. Ze zijn op of rond de datum die op die stukken staat vermeld, door [AE] overgemaakt naar de Luxemburgse privébankrekening van eiser. Eiser heeft vervolgens van deze rekening bedragen overgemaakt naar zijn Nederlandse [E] . Op dezelfde datum waarop hij de rekening van [K] SA ophief, heeft eiser zijn Luxemburgse privérekening opgeheven. Het saldo van deze rekening werd eveneens overgemaakt naar de Cypriotische bankrekening van [I] Ltd. Uit de stukken blijkt ten slotte dat [M] één aandeel van $ 1 in [K] SA heeft en de enige aandeelhouder van [K] SA is.

Geschil
48. In geschil is of de informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven.

49. Eiser stelt dat hij de vragen van verweerder heeft beantwoord en dat hij ten aanzien van enkele vragen niet in het bezit is van de gegevens waarnaar verweerder vraagt. Daarnaast stelt eiser dat verweerder zijn inspanningen om de gegevens op te vragen ten onrechte als onvoldoende heeft beschouwd. Ook neemt verweerder ten aanzien van enkele stukken ten onrechte aan dat sprake is van bestaande stukken. Verweerder heeft bij het afgeven van de informatiebeschikkingen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de informatiebeschikkingen.

50. Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd bestreden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

51. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

52. De rechtbank dient alvorens op de in geschil zijnde informatiebeschikkingen in te kunnen gaan, ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift ten aanzien van de voor het jaar 2010 afgegeven informatiebeschikking die ziet op de periode dat eiser binnenlands belastingplichtig was, te beoordelen. Ten aanzien hiervan oordeelt de rechtbank als volgt.

53. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de AWR in samenhang met artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

54. De dagtekening van de informatiebeschikking is 29 november 2013. Het voorgaande betekent dat de bezwaartermijn in beginsel is aangevangen op 30 november 2013 en geëindigd op 11 januari 2014. Het bezwaarschrift is door verweerder op 20 januari 2014, derhalve na het einde van de termijn, ontvangen.

55. Het bezwaarschrift vermeldt dat de gemachtigde van eiser niet eerder dan op

15 januari 2014 bekend is geworden met de informatiebeschikking, namelijk in een telefoongesprek met verweerder op die datum. De rechtbank acht het aannemelijk dat (de gemachtigde van) eiser niet eerder dan op 15 januari 2014 bekend is geraakt met de informatiebeschikking. Dat betekent dat de bezwaartermijn niet op 30 november 2013 is aangevangen maar op 16 januari 2014. Nu het bezwaarschrift door verweerder op 20 januari 2014 is ontvangen, moet worden geoordeeld dat tijdig bezwaar is gemaakt. Aangezien er ook overigens geen redenen zijn om het bezwaar niet-ontvankelijk te achten, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze en de andere informatiebeschikkingen.

Informatiebeschikkingen

56. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de AWR dienen de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt en wel binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 van de AWR is voldaan. Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

57. Voor het bestaan van de ingevolge artikel 47 van de AWR op iemand rustende verplichting is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Het ligt op de weg van verweerder om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij zich in redelijkheid op bedoeld standpunt kan stellen.

58. Verweerder heeft aangevoerd dat de aan eiser gestelde vragen met name bedoeld waren om vast te stellen wie in 2008, 2009 en 2010 de uiteindelijk gerechtigde tot [G] ., [H] Ltd. en [I] Ltd. was en op welke wijze de door eiser van [M] ontvangen bedragen in de heffing moeten worden betrokken. Naar de mening van verweerder zijn de vragen daarover van belang voor de belastingheffing bij eiser. Verweerder acht het onder andere niet aannemelijk dat een willekeurige derde, zonder om enige tegenprestatie te vragen, een bedrag van ten minste € 125.000 zou schenken. Verweerder stelt dat geen sprake is van een ‘fishing expedition’. Om te kunnen beoordelen of de door eiser ontvangen bedragen van [M] belast dienen te worden in Nederland, moet hij weten waar het geld vandaag komt, wat de relatie is met de diverse Ltd.’s en wat de rol van eiser is in de structuur waarvan de Ltd.’s deel uitmaken. De gestelde vragen vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR, aldus verweerder. Tot slot heeft verweerder gesteld dat ook met de ter zitting verstrekte gegevens, eiser slechts zeer beperkt antwoord heeft gegeven op enkele gestelde vragen en op het grootste deel van de vragen nog steeds geen antwoord is gegeven.

59. Eiser heeft gesteld dat hij van het begin af aan de zakelijke motivering en de achtergrond van zijn handelen aan verschillende inspecteurs voldoende heeft toegelicht. Aan de hand van de door hem ter zitting overgelegde stukken heeft eiser willen aantonen dat er een omvangrijke en ontlastende substance had moeten worden onderzocht door verweerder. Dat is niet gebeurd en om die reden moeten de informatiebeschikkingen worden ingetrokken, aldus eiser. Voorts heeft eiser gesteld dat het afgeven van de informatiebeschikkingen voor hem desastreuze gevolgen had. Onder andere de bank waarmee eiser al zijn leven lang samenwerkte, vertrouwde hem niet meer. Eiser is van mening dat als verweerder normaal onderzoek had gepleegd en zich met interesse in de activiteiten van eiser had verdiept, [H] Ltd. nog had bestaan met vele miljoenen belastingafdracht tot gevolg. Er was geen noodzaak voor de aanname van verweerder dat er sprake was van kwade trouw en een omslachtige ontwijking van belastingheffing, aldus eiser. Dit blijkt namelijk duidelijk uit de zakelijke activiteiten en uit de overboeking die eiser heeft gedaan van de Luxemburgse rekening naar zijn eigen Nederlandse rekening bij de [E] . Het lage startsalaris is het gevolg van de levensvatbaarheid van de onderneming en de ‘leegloopuren’ in het beginstadium, aldus nog steeds eiser. Tot slot stelt eiser dat er in het geheel geen grond meer is voor de aanname dat eiser de beneficial owner is of zelfstandig kan beschikken over welke reserve dan ook. Dit volgt volgens eiser uit de door hem ter zitting overgelegde stukken. Ook valt de uitgekeerde schenking in het niet vergeleken bij de werkelijke omvang van de omzet.

60. Bij de beoordeling van de vraag of de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen heeft verweerder de bewijslast. Dat wil zeggen dat hij de partij is die aannemelijk moet maken dat eiser niet voldaan heeft aan zijn inlichtingenplicht. Verweerder zal dus aannemelijk moeten maken dat eiser in staat was gegevens of inlichtingen te verstrekken, maar dat niet gedaan heeft. Daarbij geldt dat een belastingplichtige niet verplicht kan worden tot het verstrekken van inlichtingen waarover hij niet beschikt en niet kan beschikken.

61. Gelet op de vermelde feiten is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat eiser door het inschakelen van [P] en de Cypriotische tak van dat bedrijf en werknemers daarvan, een in het buitenland gevestigde structuur heeft opgetuigd. Dit had geen ander doel dan om met behulp van buitenlandse rechtspersonen en entiteiten de uit persoonlijke arbeid van eiser gegenereerde inkomsten en/of vermogensbestanddelen (aandelenpakketten dan wel de uiteindelijke economische gerechtigdheid tot die vermogensbestanddelen) aan het zicht van de Nederlandse Belastingdienst te onttrekken. Daarbij wijst de rechtbank op hetgeen is vast komen te staan met betrekking tot onder meer de betalingen van eiser aan [P] , de in Luxemburg aangehouden bankrekening bij de [L] , het bij herhaling wijzigen van de diverse naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen waarvoor eiser naar eigen zeggen werkzaamheden heeft verricht en waarvan hij naar eigen zeggen niet weet wie de aandeelhouders en/of bestuurders zijn (ook in de gevallen waarin vaststaat dat eiser (mede)bestuurder is geweest) en de gerechtigdheid van eiser tot [M] en [## 1] alsmede tot [K] SA. Eiser heeft daar naar het oordeel van de rechtbank geen overtuigend betoog tegenover gezet, ook niet met de inhoud van de enveloppe die tijdens de mondelinge behandeling van de beroepen is overgelegd en waarop verweerder gemotiveerd heeft gereageerd. De rechtbank kan aan de stukken uit de enveloppe geen feiten ontlenen welke gevolgen hebben voor de onderhavige jaren. De samenwerking met Turkse en Chinese contractspartijen als zodanig geeft geen inzicht in de (aard van de) geldstromen en eisers gerechtigdheid daartoe in de onderhavige jaren.

62. Dat in dit verband onder meer sprake zou zijn geweest van schenkingen, met andere woorden: onverplichte betalingen uit liberaliteit en niet als tegenprestatie voor verrichte persoonlijke werkzaamheden, acht de rechtbank niet aannemelijk. Het beeld dat uit de feiten naar voren komt is naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in staat is geweest om op elk door hem gewenst tijdstip gelden tot een door hem gewenste omvang zich te doen toekomen uit de buitenlandse structuur. Een structuur die hij naar believen kon en kan aanpassen en ook heeft aangepast blijkens het feitenoverzicht.

63. Uit het voorgaande volgt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing bij eiser.

Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur

64. Eiser heeft zich nog op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van het jaar 2008 in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. De strijd met het vertrouwensbeginsel zit volgens eiser in de brief van 16 februari 2015 van verweerder waarin staat vermeld dat vraag 7 uitsluitend van belang is voor de belastingheffing over de jaren 2010 en verder. Vervolgens heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2017 – in afwijking van de brief van 16 februari 2015 – vraag 7 toch ook relevant geacht voor het jaar 2008.

65. Ten aanzien hiervan oordeelt de rechtbank dat eiser aan de brief van 16 februari 2015 geen rechtens te beschermen vertrouwen kan ontlenen. De brief van 16 februari 2015 bevat enkel het voornemen van verweerder over de wijze van de afhandeling van het bezwaar tegen de informatiebeschikkingen; van een bindende toezegging is geen sprake. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder in de uitspraak op bezwaar als reden voor het betrekken van vraag 7 op het jaar 2008 heeft gegeven dat het door eiser genoten salaris over 2008 in beginsel te laag was om van te leven met zijn gezin en dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het lage salaris. Als zou blijken dat na de emigratie in 2010 het salaris aanzienlijk hoger is vastgesteld, dan zouden daaruit mede conclusies getrokken kunnen worden over de hoogte van het gebruikelijk loon over 2008. Een vergelijkbare reden was reeds opgenomen in de brief van 16 februari 2015, namelijk dat de in vraag 7 gevraagde informatie ook van belang kon zijn om de zakelijkheid van het salaris over 2008 te kunnen beoordelen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

66. Ten aanzien van alle onderhavige jaren heeft eiser daarnaast gesteld dat gezien de feiten en omstandigheden, verweerder op basis van de redelijkheid en billijkheid niet tot zijn conclusie – het nemen van de informatiebeschikkingen – kon komen zonder daarmee de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te schenden. Ook deze stelling moet worden verworpen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zouden de door verweerder gevraagde gegevens en bescheiden van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van eiser. Er is geen sprake van ‘overvragen’. Bovendien is de informatiebeschikking niet genomen voordat verweerder een boekenonderzoek heeft ingesteld, in gesprek is gegaan met eiser en er eerdere verzoeken tot het verstrekken van informatie zijn gedaan. Daar komt bij dat verweerder in de informatiebeschikking uitgebreid heeft vermeld om welke informatie is verzocht en waarom deze van belang kan zijn voor de belastingheffing.

Slotsom

67. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

68. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak te voldoen aan de in de beschikkingen van 15 november 2013 en 29 november 2013 opgenomen verplichtingen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en mr. C. Maas, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.