Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1562

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
7990816 AO VERZ 19-52
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zijn werkgever op ernstige wijze heeft bedrogen en misleid. Daarom worden de vorderingen van de werkgever tot schadevergoeding en terugbetaling van loon, en ten aanzien van een deel van de werkelijke en volledige (proces)kosten, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0283
JAR 2020/79 met annotatie van Eck, M. van
RAR 2020/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./repnr.: 7990816 \ AO VERZ 19-52

Uitspraakdatum: 27 februari 2020 (bij vervroeging)

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Royaal Vastgoed B.V.

gevestigd te Zaandam

verzoekende partij

verder te noemen: Royaal Vastgoed

gemachtigde: mr. L.M. Noordzij

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. M.J.R. Roethof

1 Het procesverloop

1.1.

Royaal Vastgoed heeft een verzoek gedaan om [verweerder] onder meer te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding.

1.2.

Op 16 september 2019 en 13 februari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Royaal Vastgoed heeft ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting van 13 februari 2020 hebben partijen bij brieven van 7 oktober 2019 en 24 oktober 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Royaal Vastgoed is een onderneming die zich bezighoudt met het kopen en verkopen van percelen grond, waarbij ook aan derden de mogelijkheid wordt geboden om te investeren in dergelijke percelen.

2.2.

[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1984, is op 11 februari 2019 in dienst getreden bij Royaal Vastgoed. [verweerder] was accountmanager met een salaris van € 2.400,00 bruto per maand.

2.3.

Als accountmanager was het de taak van [verweerder] om potentiële klanten te benaderen voor vastgoedprojecten. [verweerder] heeft daarover geregeld gesproken met de twee bestuurders en aandeelhouders van Royaal Vastgoed, [bestuurder 1] en [bestuurder 2] .

2.4.

In maart 2019 heeft [verweerder] aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] laten weten dat hij contacten had gelegd en mogelijke investeerders had gevonden voor een omvangrijk vastgoedproject dat een waarde van vijf tot 50 miljoen euro zou kunnen vertegenwoordigen. Daarbij heeft [verweerder] vermeld dat het ging om contacten met [contact 1] en [contact 2] , leden van de [naam familie] , één van de rijkste families van India, en dat zij bereid waren om te investeren in projecten van Royaal Vastgoed. Ook vertelde [verweerder] contact te hebben gelegd met [naam] , dochter van de eigenaar van [naam bedrijf] , een groot vastgoedbedrijf in Dubai, en dat ook zij interesse had in vastgoedprojecten met Royaal Vastgoed.

2.5.

Ten behoeve van de contacten met de door [verweerder] genoemde potentiële investeerders heeft Royaal Vastgoed een laptop en een e-mailaccount ter beschikking gesteld aan [verweerder] .

2.6.

[verweerder] heeft in het kader van de door hem genoemde contacten met [contact 1] op 14 maart 2018 vanaf zijn laptop een e-mail gestuurd aan het adres [e-mailadres 1] , waarin wordt verwezen naar een telefoongesprek eerder die week tussen [verweerder] en [contact 1] . Deze e-mail is door [verweerder] doorgestuurd aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] .

2.7.

[verweerder] heeft met [bestuurder 1] en [bestuurder 2] besproken dat hij vanwege de onderhandelingen met [contact 1] en [contact 2] naar Mumbai (India) zou gaan. [verweerder] en [bestuurder 2] zijn vervolgens op 18 maart 2019 samen naar Mumbai gereisd. [verweerder] deelde [bestuurder 2] op 21 maart 2019 ter plaatse mee dat die dag een bespreking zou plaatsvinden met [contact 1] en [contact 2] , maar dat [contact 1] en [contact 2] geen zaken wilden doen met een onbekende en alleen met [verweerder] wilden spreken. [bestuurder 2] heeft geen contact gehad met [contact 1] en [contact 2] .

2.8.

Op 21 maart 2019 heeft [verweerder] aan [bestuurder 2] meegedeeld dat het gesprek van 21 maart 2019 succesvol was verlopen en dat er een overeenkomst was getekend. In een door [verweerder] aan [bestuurder 2] overhandigde schriftelijke overeenkomst staat dat [contact 1] en [contact 2] op 21 maart 2019 een koopovereenkomst zijn aangaan met Royaal Vastgoed, voor de koop van percelen grond in Nederland ter waarde van 30 miljoen euro. Onder de namen van [contact 1] en [contact 2] in de schriftelijke overeenkomst staan handtekeningen.

2.9.

[verweerder] vertelde na terugkeer in Nederland aan [bestuurder 2] en [bestuurder 1] dat hij [contact 1] en [contact 2] telefonisch had gesproken en dat zij in een e-mail van 3 april 2019 hadden bevestigd dat zij een eerste bedrag van 17 miljoen euro hadden overgemaakt aan Royaal Vastgoed. Royaal Vastgoed kreeg op 3 april 2019 van [verweerder] een “Statement of Account” van de bank Emirates NBD, één van de grootste bankgroepen in het Midden-Oosten. Op deze“Statement of Account” stonden de namen van [contact 1] en [contact 2] en de vermelding van een overboeking op 2 april 2019 aan een notariskantoor van een bedrag van ruim 19 miljoen dollar, met de melding “Approved by Mr. [verweerder] ”. Er volgde geen betaling.

2.10.

Nadat betaling uitbleef en [bestuurder 1] en [bestuurder 2] daarover navraag hadden gedaan, deelde [verweerder] op 4 april 2019 mee dat [contact 1] en [contact 2] hadden aangegeven dat zij problemen hadden met de betaling. Op verzoek van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] benaderde [verweerder] een notaris in Nederland en Dubai om één en ander te regelen.

2.11.

Op 9 april 2019 heeft [verweerder] aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] laten weten dat [contact 1] en [contact 2] met hun accountant contact hadden over de betaling en dat zij het voornemen hadden om nog meer te investeren via Royaal Vastgoed.

2.12.

[verweerder] zond op 10 april 2019 aan Royaal Vastgoed een e-mail door van 10 april 2019, waarin [contact 1] en [contact 2] meedelen dat zij de komende jaren nog ruim 300 miljoen dollar kunnen investeren.

2.13.

Op 16 en 17 april 2019 ontvangt Royaal Vastgoed van [verweerder] een nieuwe “Statement of Account” waarin een overboeking van ruim 33 miljoen dollar wordt genoemd. Betaling vond niet plaats.

2.14.

Op of rond 25 april 2019 vertelde [verweerder] aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] dat hij op uitnodiging van [contact 1] en [contact 2] in mei 2019 opnieuw naar Mumbai wilde gaan om zaken te bespreken. [verweerder] is voor Royaal Vastgoed naar Mumbai geweest in de periode van 9 tot en met 16 mei 2019. [verweerder] deelde [bestuurder 1] en [bestuurder 2] mee dat [contact 1] in een gesprek op 10 mei 2019 had aangegeven dat betaling nog op zich liet wachten vanwege een vroege sluiting van de bank.

2.15.

Op 16 mei 2019 ontving Royaal Vastgoed opnieuw een “Statement of Account” van [verweerder] , dit keer voor een betaling van ruim 34 miljoen dollar. Er volgde geen betaling.

2.16.

Aan Royaal Vastgoed werd op 25 mei 2019 door [verweerder] meegedeeld dat [contact 1] en [contact 2] eerdergenoemde overeenkomst op een andere naam wilden zetten, namelijk op naam van [contact 3] . [verweerder] liet daarbij weten dat hij voor ondertekening van de nieuwe overeenkomst naar Dubai moest reizen. [verweerder] informeerde Royaal Vastgoed dat deze bespreking in Dubai pas medio juli 2019 kon plaatsvinden, omdat [contact 2] tijdens een vliegreis in Amerika gewond was geraakt en later aan die verwondingen was overleden.

2.17.

Op 10 juli 2019 is [verweerder] samen met [bestuurder 1] naar Dubai gereisd om de overeenkomst met [contact 1] en [contact 3] te sluiten. Ook dit keer vertelde [verweerder] aan [bestuurder 1] dat [contact 1] en [contact 3] het niet op prijs stelden als [bestuurder 1] bij de bespreking aanwezig was.

2.18.

[verweerder] heeft [bestuurder 1] rond 21 juli 2019 een nieuwe schriftelijke overeenkomst overhandigd, gedateerd 21 juli 2019 en ondertekend door [contact 3] , voor de koop van percelen grond in Nederland voor een koopprijs van 112 miljoen euro. Er volgde geen betaling.

2.19.

Op 30 juli 2019 vertelde [verweerder] aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] dat [naam bedrijf] ook nog steeds

geïnteresseerd was in investeringen via Royaal Vastgoed. In dat kader stuurde [verweerder] een e-mail door van [naam bedrijf] , van het adres [e-mailadres 2]

2.20.

Omdat betalingen nog steeds uitbleven, is bij Royaal Vastgoed twijfel ontstaan over het waarheidsgehalte van de mededelingen van [verweerder] over de contacten met [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] . Royaal Vastgoed heeft haar eigen IT-afdeling vervolgens onderzoek laten doen, waaruit naar voren is gekomen dat de tientallen e-mails gericht aan [verweerder] vanaf het e-mailadres “ [e-mailadres 3] ” zijn verzonden vanuit Nederland en niet vanuit India of elders. Verder is gebleken dat e-mails gericht aan [verweerder] vanaf adressen met domeinnamen “ [e-mailadres 4] ” en “ [e-mailadres 5] ” niet daadwerkelijk verzonden kunnen zijn, omdat die domeinnamen niet bestaan. Royaal Vastgoed heeft daarom geconcludeerd dat alle e-mails van en aan [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] onecht zijn. Verder heeft Royaal Vastgoed de verschillende versies van de “Statement of Account” nader onderzocht en is zij tot de conclusie gekomen dat deze allemaal vervalst moeten zijn.

2.21.

[bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben [verweerder] in een gesprek op 8 augustus 2019 verzocht om tekst en uitleg te geven over hun bevindingen ten aanzien van de e-mails en de verschillende versies van de “Statement of Account”, zoals hiervoor weergegeven onder punt 2.20. [verweerder] heeft in dat gesprek geen verklaring daarvoor kunnen geven.

2.22.

Royaal Vastgoed heeft [verweerder] op 8 augustus 2019 op staande voet ontslagen. Dat ontslag is bevestigd in een brief van diezelfde datum. In die brief is als dringende reden voor dat ontslag onder meer het volgende genoemd:

“Jij hebt ons voorgehouden dat jij contacten had in Dubai die jou zouden hebben benaderd c.q. die jij zelf zou hebben benaderd. Deze contacten zouden geïnteresseerd zijn om te investeren in (Nederlands) vastgoed. Jij kwam met de voornamen “ [contact 1] ” en “ [contact 2] ” van de familie “ [naam familie] ”, woonachtig in zowel Dubai als India. Ook zou een zekere Leila [naam bedrijf] contact met jou hebben opgenomen. Sinds medio maart 2019 heb jij de volledige vrijheid verkregen om enkel jouw werktijd te besteden aan deze vermeende investeerders. Jij hebt geen andere werkzaamheden meer verricht. Ook ben jij een keer naar India en twee keer naar Dubai afgereisd, waar jij verbleef in dure hotels. Dit alles op onze kosten. Ondanks diverse toezeggingen van jouw kant en van deze vermeende “ [contact 1] ” en “ [contact 2] ” “ [naam familie] ”, ontvingen wij geen enkel bedrag van deze vermeende investeerders. Ook mochten wij deze vermeende investeerders van jou niet spreken en niet ontmoeten. Dit zou volgens jou de handelsrelatie schaden en de kans verkleinen dat deze vermeende investeerders daadwerkelijk over zouden gaan tot het doen van een investering. Deze omstandigheden waren voor ons aanleiding om een onderzoek in te stellen.

Recent hebben wij moeten ontdekken dat meerdere e-mails (...) nep zijn. Naast bovenstaande is ons uit nader onderzoek gebleken dat de statement of accounts die wij via jou van de vermeende familie [naam familie] ontvingen vervalst zijn. Bij een nadere blik blijken deze statement of accounts immers onjuistheden te bevatten. Onjuistheden die (geautomatiseerde) documenten van grote financiële instellingen, zoals de Emirates NBD Bank, niet hebben.

Met de hiervoor omschreven omstandigheden heb jij ons aanzienlijke schade toegebracht. Jij hebt ons dus moedwillig misleid door:

a. het vertellen van kennelijke onwaarheden, waaronder het vertellen van verschillende verhalen omtrent vermeende investeerders die interesse zouden hebben om in Nederlands vastgoed te investeren;

b. e-mails namens de vermeende Indiase familie “ [naam familie] ” direct dan wel indirect vanuit Nederland te verzenden;

c. e-mails na te bootsen afkomstig van niet bestaande domeinnamen en;

d. ons diverse onechte statement of accounts toe te sturen.

Vandaag, op 8 augustus 2019 hebben wij jou in de gelegenheid gesteld om op onze constateringen tot dat moment te reageren. Jij hebt geen of geen afdoende verklaring kunnen geven. (...) Los van verdere eventuele onregelmatigheden die nog boven zouden kunnen komen, leidt alles wat door ons vandaag is besproken er voor ons dan ook toe dat door jouw handelen ons vertrouwen in jou zodanig ernstig is geschaad dat zulks aangemerkt wordt als een dringende reden voor een ontslag op staande voet.”

2.23.

Op verzoek van Royaal Vastgoed heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) een onderzoek gedaan naar de handelingen en gedragingen van [verweerder] . In een rapport van 10 september 2019 is als (voorlopige) conclusie neergelegd dat [verweerder] alle communicatie van en met [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] , en alle versies van de “Statement of Account”, zelf heeft gemaakt, heeft geregisseerd en in scene heeft gezet.

3 Het verzoek

3.1.

Royaal Vastgoed verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 4.515,10, tot terugbetaling van € 10,800,00 aan onterecht betaald

salaris, en tot betaling van schadevergoeding, bestaande uit € 28.147,72 aan reis- en verblijfkosten en € 136.680,00 aan gederfde winst. Verder wordt verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten van Hoffmann van € 9.152,92, tot betaling van beslagkosten en buitengerechtelijke kosten, en tot betaling van de volledige proceskosten van € 15.754,82.

3.2.

Royaal Vastgoed legt aan haar verzoek ten grondslag – kort weergegeven – dat [verweerder] Royaal Vastgoed om de tuin heeft geleid door gedurende een lange periode onwaarheden te vertellen over vermeende rijke buitenlandse investeerders die interesse zouden hebben om in Nederlands vastgoed te investeren, en door e-mails van deze vermeende investeerders na te bootsen en aan Royaal Vastgoed onechte documenten toe te sturen, met de opzet om Royaal Vastgoed in de waan te laten zaken te doen met de wereldwijde succesvolle Indiase familie [naam familie] . Daarmee heeft [verweerder] volgens Royaal Vastgoed door opzet of schuld een dringende reden gegeven voor ontslag op staande voet en heeft [verweerder] door opzet of bewuste roekeloosheid schade toegebracht aan Royaal Vastgoed, waarvoor hij aansprakelijk is.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek. [verweerder] heeft gesteld dat hij berust in het ontslag, maar dat hij daarmee niet erkent dat er een dringende reden voor het ontslag aanwezig is. Daarbij heeft [verweerder] opgemerkt dat hij om proceseconomische redenen niet verder zal ingaan op de stellingen van Royaal Vastgoed, behoudens waar het gaat om verweer tegen de (hoogte van de) gevorderde vergoedingen en de schadevergoeding.

4.2.

Volgens [verweerder] moet de gefixeerde schadevergoeding worden beperkt tot het bedrag aan salaris over de periode van 8 augustus 2019, de datum van het ontslag op staande voet, tot 12 augustus 2019, omdat de arbeidsovereenkomst op die laatste datum van rechtswege afliep. De gevorderde reis- en verblijfkosten zijn naar de mening van [verweerder] niet toewijsbaar, omdat die kosten onnodig hoog zijn en voor eigen rekening van Royaal Vastgoed moeten komen. [verweerder] stelt dat er geen grondslag is om hem te veroordelen tot terugbetaling van salaris, omdat hij daarop recht heeft op grond van de arbeidsovereenkomst en er door hem arbeid is verricht. [verweerder] betwist dat Royaal Vastgoed de door haar gestelde omzetschade zou hebben geleden, en hij meent dat die schade niet is onderbouwd en op onjuiste cijfers en berekeningen berust. Ook heeft Royaal Vastgoed haar schadebeperkingsplicht geschonden, aldus [verweerder] . Verder bestrijdt [verweerder] de gevorderde beslagkosten, incassokosten, volledige proceskosten en de kosten van Hoffmann.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en tot terugbetaling van loon.

5.2.

Een werknemer die door opzet of schuld aan de werkgever een dringende reden heeft gegeven voor een ontslag op staande voet, is op grond van de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aan die werkgever een vergoeding verschuldigd, de zogenoemde gefixeerde schadevergoeding (artikel 7:677 lid 2 BW).

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat Royaal Vastgoed moet worden gevolgd in haar stelling dat [verweerder] alle contacten met [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] , alle versies van de “Statement of Account”, alle overeenkomsten met [contact 1] en [contact 2] , en alle verhalen over de interesse van rijke investeerders in een relatie met Royaal Vastgoed, heeft verzonnen en in scene heeft gezet. Uit de stukken en het rapport van Hoffmann blijkt immers duidelijk dat alle e-mails van [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] vals zijn, omdat deze afkomstig zijn uit Nederland, en niet uit India of elders, dan wel afkomstig zijn van niet bestaande e-mailadressen en domeinnamen, en dat alle versies van de “Statement of Account” zijn vervalst.

5.4.

[verweerder] blijft volhouden dat de door hem genoemde contacten met [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] wel echt zijn, maar hij heeft tegenover de bevindingen van Royaal Vastgoed en Hoffmann geen enkel bewijs, geen enkel stuk en geen enkel argument kunnen inbrengen ter ondersteuning van zijn standpunt. [verweerder] had bijvoorbeeld eenvoudig een verklaring kunnen overleggen van [contact 1] of [naam bedrijf] , maar dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter betwijfelt of de door [verweerder] genoemde [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] wel daadwerkelijk bestaan, want ook daarover heeft [verweerder] geen enkele opheldering verschaft. In ieder geval is er niets waaruit blijkt dat [verweerder] met de genoemde personen daadwerkelijk contact heeft gehad.

5.5.

In zijn eerste verweerschrift heeft [verweerder] erkend dat de e-mails aan en van [contact 1] en [naam bedrijf] , en alle versies van de “Statement of Account” vervalst zijn. Volgens [verweerder] is hij daarvoor niet verantwoordelijk, maar [bestuurder 1] en [bestuurder 2] . [verweerder] stelt dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] voor die vervalsingen de laptop van [verweerder] hebben gebruikt, waar zij volgens [verweerder] ook toegang toe hadden. Verder zouden [bestuurder 1] en [bestuurder 2] ook de opdracht hebben gegeven aan [verweerder] om valse e-mails van [contact 1] , [contact 2] of [naam bedrijf] aan zichzelf te sturen. Ook voor die stelling van [verweerder] is geen enkele steun te vinden en [verweerder] heeft op de zittingen niet kunnen uitleggen waarom [bestuurder 1] en [bestuurder 2] dat allemaal zouden hebben gedaan. Bovendien heeft de kantonrechter met partijen op de zitting van 16 september 2019 videobeelden bekeken van eerdergenoemd gesprek op 8 augustus 2019, waaruit onder meer blijkt dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] aan [verweerder] vragen wat het wachtwoord is van de laptop van [verweerder] , waarop [verweerder] dat wachtwoord geeft. Hieruit blijkt dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] dat wachtwoord niet kenden en dus geen toegang hadden tot de laptop van [verweerder] . Ook blijkt uit die opname dat [verweerder] met geen woord rept over zijn stelling dat hij de valse e-mails en stukken in opdracht van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zou hebben gemaakt, wat voor de hand zou hebben gelegen als dat echt het geval was geweest.

5.6.

De kantonrechter kan dus niet anders dan concluderen dat [verweerder] zijn werkgever Royaal Vastgoed op ernstige wijze heeft bedrogen en misleid, en in dat bedrog en die misleiding is blijven volharden, ook in deze procedure.

5.7.

Dit bedrog door [verweerder] leverde een dringende reden op voor het ontslag op staande voet op 8 augustus 2019. De aard en ernst van dit bedrog brengt ook mee dat [verweerder] die dringende reden heeft gegeven door opzet of schuld. [verweerder] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat opzet of schuld ontbreekt. Royaal Vastgoed kan daarom aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding.

5.8.

Die gefixeerde vergoeding is in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds kan worden opgezegd, zoals in dit geval, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:677 lid 3, onderdeel a, BW). De arbeidsovereenkomst had bij regelmatige opzegging niet langer voortgeduurd dan tot 12 augustus 2019, omdat de arbeidsovereenkomst toen van rechtswege afliep. De gefixeerde schadevergoeding is daarom gelijk aan het loon over de periode van 8 augustus 2019 tot en met 11 augustus 2019, te weten een bedrag van € 443,77. Daartoe zal [verweerder] worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van gehele betaling.

5.9.

De vordering van Royaal Vastgoed tot terugbetaling van loon kan worden toegewezen, op de volgende gronden.

5.10.

Volgens de wettelijke regels die van toepassing waren van 1 januari 2019 tot het ontslag op 8 augustus 2019, is geen loon verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht (artikel 7:627 (oud) BW).

5.11.

Royaal Vastgoed stelt terecht dat ervan moet worden uitgegaan dat [verweerder] vanaf medio maart 2019 de bedongen arbeid niet heeft verricht. Gelet op het hiervoor genoemde bedrog moet immers als vaststaand worden aangenomen dat [verweerder] vanaf medio maart 2019 uitsluitend bezig is geweest met activiteiten die te maken hebben met dat bedrog. Royaal Vastgoed heeft [verweerder] vanaf medio maart 2019 vrijgesteld van alle andere werkzaamheden, zodat [verweerder] zich uitsluitend heeft bezig gehouden met de inmiddels vals gebleken contacten en overeenkomsten met [contact 1] , [contact 2] en [naam bedrijf] . Het plegen van een dergelijk bedrog behoort niet tot de overeengekomen werkzaamheden van [verweerder] . [verweerder] heeft dus over de periode van medio maart 2019 tot en met de maand juli 2019 geen recht op loon. [verweerder] moet dat loon terugbetalen, omdat hem gelet op het bedrog ook redelijkerwijs duidelijk had kunnen of behoren te zijn dat hij daarop geen recht had.

5.12.

Niet betwist is dat [verweerder] over de betreffende periode een bedrag van € 10,800,00 aan loon heeft ontvangen. [verweerder] zal daarom worden veroordeeld tot terugbetaling daarvan, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

5.13.

De volgende vraag is of [verweerder] aansprakelijk is voor schade geleden door Royaal Vastgoed en of hij moet worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, bestaande uit
€ 28.147,72 aan reis- en verblijfkosten en € 136.680,00 aan gederfde winst.

5.14.

De werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever, is niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 lid 1 BW).

5.15.

Zoals hiervoor al is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] Royaal Vastgoed opzettelijk heeft bedrogen en misleid. [verweerder] moet zich daarvan ook steeds bewust zijn geweest. Dat betekent dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade die Royaal Vastgoed als gevolg van het bedrog van [verweerder] heeft geleden. Anders dan [verweerder] stelt, is voor aansprakelijkheid niet vereist dat de schade is toegebracht door het verrichten van de bedongen arbeid, maar is voldoende dat de schade is toegebracht bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Dat laatste is het geval. Maar ook als geen sprake zou zijn van schade toegebracht bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is [verweerder] aansprakelijk, in dat geval op grond van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Voor vergoeding komt in aanmerking de schade die in een zodanig verband staat met het bedrog van [verweerder] dat die schade hem als een gevolg daarvan kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).

5.16.

Royaal Vastgoed heeft met de door haar overgelegde stukken, waaronder bankafschriften, aangetoond dat zij voor de vijf vliegreizen van [verweerder] , [bestuurder 1] en [bestuurder 2] naar India en Dubai een bedrag van € 7.059,48 heeft uitgegeven en aan verblijfkosten een bedrag van
€ 21.669,64 heeft betaald, met name voor kosten van hotels, huurauto’s, maaltijden en visa. In totaal gaat het dus om een schade van € 28.729,12. [verweerder] is daarvoor aansprakelijk. Die kosten zijn immers uitsluitend gemaakt met het oog op de vals gebleken contacten en overeenkomsten met [contact 1] en [contact 2] , en zijn dus het directe gevolg van het bedrog door [verweerder] . Omdat Royaal Vastgoed haar vordering op dit punt op de zitting van 16 september 2019 heeft verminderd tot een bedrag van € 28.147,72, zal [verweerder] worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van gehele betaling.

5.17.

[verweerder] heeft gesteld dat Royaal Vastgoed de verblijfskosten niet volledig als schade vergoed behoort te krijgen, omdat Royaal Vastgoed zonder enige noodzaak heeft gekozen voor de duurste hotels en de duurste restaurants in India en Dubai, en omdat het niet nodig was dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] meereisden met [verweerder] . Die stelling treft geen doel. Naar de kantonrechter begrijpt, doet [verweerder] een beroep op de schadebeperkingsplicht of eigen schuld van Royaal Vastgoed (artikel 6:101 BW). [verweerder] heeft echter niet gemotiveerd en onderbouwd dat de door Royaal Vastgoed gemaakte verblijfskosten onredelijk hoog of ongebruikelijk waren, bijvoorbeeld door gegevens te overleggen ter ondersteuning van zijn stelling. Dat had wel op zijn weg gelegen, omdat Royaal Vastgoed haar schade wel voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. De verblijfskosten zijn bovendien mede daarom aanzienlijk, omdat onbetwist is dat het hele gezin van [verweerder] een week in Dubai heeft verbleven, op kosten van Royaal Vastgoed. Dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] bij gelegenheid ook zijn meegereisd naar India en Dubai is gelet op de aard en omvang van de door [verweerder] voorgespiegelde investeringsmogelijkheden begrijpelijk en geen omstandigheid die reden kan zijn om de schade deels aan Royaal Vastgoed zelf toe te rekenen.

5.18.

Royaal Vastgoed heeft daarnaast als schade gevorderd een bedrag van € 136.680,00 aan gederfde winst. Daarbij heeft Royaal Vastgoed toegelicht dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] gelet op de “gouden deal” van 30 miljoen euro die [verweerder] hen voorhield, hun aandacht en tijd vanaf april 2019 volledig hebben gericht op de door [verweerder] genoemde potentiële nieuwe klanten, waardoor zij zich niet hebben kunnen richten op overige investeerders en mogelijk ook andere nieuwe klanten zijn misgelopen. De schade heeft Royaal Vastgoed bepaald aan de hand van een vergelijking van de winst in de periode december 2018 tot en met maart 2018 met de winst in de periode van april 2019 tot en met juli 2019, hetgeen leidt tot een volgens Royaal Vastgoed gederfde winst van € 136.680,00. [verweerder] heeft de genoemde cijfers betwist en heeft erop gewezen dat er geen jaarstukken of een verklaring van een account zijn overgelegd, terwijl volgens [verweerder] ook een causaal verband ontbreekt en er sprake is van eigen schuld van Royaal Vastgoed.

5.19.

De kantonrechter overweegt dat Royaal Vastgoed ondanks de betwisting door [verweerder] haar stellingen over de door haar genoemde winstcijfers niet nader heeft onderbouwd met stukken, zoals (voorlopige) jaarstukken of een verklaring van een accountant. Het door Royaal Vastgoed zelf opgestelde, zeer korte overzicht van de winstcijfers is in dit kader onvoldoende. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat Royaal Vastgoed de door haar gestelde winst heeft gederfd tot een bedrag van € 136.680,00.

5.20.

Wel heeft Royaal Vastgoed voldoende aannemelijk gemaakt dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] samen in de periode van april 2019 tot en met juli 2019 ongeveer 300 uur (ruim zeven werkweken) aan tijd hebben verspeeld door de activiteiten en het bedrog van [verweerder] . Daarbij weegt mee dat niet is betwist dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] 23 dagen in India en Dubai zijn geweest ten behoeve van de door [verweerder] voorgehouden investeringsmogelijkheden, dat zij daarover uitvoerige lunchafspraken hebben gehad en dat zij ten minste 162 telefoongesprekken hebben gevoerd met [verweerder] . Ook hebben zij tijd moeten steken in het ontdekken en achterhalen van het bedrog van [verweerder] . Gelet daarop is wel aannemelijk dat Royaal Vastgoed door het bedrog van [verweerder] schade heeft geleden door gemiste omzet en gederfde winst, omdat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zonder dat bedrog 300 uur aan andere (potentiële) klanten en investeerders hadden kunnen besteden. Die schade kan echter niet zonder meer worden vastgesteld op basis van het door Royaal Vastgoed gestelde uurtarief van € 150,00 van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] , gelet op het feit dat een uurtarief niet steeds gelijk te stellen is aan (gemiste) omzet of winst. Omdat de schade gelet op het voorgaande niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de kantonrechter deze naar redelijkheid schatten op de helft van het door Royaal Vastgoed (subsidiair) gevorderde bedrag van € 45.000,00 (gebaseerd op 300 uur ad € 150,00 per uur), dus op een bedrag van € 22.250,00 (artikel 6:97 BW).

5.21.

Het verweer van [verweerder] dat sprake is van eigen schuld van Royaal Vastgoed ten aanzien van deze schade, wordt ook hier verworpen. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt [verweerder] in dit verband dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] niet mee hadden hoeven gaan naar India en Dubai, dat zij niet zo veel tijd hadden hoeven steken in de door [verweerder] voorgespiegelde investeringsmogelijkheden en dat Royaal Vastgoed [verweerder] onvoldoende heeft gecontroleerd en begeleid. [verweerder] miskent hiermee dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] door zijn toedoen en door zijn bedrog lange tijd bewust in de waan zijn gelaten dat [verweerder] grote opdrachten kon binnenhalen voor Royaal Vastgoed, en dat [verweerder] daarbij gebruik heeft gemaakt van vergaande methoden om [bestuurder 1] en [bestuurder 2] te misleiden, onder meer door het gebruik van valse e-mails, valse overeenkomsten en vervalste statements van banken. Onder die omstandigheden is begrijpelijk dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] daarin lange tijd zijn meegegaan en daarin veel tijd hebben gestoken. Bovendien is er ook gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het bedrog van [verweerder] geen grond om de schade voor een deel aan Royaal Vastgoed toe te rekenen.

5.22.

Dat [verweerder] door de veroordeling tot schadevergoeding in ernstige betalingsproblemen zal komen, is geen reden om de schadevergoeding te matigen. [verweerder] heeft het bedrog aan zichzelf te wijten en de daardoor ontstane problemen komen voor zijn rekening en risico.

5.23.

De kosten van Hoffmann van € 9.152,92 zijn toewijsbaar, omdat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, en omdat de werkzaamheden en kosten van Hoffmann voldoende zijn gebleken, gespecificeerd en onderbouwd (artikel 6:96 lid 2, onderdeel b, BW). Daarbij weegt mee dat Royaal Vastgoed er in redelijkheid toe heeft kunnen besluiten om Hoffmann een onderzoek te laten doen, omdat [verweerder] zijn bedrog steeds heeft ontkend en is blijven ontkennen, en gespecialiseerd onderzoek daarnaar nodig was.

5.24.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 2.712,00 worden afgewezen. [verweerder] is een persoon die in het kader van deze zaak, die mede gaat over een contractuele geldschuld, niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dat betekent dat [verweerder] pas buitengerechtelijke kosten verschuldigd kan worden nadat aan hem een aanmaning is verzonden, waarin onder meer de gevolgen van het uitblijven van betaling worden genoemd (artikel 6:96 lid 6 BW). Dat een dergelijke aanmaning is verzonden, is niet gesteld of gebleken.

5.25.

De gevorderde beslagkosten van € 3.278,16 zijn toewijsbaar, omdat deze voldoende zijn toegelicht en onderbouwd, en omdat niet is gebleken dat de gelegde beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren (artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het verweer van [verweerder] dat er geen vrees was voor verduistering, dat het beslag onnodig is gelegd en inmiddels deels is opgeheven, wordt niet gevolgd. Alleen al gelet op het bedrog van [verweerder] was er voldoende reden voor het beslag en was dit niet onnodig. Dat het beslag deels is opgeheven na toezeggingen en zekerheidsstelling, doet er niet aan af dat dit beslag terecht is gelegd.

5.26.

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van Royaal Vastgoed met toepassing van de ‘Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz’ worden vastgesteld op € 960,00, omdat sprake is van een complexe zaak. De nakosten zijn toewijsbaar tot een bedrag van € 120,00 en voor zover deze daadwerkelijk worden gemaakt.

5.27.

Het verzoek van Royaal Vastgoed om [verweerder] daarnaast te veroordelen in de werkelijke en volledige proceskosten tot een bedrag van € 15.754,82 kan deels worden toegewezen, op de volgende gronden.

5.28.

Een partij kan verplicht zijn tot vergoeding van alle in verband met een procedure gemaakte kosten, maar alleen in geval van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen. Dat kan zich voordoen als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2012: BV7828 (Duka/Achmea)). Het voorgaande geldt ook ten aanzien van een verweerder die zich in een zaak tegen vorderingen of verzoeken verdedigt (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR: 2017:2360 (Vehmeijer/Janssens)).

5.29.

Het voeren van verweer door [verweerder] tegen de (hoogte van de) gevorderde vergoedingen en schadevergoeding levert gelet op de hiervoor genoemde maatstaf, en ondanks het bedrog van [verweerder] , geen misbruik van procesrecht op, omdat het verweer tegen de hoogte van die (schade)vergoedingen niet bij voorbaat kansloos was en deels ook doel heeft getroffen.

5.30.

Maar [verweerder] heeft in zijn eerste verweerschrift van 13 september 2019 ook tegenverzoeken ingediend tot vernietiging van het ontslag op staande voet, tot toelating tot de bedongen werkzaamheden en tot doorbetaling van salaris. Dat [verweerder] die tegenverzoeken bij akte van 24 oktober 2019 weer heeft ingetrokken, neemt niet weg dat Royaal Vastgoed terecht aanleiding en noodzaak heeft gezien om op die tegenverzoeken te reageren, zoals Royaal Vastgoed heeft gedaan met haar akte van 7 oktober 2019, waarvoor kosten zijn gemaakt.

5.31.

Aan zijn tegenverzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet en tot doorbetaling van salaris heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat hij geen bedrog heeft gepleegd, dat alle door hem genoemde contacten en investeringsmogelijkheden echt zijn, en dat hij alleen in opdracht van Royaal Vastgoed stukken heeft vervalst. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn deze stellingen van [verweerder] onhoudbaar en vinden die geen enkele steun in de stukken, terwijl ook als vaststaand is aangenomen dat [verweerder] bedrog heeft gepleegd. Daarom moet worden geoordeeld dat [verweerder] zijn tegenverzoeken heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, en op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Ook heeft [verweerder] in strijd gehandeld met zijn verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, omdat hij is blijven volhouden dat hij geen bedrog heeft gepleegd (artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

5.32.

Dit betekent dat [verweerder] wegens misbruik van procesrecht en wegens de schending van zijn verplichting om de feiten naar waarheid aan te voeren, zal worden veroordeeld in de werkelijke en volledige proceskosten die Royaal Vastgoed heeft moeten maken ten aanzien van de reactie op het tegenverzoek van [verweerder] . Het gaat daarbij dus om de kosten van de akte van Royaal Vastgoed van 7 oktober 2019. Blijkens de door Royaal Vastgoed overgelegde urenspecificatie van haar gemachtigde gaat het daarbij om 17.92 uur aan daarvoor bestede tijd en een uurtarief van € 175,00, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% btw. Die kosten zijn redelijk en leiden tot een bedrag van € 4.022,23. Daartoe zal [verweerder] worden veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Royaal Vastgoed, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag van € 443,77 aan gefixeerde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Royaal Vastgoed, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een schadevergoeding van:

a. € 28.147,72 aan gemaakte onkosten (reis- en verblijfkosten);

b. € 3.278,16 aan beslagkosten;

c. € 10.800,00 aan ten onrechte ontvangen salaris;

d. € 22.500,00 aan gederfde winst;

e. € 9.152,92 aan kosten voor Hoffmann;

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 972,00 aan griffierecht, € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde van Royaal Vastgoed, € 4.022,23 aan volledige en werkelijke proceskosten in verband met de reactie op het tegenverzoek van [verweerder] , en € 120,00 aan nakosten voor zover deze daadwerkelijk worden gemaakt, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van gehele betaling;

6.4.

wijst het verzoek voor het overige af;

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter