Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11778

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1712
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de rechtbank vermindert boete tot 10% wegens financiële positie belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-04-2021
V-N Vandaag 2021/942
FutD 2021-1362
NTFR 2021/1435
V-N 2021/23.20.29
NLF 2021/0909 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 24 december 2018 tot en met 13 september 2019 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) opgelegd, ten bedrage van € 1.226, alsmede bij beschikking een boete van € 1.226.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar eisers bezwaar tegen voornoemde beschikkingen ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn broer, [A] en zoon, [B] , die mede namens eiser het woord hebben gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en [D] .

Feiten

1. Eiser is met ingang van 22 december 2018 houder van een Volkswagen Touran met kenteken [#] (hierna: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I(A) is 14 juni 2008.

2. De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister is van 24 december 2018 tot en met 23 december 2019 geschorst als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

3. Op 24 juni 2019 omstreeks 11.05 uur is geconstateerd dat tijdens bovengenoemde schorsing met de auto gebruik is gemaakt van de weg. Met dagtekening 3 oktober 2019 is aan eiser een vooraankondiging naheffingsaanslag en boetebeschikking gestuurd. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Verweerder heeft vervolgens de naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd. Bij de thans bestreden in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar zijn de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking ongegrond verklaard.

Geschil en standpunten van partijen
4.In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking terecht zijn opgelegd, hetgeen eiser bestrijdt en verweerder verdedigt.

Beoordeling

De naheffingsaanslag

5. Indien wordt geconstateerd dat met een auto gebruik van de weg wordt gemaakt terwijl het kenteken (de tenaamstelling) van die auto is geschorst wordt mrb over vier kwartalen nageheven. Dat staat in artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).

6. Tussen partijen is niet in geschil dat op 24 juni 2019 met de auto gebruik is gemaakt van de weg terwijl eiser de onder 2 genoemde schorsing niet had beëindigd.

7. Eiser stelt dat hij wegens plotselinge ernstige ziekte van zijn (stief)moeder in Marokko de auto uit de stalling heeft gehaald, de auto heeft verzekerd, gecontroleerd en ingepakt om vervolgens op 15 juli 2019 met zijn voltallige gezin naar Marokko te rijden om zijn moeder te bezoeken. Hij is op 21 augustus 2019 teruggekomen. Hij dacht dat door de verzekering af te sluiten hij ook de schorsing ongedaan had gemaakt. Hij heeft niet de moeite genomen om te controleren of dat zo is omdat hij door de hele situatie erg was aangedaan. Daar komt bij dat hij in 1994 een auto-ongeluk heeft gehad. Sindsdien heeft hij moeite zich te concentreren en werkt hij niet meer. Doordat hij niet kan werken leeft hij van een minimumuitkering. Eiser verzoekt om gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de naheffingsaanslag tot één die ziet op de periode waarin hij met de auto gebruik heeft gemaakt van de weg en vernietiging van de boete.

8. De rechtbank overweegt dat op eiser als houder van het kenteken van de auto de verantwoordelijkheid rust om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan die gelden ten aanzien van het schorsingsregime. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat van iemand die gebruik maakt van een begunstigende regeling (de schorsingsregeling) mag worden verwacht dat hij zich verdiept in de voorwaarden die aan die regeling zijn verbonden en zich daar aan houdt. Eisers gedachte dat de particuliere verzekeringsmaatschappij de schorsing zou beëindigen omdat hij een verzekering had afgesloten, leidt niet tot een voor eiser gunstige uitkomst. Een verzekeringsmaatschappij is een private onderneming die geen toegang heeft tot de systemen van de belastingdienst. Eiser had ook beter moeten weten en zelf de schorsing moeten beëindigen.

9. Voor zover eiser heeft gesteld of heeft bedoeld te stellen dat het bovenstaande in de gegeven omstandigheden in zijn geval onredelijk en onbillijk uitwerkt overweegt de rechtbank dat zij zich over deze grief niet kan uitlaten, omdat eiser zich daarmee richt tegen de regeling van artikel 35 van de Wet MRB als zodanig. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, bepaalt daarover dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De bezwaren van eiser tegen de hiervoor bedoelde wettelijke regeling kunnen hem dan ook niet helpen.

10. Voor wat betreft de berekening van de nageheven belasting is niet van belang dat gedurende een gedeelte van de periode geen gebruik van de weg is gemaakt (Hoge Raad, 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973). De berekening van de belasting is verder in overeenstemming met artikel 35, derde en vijfde lid, van de Wet MRB.

De boete

11. Verweerder heeft ter zitting aangegeven aanleiding te zien de boete te matigen tot 25%, zijnde € 306 in verband met eisers financiële omstandigheden. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat het beleid wordt gevolgd dat indien iemand op minimum bijstandsniveau zit en verder geen bijzondere omstandigheden heeft, zoals vermogen, de boete wordt gematigd tot 10%. Eisers uitkering is volgens verweerder iets hoger dan het minimumbijstandsniveau.

12. Aangezien de verschuldigde motorrijtuigenbelasting over het onderhavige naheffingstijdvak - vanwege het niet hebben voldaan aan één van de voorwaarden van de schorsingsregeling - ten onrechte niet op aangifte is voldaan, is dit een verzuim

waarvoor een verzuimboete wordt opgelegd van maximaal 100 percent van het bedrag aan belasting, met een minimum van € 50 en een maximum van € 5.278.

Dit staat in artikel 37 van de Wet MRB in samenhang bezien met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

Aangezien de onderhavige verzuimboete met in achtneming van voormelde bepalingen is vastgesteld, is in zoverre de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte opgelegd.

13. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. In dit geval staat vast dat aan één van de voorwaarden voor de schorsingsregeling niet is voldaan. Het enkele niet daaraan voldoen rechtvaardigt in beginsel een boete van 100 procent (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5994). Factoren als de mate van schuld en opzet of de duur van het niet voldoen aan de schorsingsvoorwaarden spelen daarbij geen rol. De omstandigheden of afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) kunnen aanleiding zijn tot matiging dan wel het achterwege laten van de boete.

14. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van avas. Dat eiser niet op de hoogte was van het feit dat hij zelf en niet zijn verzekeringsmaatschappij de schorsing moest beëindigen betekent niet dat geen sprake is van avas. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de boete. De rechtbank heeft in dit opzicht meegewogen dat de boete is opgelegd aan een persoon die gebruik maakt van een begunstigende regeling, van wie mag worden verwacht dat hij zich vooraf op de hoogte stelt van de voorwaarden en bepalingen behorende bij die regeling en zich daar ook aan houdt.

15. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een tot matiging leidende financiële omstandigheid. De rechtbank ziet aanleiding om de boete verder te matigen dan verweerder ter zitting heeft gesteld. Daartoe wordt het volgende overwogen. Eiser ontvangt een WAO-uitkering waarvan de hoogte, gelet op de toelichting ter zitting, ongeveer vergelijkbaar is met een bijstandsuitkering. Hiervan onderhoudt hij zichzelf, zijn vrouw en zijn vier kinderen waarvan twee op de lagere school zitten en twee middelbaar of vervolgonderwijs volgen. Dat daarnaast de oudste zoon voor de bekostiging van zijn studie een bijbaan heeft, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boete te matigen tot 10%, zijnde € 122. De rechtbank is van oordeel dat een boete van € 122 passend en geboden is en ziet geen reden deze verder te matigen of te vernietigen.

16. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen wordt het beroep gegrond verklaard.

Proceskosten en griffierecht

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de proceskosten vast op € 6,48, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer (tweede klasse) van eiser om de zitting te kunnen bijwonen. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld nog gebleken. Tevens bestaat aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- handhaaft de uitspraak op bezwaar voor zover het de naheffingsaanslag betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft;

- vermindert de boete tot € 122 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 6,48;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 31 december 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De griffier is verhinderd te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.