Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1401

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
C/15/287007 / HA RK 19/73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft na een eerste mondelinge behandeling in een deelgeschil een deskundige verzocht tijdens een volgende zitting een nadere toelichting te geven op het eerder door hem uitgebrachte rapport. Uit deze toelichting volgt dat de deskundige de beperkingen van verzoeker niet zelf heeft kunnen vaststellen. Verzoeker is er niet in geslaagd om het bestaan van zijn klachten aannemelijk te maken. Ook is hij er niet in geslaagd het causaal verband aan te tonen tussen zijn klachten en het hem overkomen ongeval. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/287007 / HA RK 19/73

Beschikking van 20 februari 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. S. Baggerman te Apeldoorn,

tegen

de naamloze vennootschap

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

verweerster,

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ” en “NN”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 15 augustus 2019,

  • -

    het proces-verbaal van de zitting op 16 januari 2020, op welke zitting de deskundige psychiater dr. A. Korzec (hierna: Korzec) een nadere toelichting heeft gegeven op het door hem uitgebrachte rapport, en

  • -

    de brief van 27 januari 2020 van mr. Oskam met opmerkingen over het proces-verbaal.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Voor de feiten en de omschrijving van dit deelgeschil tussen partijen verwijst de rechtbank naar de beschikking van 15 augustus 2019 (hierna: de tussenbeschikking).

2.2.

In de tussenbeschikking heeft de rechtbank onder 4.6. en 4.7. overwogen:

“4.6. De rechtbank is op grond van de door partijen op gezamenlijk verzoek uitgebrachte deskundige rapport van Korzec van oordeel dat zij geen definitieve beslissing kan geven over de vraag of de klachten van [verzoeker] in juridisch causaal verband staan met het ongeval. Het is op dit moment niet duidelijk welke klachten nu daadwerkelijk en in welke mate aan de orde zijn. De omstandigheid dat er geaggraveerd is, wil nog niet zeggen dat er geen klachten zijn. Uit de overgelegde medische informatie ontstaat wel een beeld van klachten die plausibel lijken te zijn. Ook is het rechtbank niet duidelijk of de door de psychiater vastgestelde somatische symptoomstoornis het gevolg is van het ongeval. Het antwoord op de vragen 1 a, 1 h en 1 i geven daarover geen eenduidig uitsluitsel.

4.7.

Om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of de gestelde klachten van [verzoeker] (allen) het gevolg zijn van het ongeval heeft de rechtbank meer informatie van Korzec nodig. (…) Daarbij merkt de rechtbank op dat de juistheid van het rapport in beginsel niet ter discussie staat.

2.3.

Tijdens de mondelinge behandeling op 16 januari 2020 heeft Korzec onder meer toegelicht dat hij, na lang twijfelen óf hij wel een diagnose zou stellen, is gekomen tot de diagnose van somatische symptoomstoornis na een beoordeling van verschillende symptomen. Op de vraag van mr. Baggerman of de somatische symptoomstoornis van [verzoeker] het gevolg kan zijn van het ongeval antwoordde Korzec:

Niet alle vragen zijn te beantwoorden. De causale lijn is niet altijd helder. Het is ook heel moeilijk aannemelijk te maken. In dat soort gevallen moet er een “intelligent guess” op los worden gelaten. Als van tevoren dergelijke klachten ontbraken, dan is een causaal verband eerder aan te nemen. Maar dat is anders dan als er van tevoren wel al klachten waren. [verzoeker] heeft ook al onverklaarde klachten gehad voor het ongeval. Het is een weging.

Mr. Oskam heeft in haar brief van 27 januari 2020 opgemerkt dat de deskundige ook heeft verklaard:

Zodra zich in de voorgeschiedenis iets heeft voorgedaan met onverklaarbare klachten, is dat een aanwijzing tegen het aannemen van causaal verband.

De rechtbank is het daarmee eens.

Op de vraag welke onverklaarbare klachten [verzoeker] voor het ongeval had, verwees Korzec naar een brief van de huisarts/ het huisartsenjournaal en wat psychiater Maat (hierna: Maat) heeft geschreven in een brief van 8 januari 2016.

Op de vraag van mr. Oskam of de klachten in de periode 2008 tot en met 2012 zoals uitval van het linkerbeen, psychische klachten en ernstige onderbuikklachten als somatische onverklaarbare klachten kunnen worden geduid, heeft Korzec bevestigend geantwoord.

Korzec heeft voorts verklaard dat de aggravatie van de presentatie van klachten door [verzoeker] een symptoom kan zijn van de somatische symptoomstoornis of een nagebootste stoornis is. Mr. Oskam heeft in haar brief opgemerkt dat de deskundige voorts heeft verklaard:

“Simulatie heb ik wel in mijn achterhoofd.

De rechter is het ook hiermee eens; dat heeft de deskundige ook verklaard.

2.4.

Desgevraagd heeft Korzec verklaard de beperkingen van [verzoeker] zelf niet te hebben kunnen vaststellen.

2.5.

Uit de toelichting van Korzec blijkt dat hij geen antwoord kan geven op de vraag welke klachten [verzoeker] heeft en in welke mate die klachten aan de orde zijn. Ook kan Korzec geen antwoord geven op de vraag of de somatische symptoomstoornis het gevolg is het ongeval dat [verzoeker] is overkomen. Wat dit laatste betreft heeft Korzec aangegeven dat [verzoeker] ook al voor het ongeval onverklaarbare klachten heeft gehad en daarbij verwezen naar het huisartsenjournaal en de brief van Maat van 8 januari 2016. In de brief van Maat is opgenomen onder de kop “Somatische voorgeschiedenis”: “2008-2012 multiple somatische onverklaarbare klachten na emigratie naar Nederland”. Mr. Baggerman heeft tijdens de zitting op 16 januari 2020 opgemerkt dat uit de brief van Maat niet blijkt waar hij zijn informatie met betrekking tot de klachten van [verzoeker] in de periode 2008 tot en met 2012 vandaan heeft. Tijdens de zitting van 4 juli 2019 heeft mr. Baggerman voorts aangevoerd dat de (buik)klachten van [verzoeker] te maken hadden met een lactose-intolerantie. De rechtbank overweegt in dat verband dat, hoewel niet duidelijk is waar Maat zijn informatie vandaan heeft, dit nog niet tot gevolg heeft dat om die reden aan het door Maat gestelde voorbij dient te worden gegaan. De rechtbank merkt daarbij op dat in de aan de rechtbank overgelegde stukken zich niet het volledige huisartsenjournaal vanaf 2008 bevindt, maar enkel het journaal vanaf 2010 waarbij de huisarts heeft aangegeven dat “niet relevante regels” zijn weggelaten.

2.6.

In de tussenbeschikking is reeds aangegeven dat het aan [verzoeker] is om het bestaan van zijn klachten te bewijzen. Daarnaast is het aan [verzoeker] om aannemelijk te maken dat er sprake is van een causaal verband tussen zijn klachten en het ongeval. Gelet op de inhoud van de rapporten van Korzec en van neuroloog Bernsen en de toelichting die Korzec tijdens de mondelinge behandeling op de 16 januari 2020 heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] daarin niet is geslaagd. De rechtbank kan dan ook bij de huidige stand van zaken niet vaststellen dat de klachten die [verzoeker] ervaart in juridisch causaal verband staan met het ongeval dat hij in 2015 heeft gehad.

2.7.

[verzoeker] verzoekt NN te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv. Ook als een verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, dient rechter de kosten te begroten. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake gelet op het feit dat ook de rechtbank behoefte had aan een nadere toelichting van Korzec op zijn rapport.

2.8.

NN heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] te bepalen dat NN in de kosten wordt veroordeeld. NN heeft, in haar verweerschrift, wel bezwaar gemaakt tegen de begrote tijdsbesteding. Namens [verzoeker] is de begrote tijdsbesteding in de pleitnotitie van mr. Baggerman ten behoeve van de zitting van 4 juli 2019 gematigd naar 18 uur hetgeen uitkomt op een bedrag van € 5.733,-. Tijdens de zitting op 16 januari 2020 heeft mr. Baggerman aangegeven dat hij in verband met die zitting extra uren heeft gewerkt en deze extra uren zal beperken tot acht uur. Uit de brief van 17 januari 2020 van mr. Oskam blijkt dat zij naar aanleiding van de kostenopgaaf van mr. Baggerman op de zitting van 16 januari 2020 geen opmerkingen heeft. Uit het verzoekschrift volgt dat de kosten van mr. Baggerman € 250,- per uur bedragen vermeerderd met 21% BTW. De extra kosten naar aanleiding van de zitting van 16 januari 2020 komen daarmee op € 2.420,-. De totale kosten bedragen derhalve (€ 5.733,- + € 2.420,- =) € 8.153,-. De rechtbank acht deze kosten redelijk en begroot de kosten van dit deelgeschil op het bedrag van € 8.153,-. De rechtbank zal NN veroordelen in het betalen van voornoemde kosten.

2.9.

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat tijdens de zitting op 16 januari 2020 namens NN is aangegeven dat de kosten van Korzec in verband met het geven van toelichting op zijn rapport tijdens de zitting door NN zullen worden gedragen. Van de berekening van de kosten hebben partijen beiden een afschrift gekregen. Deze kosten bedroegen tot aan de zitting € 1.179,75. Overeengekomen is dat voor de behandeling ter zitting nog anderhalf uur in rekening zal mogen worden gebracht.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.153,-, en veroordeelt NN tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] ,

3.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020.

type: MKG

coll: LJS