Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:1262

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
6569303 CV EXPL 18-111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Luchtvaartmaatschappij heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6569303 \ CV EXPL 18-111

Uitspraakdatum: 19 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

1 [passagier sub 1] ,

2. [passagier sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

3. [passagier sub 3] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [passagier sub 4] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

5. [passagier sub 5] ,

wonende te [woonplaats 4] ,

6. Stichting Achmea Rechtsbijstand,

gevestigd te Tilburg,

eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers,

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff, mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.),

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

Closed Stock Company Qatar Airways Q.C.S.C.,

gevestigd te Doha (Qatar) en kantoorhoudende te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer),

gedaagde,

hierna te noemen: Qatar,

gemachtigde: mr. J.J. Croon, mr. R.P Verbeek.

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 15 september 2017 een vordering tegen Qatar ingesteld. Qatar heeft schriftelijk geantwoord waarin zij tevens heeft verzocht haar standpunten en gronden mondeling toe te lichten.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna Qatar een schriftelijke reactie heeft gegeven waarin zij haar verzoek tot mondelinge behandeling van de zaak heeft herhaald.

1.3.

Op 28 januari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben de passagiers bij brief van 21 januari 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[passagier 6] en [passagier 7] en de passagiers sub 1 tot en met sub 5 hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Qatar de passagiers op 2 en 3 juni 2016 diende te vervoeren.

2.2.

De passagiers sub 1 en 2 hebben tickets geboekt voor een vliegreis van Amsterdam-Schiphol via Doha (Qatar) naar Bangkok (Thailand) met vluchten QR 274 en QR 834. Volgens de boekingsbevestiging zouden zij met vlucht QR 274 om 18:00 uur lokale tijd vanaf Schiphol vertrekken en op 3 juni 2016 om 1:15 uur lokale tijd arriveren in Doha. Vervolgens zouden de passagiers op 3 juni 2016 om 2:10 uur lokale tijd verder vliegen naar Bangkok en zouden zij hun eindbestemming om 13:00 uur lokale tijd bereiken.

2.3.

De passagier sub 3 en passagiers [passagier 6] en [passagier 7] hebben tickets geboekt voor een vliegreis van Amsterdam-Schiphol via Doha naar Colombo (Sri Lanka) met vluchten QR 274 en QR 664. Volgens de boekingsbevestiging zouden zij met vlucht QR 274 om 18:00 uur lokale tijd vanaf Schiphol vertrekken en op 3 juni 2016 om 1:15 uur lokale tijd in Doha arriveren. Vervolgens zouden de passagiers op 3 juni 2016 om 2:15 uur lokale tijd verder vliegen naar Colombo, waar zij om 9:35 uur lokale tijd zouden arriveren.

2.4.

De passagier sub 4 heeft tickets geboekt voor een vliegreis van Amsterdam-Schiphol via Doha naar Ho Chi Minh (Vietnam) met vluchten QR 274 en QR 970. Volgens de boekingsbevestiging zou hij met vlucht QR 274 om 18:15 uur lokale tijd vertrekken vanaf Schiphol en op 3 juni 2016 om 1:20 uur lokale tijd in Doha arriveren. Vervolgens zou de passagier op 3 juni 2016 om 2:15 uur lokale tijd verder vliegen en om 13:50 uur lokale tijd Ho Chi Minh bereiken.

2.5.

De passagier sub 5 heeft tickets geboekt voor een vliegreis van Amsterdam-Schiphol via Doha naar Kathmandu (Nepal) met vluchten QR 274 en QR 652. Volgens de boekingsbevestiging zou zij met vlucht QR 274 om 18:00 uur lokale tijd vanaf Schiphol vertrekken en op 3 juni 2016 om 1:15 uur lokale tijd in Doha arriveren. Vervolgens zou zij op 3 juni 2016 om 2:10 uur lokale tijd verder vliegen en Kathmandu om 9:30 uur lokale tijd bereiken.

2.6.

Vlucht QR 274 (hierna: de vlucht) is met vertraging uitgevoerd waardoor de passagiers hun aansluitende vlucht niet hebben gehaald. De passagiers zijn omgeboekt naar andere vluchten en hebben hun eindbestemmingen met een vertraging van meer dan drie uur bereikt.

2.7.

De passagiers hebben compensatie ter hoogte van € 4.200,00 van Qatar gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.8.

De gemachtigde van de passagiers hebben op 19 april 2018 en op 10 mei 2018 betalingen van Qatar ontvangen. Qatar heeft een bedrag van € 3.600,00 betaald.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen – na wijziging van eis – dat Qatar bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 726,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat Qatar vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4 Het verweer

4.1.

Qatar betwist de vordering. Zij voert ten eerste aan dat eiser sub 6 niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat eiser sub 6 geen partij is bij de vervoersovereenkomst tussen de passagier en Qatar Airways. Het vorderingsrecht van de passagier heeft een dermate persoonlijk karakter dat de vordering tot compensatie niet voor cessie vatbaar is, aldus Qatar Airways. Voorts is geen sprake van een rechtsgeldige overdracht omdat geen mededeling is gegaan aan Qatar Airways van de levering van de vordering. Qatar Airways betwist dan ook dat zij ten opzichte van eiser sub 6 gehouden is om tot compensatiebetaling over te gaan.

4.2.

Voorts doet Qatar een beroep op buitengewone omstandigheden. Zij meent geen compensatie verschuldigd te zijn nu de vlucht met vertraging is uitgevoerd vanwege een besluit van het luchtverkeersbeheer. Hoewel het vliegtuig op tijd gereed stond om vanaf Schiphol te vertrekken wees het luchtverkeersbeheer een later slot toe, zodat het toestel niet op het geplande vertrektijdstip mocht vertrekken. Op deze omstandigheid heeft Qatar geen enkele controle kunnen uitoefenen. Qatar is gehouden om aan de berichten van de luchtverkeersleiding gehoor te geven. De vertragingscode die aan de beslissing van de luchtverkeersleiding is gekoppeld is “WE 73”. Deze code staat voor “weather en route or alternate.” De weersomstandigheden veroorzaakte drukte in het luchtruim als gevolg waarvan de luchtverkeersleiding gewijzigde slottijden heeft toegewezen. In eerste instantie kreeg Qatar het bericht dat zij om 17:08 uur UTC kon vertrekken. Uiteindelijk kreeg Qatar een NEWCTOT van 16:45 uur UTC toegewezen en is het toestel 48 minuten later dan gepland opgestegen vanaf Schiphol.

4.3.

Tot slot wijst Qatar erop dat het in het belang van de uniformiteit en rechtszekerheid is om bovengenoemde kwesties middels prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad dan wel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Qatar Airways voert aan dat het doel van de Verordening is om een hoog niveau van bescherming voor passagiers te bieden. Het eventuele recht op compensatie heeft een hoogstpersoonlijk karakter, namelijk een vergoeding voor het persoonlijk geleden ongemak van verloren tijd. De aard van het vorderingsrecht verzet zich derhalve tegen overdracht, waardoor eiser sub 6 niet-ontvankelijk is in haar vordering, aldus Qatar Airways. De kantonrechter volgt deze stelling van Qatar Airways niet. Evenmin ziet de kantonrechter aanleiding om prejudiciële vragen te stellen inzake de overdraagbaarheid van de compensatievordering. De overdraagbaarheid van een vordering op grond van de Verordening is immers niet in de Verordening uitgesloten, terwijl een dergelijke vordering tot compensatie in het algemeen niet zozeer aan de persoon van de schuldeiser zal zijn gebonden dat zij naar haar aard niet voor overdracht vatbaar is. Evenmin is gesteld of gebleken dat partijen de overdraagbaarheid van hun vorderingsrechten bij beding hebben uitgesloten. Door de vordering door te verkopen aan bijvoorbeeld Achmea heeft de passagier de mogelijkheid om de vordering op een gemakkelijke manier te gelde te maken, zodat een passagier daarbij belang kan hebben. Voorts overweegt de kantonrechter dat in ieder geval aan het mededelingsvereiste is voldaan toen de cessie in deze procedure zo niet bij dagvaarding dan wel bij repliek ter kennis van Qatar is gebracht. Niet vereist is dat een cessie al voltooid is op het moment van de dagvaarding. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het verweer van Qatar Airways en verklaart eiser sub 6 ontvankelijk is haar vordering.

5.3.

Ten aanzien van het buitengewone omstandigheden verweer is niet in geschil dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op hun eindbestemmingen zijn gearriveerd, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor Qatar. Dit is anders indien Qatar kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen, zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

5.4.

Qatar heeft aangevoerd dat vanwege een gewijzigde slottijd het toestel geen klaring kreeg van de luchtverkeersleiding om op het geplande vertrektijdstip te vertrekken. Qatar verwijst in dat kader naar slotberichten die zij als productie 1 bij de conclusie van antwoord heeft overgelegd. De kantonrechter constateert dat het eerst overgelegde slotbericht melding maakt van een “NEWCTOT 1708” en het laatst overgelegde slotbericht “NEWCTOT 1645” vermeldt. Ook vermelden de slotberichten “REGCAUSE WE 73”. Qatar heeft toegelicht dat de origineel geplande vertrektijd van de vlucht Amsterdam – Doha 16:00 uur UTC (18:00 uur lokale tijd) was en dat het toestel aanvankelijk een slottijd van 17:08 uur UTC kreeg toegewezen. Vervolgens liep de vertraging terug en werd er uiteindelijk een nieuwe slottijd toegewezen van 16:45 uur UTC. De vermelde “REGCAUSE” onderaan het slotbericht geeft de reden van het slotbericht aan. De vermelde code “WE 73” staat voor “Weather en route or alternate”. Vanwege de opgelegde latere slottijden is het toestel 48 minuten later dan gepland vanaf Schiphol opgestegen, zoals blijkt uit het overgelegde “movement rapport” (productie 3 bij antwoord), aldus Qatar.

5.5.

Voorts heeft Qatar toegelicht dat met betrekking tot de vlucht van Amsterdam naar Doha op 2 juni 2016 drie eerdere vonnissen zijn gewezen door verschillende kantonrechters van deze rechtbank. Hoewel Qatar in alle dossiers hetzelfde verweer heeft gevoerd werd de vordering van de passagiers tweemaal afgewezen en in de laatst gewezen uitspraak van 30 mei 2018 toegewezen. De kantonrechter overweegt dat een kantonrechter niet gebonden is aan een eerdere uitspraak van een collega. Daarbij hangt een uitkomst van een zaak af van de gestelde en onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden. Niet gebleken is dat in alle zaken de feiten en omstandigheden gelijk waren, zodat ook de uitkomst van de zaken niet gelijk is.

5.6.

Hoewel Qatar enkel “SRM” (Slot Revision Message) berichten heeft overgelegd, het aanvankelijke “SAM” (Slot Allocation Message) ontbreekt, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken dat voorafgaand aan het vertrek van de vlucht Amsterdam – Doha vanwege weersomstandigheden op de route CTOT’s zijn toegewezen door de luchtverkeersleiding waardoor het toestel met een vertrekvertraging van 18 minuten van de gate (push back) is vertrokken en 48 minuten later dan gepland is opgestegen (take off) vanaf Schiphol. Een CTOT kan gezien worden als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van de considerans van de Verordening, zodat het in de onderhavige zaak een buitengewone omstandigheid kan opleveren. Echter niet gebleken is dat Qatar alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken.

5.7.

Uit de overgelegde boekingsdocumenten volgt dat de passagiers sub 1, 2, 4 en 5 55 minuten overstaptijd hadden en de passagier sub 3 en de passagiers [passagier 6] en [passagier 7] 60 minuten overstaptijd hadden om hun aansluitende vlucht in Doha te halen. Qatar heeft aangevoerd dat het toestel met een aankomstvertraging van 45 minuten in Doha is gearriveerd. De passagiers hebben dit betwist en stellen dat de aankomstvertraging (slechts) 16 minuten is geweest. Omdat Qatar geen vluchtrapport – met de daarin daadwerkelijke aankomsttijd – heeft overgelegd en de passagiers, met de voor hun beschikbare internetbronnen, een vluchtrapport hebben samengesteld waaruit wel een aankomsttijd blijkt, gaat de kantonrechter uit van 16 minuten aankomstvertraging te Doha. Qatar heeft niet toegelicht wat de minimaal benodigde overstaptijd is voor de luchthaven van Doha. Evenmin is gebleken of en zo ja hoeveel reservetijd er was gepland om een korte vertraging van 16 minuten in het vluchtschema te kunnen opvangen.

5.8.

Gelet op het voorgaande heeft Qatar onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken, zodat het verweer van Qatar faalt. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

5.9.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Qatar heeft deze vordering gemotiveerd betwist. De passagiers hebben hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat ten aanzien van hen allemaal buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal daarom dan ook worden toegewezen tot het wettelijke tarief, te weten € 217,80 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van Qatar, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Qatar tot betaling aan de passagiers van € 817,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 3 juni 2016, en over € 217,80 vanaf 15 september 2017, tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt Qatar tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 97,31;
griffierecht € 226,00;
salaris gemachtigde € 480,00;

6.3.

veroordeelt Qatar tot betaling van € 60,00 aan nakosten, voor zover die daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter