Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11755

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
8182866 CV EXPL 19-18149
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ouders van (destijds) minderjarige moeten onvoldoende verantwoord deel PGB terugbetalen. Formele rechtskracht besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8182866 \ CV EXPL 19-18149

Uitspraakdatum: 25 november 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V.

gevestigd te Utrecht

eiseres

verder te noemen: Zilveren Kruis

gemachtigde: Flanderijn gerechtsdeurwaarders

tegen

1 [gedaagde sub 1]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde sub 1]

en

2. [gedaagde sub 2]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde sub 2]

1 Het procesverloop

1.1.

Zilveren Kruis heeft bij dagvaardingen van 5 respectievelijk 18 november 2019 een vordering tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ingesteld. [gedaagde sub 1] heeft mondeling en schriftelijk geantwoord, [gedaagde sub 2] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Zilveren Kruis heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde sub 1] een mondelinge reactie heeft gegeven en [gedaagde sub 2] een schriftelijke reactie.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de ouders van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en hadden (toen hij nog minderjarig was) gezamenlijk het gezag over hem.

2.2.

Bij besluit van 29 januari 2016 heeft Zilveren Kruis het Persoonsgebonden budget (PGB) van [betrokkene] over het jaar 2012 op € 10.909,55 vastgesteld en heeft Zilveren Kruis € 7.918,45 van [betrokkene] teruggevorderd. Daarop is een bedrag van € 5.479,72 aan Zilveren Kruis terugbetaald.

3 De vordering

3.1.

Zilveren Kruis vordert dat de kantonrechter [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 3.016,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en de proceskosten. Het bedrag van € 3.016,86 is opgebouwd uit een hoofdsom van € 2.438,73, buitengerechtelijke incassokosten van € 442,63 incl. btw en € 135,50 aan rente tot de datum van de dagvaarding.

3.2.

Zilveren Kruis legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat er onvoldoende rekening en verantwoording is afgelegd over het in 2012 voor [betrokkene] uitgekeerde PGB, waardoor niet is voldaan aan de bepalingen van de regeling PGB. Zilveren Kruis heeft om die reden bij besluit van 29 januari 2016 terecht een bedrag van € 7.918,45 teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang opengestaan, maar daarvan is geen gebruik gemaakt. Het besluit heeft dan ook formele rechtskracht gekregen, wat betekent dat de civiele rechter er in beginsel van moet uitgaan dat dit besluit zowel wat betreft de totstandkoming als wat betreft de inhoud rechtmatig is. Zilveren Kruis stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van klemmende redenen die maken dat de civiele rechter niet van de geldigheid van dit besluit mag uitgaan. De stukken die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in deze procedure hebben overgelegd zijn al in de verantwoording meegenomen, zijn niet (volledig) goedgekeurd of vallen buiten de periode waarover het PGB is toegekend. Anders gezegd, de overgelegde stukken maken niet dat er een ander/lager bedrag teruggevorderd had moeten worden, zodat er geen reden is om af te wijken van het besluit van 29 januari 2016.

3.3.

Zilveren Kruis heeft van de teruggevorderde € 7.918,45 een bedrag van € 5.479,72 terugontvangen, zodat zij nog recht heeft op € 2.438,73.

3.4.

Aangezien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouders van [betrokkene] in 2012 gezamenlijk het gezag over [betrokkene] hadden en zij zodoende zijn wettelijke vertegenwoordigers waren door wiens toedoen deze schuld is ontstaan, spreekt Zilveren Kruis niet [betrokkene] zelf aan, maar de beide ouders. Aan de eventuele afspraken die de ouders onderling hebben gemaakt over deze kosten, is Zilveren Kruis als derde partij niet gebonden.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde sub 1] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij het ontvangen PGB wel voldoende heeft verantwoord en alles dat hij moest betalen, heeft betaald. Het geld dat Zilveren Kruis vordert heeft hij nooit gehad. Het staat ook niet op de PGB-rekening van [betrokkene], dus dat kan hij ook niet terug betalen.

4.2.

[gedaagde sub 2] betwist de vordering ook. Zij voert aan – samengevat – dat [betrokkene] tot en met 24 augustus 2012 bij haar woonde en dat haar verantwoording van het PGB voor die periode is goedgekeurd, zoals uit de door Zilveren Kruis overgelegde stukken ook blijkt. Vanaf 25 augustus 2012 woonde [betrokkene] bij [gedaagde sub 1] en was [gedaagde sub 1] verantwoordelijk voor de verantwoording van het PGB. Als het uitgekeerde PGB onvoldoende is verantwoord, is [gedaagde sub 1] daar dan ook verantwoordelijk voor. Zilveren Kruis wist dat [betrokkene] vanaf 25 augustus 2012 bij zijn vader woonde, want dat heeft [gedaagde sub 2] per brief aan Zilveren Kruis gemeld. Als er al geld moet worden terugbetaald, kan dit alleen van [gedaagde sub 1] worden gevorderd.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter merkt allereerst op dat [gedaagde sub 2] bij dupliek nog stukken heeft overgelegd. Normaal gesproken zou Zilveren Kruis nog op die stukken hebben mogen reageren. De betreffende stukken zien echter op het PGB van 2010, zoals [gedaagde sub 2] zelf ook aangeeft. Nu duidelijk is dat deze procedure over het PGB van 2012 en niet over het PGB van 2010 gaat, zullen deze stukken niet bij deze procedure betrokken worden. Om die reden heeft Zilveren Kruis geen gelegenheid meer gekregen op de stukken te reageren, maar zij is daardoor ook niet benadeeld.

5.2.

[gedaagde sub 2] heeft erop gewezen dat de doorlooptijd van vijf jaar waar binnen terugvordering nog mogelijk is, inmiddels al (ruim) verstreken is. Het gaat immers over het PGB van 2012. Dit verweer van [gedaagde sub 2] gaat echter niet op. Vaststaat dat Zilveren Kruis op 29 januari 2016, en dus binnen vijf jaar, een besluit tot terugvordering heeft genomen. Tegen dit besluit is niet, althans niet tijdig bezwaar gemaakt. Zoals ook uit het besluit blijkt, had dit binnen zes weken na 29 januari 2016 moeten gebeuren. Uit de door [gedaagde sub 1] overgelegde stukken blijkt dat hij bij brief van 31 maart 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de nota van 16 maart 2016 die hem naar aanleiding van het besluit kennelijk was toegestuurd, maar dat was niet binnen zes weken na 29 januari 2016 en dus te laat. Niet is gebleken dat er eerder ook al bezwaar is gemaakt. Dat hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook niet gezegd. Het besluit van 29 januari 2016 heeft daarmee formele rechtskracht gekregen. Dat houdt in dat de civiele rechter ervan uitgaat dat dit besluit zowel wat betreft de totstandkoming als wat betreft de inhoud rechtmatig is. Op het beginsel van formele rechtskracht kan slechts in zeer klemmende gevallen een uitzondering worden gemaakt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben echter geen bezwaren aangevoerd die tot een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht kunnen leiden. De argumenten die oa [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd, waaronder zijn stelling dat hij het geld nooit heeft gekregen, althans niet meer heeft, maken dit niet anders. Dit had hij immers al in de bezwaarprocedure kunnen en moeten aanvoeren. Overigens merkt de kantonrechter op dat het enkele feit dat het geld niet meer op de rekening van [betrokkene] stond, niet voldoende is. Voor de verantwoording van het PGB moeten stukken worden overgelegd die onderbouwen waaraan het PGB is besteed. De stukken die [gedaagde sub 1] in deze procedure heeft overgelegd, heeft Zilveren Kruis volgens haar verklaring al meegenomen bij de beoordeling, maar die waren niet voldoende. Op grond van de overgelegde stukken is Zilveren Kruis tot de conclusie gekomen dat niet kon worden vastgesteld dat het geld volledig juist is besteed. Het kan dus kloppen dat [gedaagde sub 1] het geld wel heeft uitgegeven voor [betrokkene], maar dat Zilveren Kruis heeft geconcludeerd dat niet kon worden vastgesteld of het geld op deze manier uitgegeven had mogen worden en daarom toch terugbetaald moet worden. Als die conclusie niet juist was, had [gedaagde sub 1] dat ook in de bezwaarprocedure moeten en kunnen aanvoeren. Doordat het besluit formele rechtskracht heeft gekregen en er geen klemmende redenen zijn gebleken die een uitzondering op deze formele rechtskracht rechtvaardigen, gaat de kantonrechter er van uit dat de terugvordering van € 2.438,73 rechtmatig is en dat dat bedrag aan Zilveren Kruis moet worden terugbetaald.

5.3.

[gedaagde sub 2] heeft verder nog aangevoerd dat het onvoldoende verantwoorde gedeelte van het PGB ziet op de periode dat [gedaagde sub 1] voor die verantwoording moest zorgen, zodat zij niet hoeft mee te betalen aan de schuld die daardoor is ontstaan. Dit standpunt is echter niet juist. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet betwist dat zij gezamenlijk het gezag over [betrokkene] hadden toen hij minderjarig was. Op grond van de wet zijn zij in dat geval samen verantwoordelijk voor de verantwoording van het ontvangen PGB, zodat Zilveren Kruis hen allebei voor het teveel betaalde bedrag kan aanspreken. Dat, zoals [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd, de onvoldoende verantwoording te wijten zou zijn aan [gedaagde sub 1] omdat de verantwoording volgens [gedaagde sub 2] is misgegaan in de periode waarin [betrokkene] bij [gedaagde sub 1] woonde, maakt dit niet anders. Zilveren Kruis is niet gebonden aan afspraken die ouders met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind onderling hebben gemaakt. Zilveren Kruis mag het geld dus van allebei de ouders vorderen. Dat neemt niet weg dat, als zou komen vast te staan dat het inderdaad voor rekening van [gedaagde sub 1] moet komen dat deze schuld is ontstaan, [gedaagde sub 2] de bedragen die zij uiteindelijk op grond van dit vonnis aan Zilveren Kruis betaalt, weer van [gedaagde sub 1] zou kunnen terugvorderen. Dat is echter iets dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] buiten deze procedure om onderling moeten regelen, al dan niet via een gerechtelijke procedure.

5.4.

De conclusie is dat de vordering van Zilveren Kruis van € 2.438,73 tegen zowel [gedaagde sub 1] als tegen [gedaagde sub 2] kan worden toegewezen. Zij moeten samen zorgen dat Zilveren Kruis dit geld ontvangt.

5.5.

Daarnaast vordert Zilveren Kruis buitengerechtelijke incassokosten van € 442,63 incl. btw. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toegestaan en voldoet ook overigens aan de daaraan gestelde voorwaarden. Dit bedrag kan dan ook worden toegewezen.

5.6.

Ten aanzien van de reeds berekende rente over de hoofdsom merkt de kantonrechter op dat in beide dagvaardingen staat dat die rente is berekend “tot vandaag”. “Vandaag” is voor de dagvaarding van [gedaagde sub 1] echter 5 november 2019, de dag waarop de dagvaarding aan hem is betekend, en voor [gedaagde sub 2] 18 november 2019. In beide dagvaardingen is de berekende rente echter vastgesteld op € 135,50. Om die reden gaat de kantonrechter er in het voordeel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van uit dat de rente van € 135,50 is berekend tot 18 november 2019, zodat de rente tegen beide gedaagden verder zal worden toegewezen vanaf 18 november 2019 en bij [gedaagde sub 1] dus niet vanaf 5 november 2019, zoals gevorderd.

5.7.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. Daarnaast vordert Zilveren Kruis rente over de reeds berekende rente. Op grond van artikel 6:119 lid 2 BW kan rente over reeds verschuldigde rente echter slechts worden toegewezen over de rente die (meer dan) een vol jaar verschuldigd is. Gesteld noch gebleken is dat daarvan hier sprake is, zodat dit deel van de rente eveneens zal worden afgewezen.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Zilveren Kruis van € 3.016,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.438,73 vanaf 18 november 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Zilveren Kruis tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 206,12

griffierecht € 486,00

salaris gemachtigde € 420,00 (2x € 210);

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter