Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11802

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
C/15/306067 / HA RK 20/144
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer heeft wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/15/306067 HA RK 20-144

beslissing van 23 september 2020

op het verzoek tot wraking ingediend door

[verzoeker 1] ,

wonende te Amsterdam,

verzoeker.

Het verzoek gericht tegen:

mr. F. Kleefmann,

de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 4 augustus 2020 mondeling de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belasting, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer HAA 16/2311, hierna te noemen: de hoofdzaak. Verzoeker heeft zijn wraking verder schriftelijk toegelicht middels brieven van 10 augustus 2020 en 26 augustus 2020.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De wederpartij in de hoofdzaak heeft niet schriftelijk gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld op de openbare zitting van de wrakingskamer van 11 september 2020. Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen. De rechter en de wederpartij in de hoofdzaak hebben van de geboden gelegenheid, met voorafgaand bericht, geen gebruik gemaakt.

2 De standpunten van verzoeker

2.1

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort samengevat en ter zitting aan de hand van een pleitnota nader toegelicht – de volgende wrakingsgronden aangevoerd;

2.2

De rechter heeft geen uitstel verleend van de behandeling van het beroep, terwijl sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die uitstel rechtvaardigt omdat de rechter terrorisme gerelateerd wordt bedreigd en bedrogen door een terreurbeweging om de verzoeken van verzoeker af te wijzen. De rechter is daardoor in de onmogelijkheid geplaatst eerlijk en onafhankelijk recht te spreken. Er is nog geen eind in zicht aan deze bedreigingen en bedrog.

2.3

Het oordeel in de brief van 15 juli 2020 dat de reden waarom uitstel is gevraagd niet valt onder uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in deze brief, is effectief een eindoordeel.

2.4

De rechter maakt als (oud-)advocaat en rechter in jeugdzaken deel uit van de keten waarin de georganiseerde ambtelijke misdaad zich manifesteert die ernstige misdrijven pleegt op kosten van de belastingbetaler en onrechtmatig concurreert tegen de onderneming van verzoeker waardoor de inspecteur meent dat verzoekers onderneming geen bron is.

2.5

De rechter komt zijn plicht niet na op grond van artikel 160, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) in verband met terrorisme gerelateerde bedreigingen en bedrog en de menschenroof van de Kinderbescherming en de Jeugdzorg waardoor hij er mede verantwoordelijk voor is dat de belastinginspecteur meent dat verzoekers onderneming geen bron is. Niet kan worden uitgesloten dat hij deelneemt aan de misdaden.

2.6

De rechter komt zijn ambtsplicht niet na op grond van artikel 162 Sv in verband met de internationale misdrijven, mensenhandel, georganiseerde misdaad, kindermisbruik en kindermishandeling door de ambtenaren van Kinderbescherming en Jeugdzorg. Hierdoor is de rechter er medeverantwoordelijk voor dat de belastinginspecteur waant dat verzoekers onderneming geen bron is. Niet kan worden uitgesloten dat hij deelneemt aan de misdaden.

3 De reactie van de rechter

3.1

De rechter heeft in reactie op het wrakingsverzoek aangegeven dat hij voorafgaand aan en tijdens de zitting geen aanleiding heeft gezien om de zaak aan te houden, dan wel door te verwijzen naar de meervoudige kamer nu hij het fiscale geschil dat voorligt geschikt acht voor behandeling door één rechter. Verder heeft de rechter in al hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om te handelen conform de artikelen 160 en 162 Sv. De door de rechter genomen procedurele beslissingen zijn in de visie van de rechter geen feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

De rechter beaamt verder dat hij advocaat is geweest, tot oktober 2009. Als advocaat behandelde de rechter, zoals verzoeker stelt, ook zaken op het terrein van familie- en jeugdrecht. Evenwel ziet de rechter niet in dat dit een feit of omstandigheid vormt waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Verder verzoekt de rechter de wrakingskamer om, bij een afwijzing van het wrakingsverzoek van verzoeker, op grond van artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beslissing op te nemen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets).

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

4.2

Gesteld noch gebleken is dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

4.3

De wrakingskamer dient vervolgens te beoordelen of er omstandigheden zijn die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, in die zin dat de objectieve toets grond voor wraking zou opleveren. De wrakingskamer neemt bij die beoordeling het volgende in aanmerking.

4.4

De stelling van verzoeker dat de hiervoor genoemde procesbeslissingen van de rechter zijn gerelateerd aan terrorisme, kan de rechtbank niet volgen. Anders dan verzoeker stelt, is op geen enkele wijze gebleken dat de rechtspraak terrorisme gerelateerd wordt bedreigd en bedrogen door een terreurbeweging om de verzoeken van verzoeker af te wijzen. Dat deze terroristische dreiging zou samenhangen met de genomen procesbeslissingen, kan de wrakingskamer dan ook niet volgen. Evenmin kan worden gevolgd dat het oordeel van de rechter om geen uitstel te verlenen van de behandeling effectief een eindoordeel is.

4.5

Niet in geschil is dat de rechter in het verleden advocaat in het familie- en jeugdrecht is geweest. De visie van verzoeker dat de rechter daarmee deel uit zou maken van een keten waarin door ambtenaren (van de Kinderbescherming, Jeugdzorg en de Belastingdienst) ernstige misdrijven worden gepleegd op kosten van de belastingbetaler en dat de Belastingdienst onrechtmatig concurreert tegen de onderneming van verzoeker, kan de rechtbank niet volgen. Al om die reden is uit die visie niet een omstandigheid af te leiden waaruit blijkt van objectief gerechtvaardigde vrees voor onpartijdigheid van de rechter.

4.6

Het standpunt van verzoeker dat de rechter de schijn van partijdigheid tegen zich heeft nu hij heeft verzuimd aangifte te doen van misdaden die zouden zijn gepleegd door ambtenaren terwijl hij daar op grond van artikel 160 en 162 Sv wel toe is gehouden, kan evenmin leiden tot een geslaagd wrakingsverzoek. Nog daargelaten dat niet gebleken is van degelijke misdaden, uit het feit dat de rechter daarvan geen aangifte heeft gedaan kan geen (schijn van) partijdigheid worden afgeleid ten aanzien van de beoordeling van het door eiser in de hoofdzaak ingestelde beroep. Ook de wrakingskamer ziet, anders dan door verzoeker op de zitting is bepleit, geen aanleiding om aangifte te doen van ambtsmisdrijven, reeds omdat daarvan niet is gebleken.

4.7

De conclusie is dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4.8

De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:18, vierde lid, van de Awb, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking nu verzoeker, ondanks dat in het verleden zijn wrakingsverzoeken op dezelfde gronden zijn afgewezen, toch weer op identieke (niet te volgen) gronden tot wraking is overgegaan.

Beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;
- beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

- beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter, mr. L.M. Kos en mr. H.A. Pott Hofstede, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Gall, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.