Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11632

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
24-02-2021
Zaaknummer
8693885 AO VERZ 20-127
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Artikel 96 Rv-procedure inzake Wnra, Waadi en WNT. Werknemer kan niet met terugwerkende kracht als ambtenaar worden aangemerkt. De Cao SGO is van toepassing o.g.v. art. 8a lid 2 Waadi. De bovenwettelijke uitkeringsrechten vallen niet onder de WNT-norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0218
JAR 2021/79 met annotatie van Cruijningen, V.L.S. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./repnr.: 8693885 AO VERZ 20-127

Uitspraakdatum: 17 december 2020

Uitspraak van de kantonrechter op het gezamenlijk verzoek ex artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon
De Gemeenschappelijke Regeling Zuid Kennemerland
gevestigd te Hoofddorp
hierna te noemen: de GR Paswerk

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Personeel WZK B.V.
gevestigd te Cruquius
hierna te noemen: Personeel WZK

verzoeksters, hierna gezamenlijk te noemen: werkgever
gemachtigde: mr. R. van Arkel

en

[medeverzoeker]

wonende te [woonplaats]

mede verzoeker
verder te noemen: [medeverzoeker]

gemachtigde: mr. K.F.A.M. Weijling

1 Het procesverloop

Partijen hebben gezamenlijk een verzoekschrift met producties ingediend op 7 augustus 2020. Op 5 november 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Partijen hebben hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter uitgesloten. Tevens hebben partijen afgesproken dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

2 De rechtsvragen

2.1.

De achtergrond van de vragen van partijen is dat de GR Paswerk en WZK Personeel (hierna: werkgever) met [medeverzoeker] in gesprek zijn gegaan over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst en partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of [medeverzoeker] recht heeft op de in de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (hierna: de cao SGO) beschreven uitkeringsrechten, te weten een aanvullende – en nawettelijke – uitkering op een werkloosheidsuitkering, waarvan de kosten voor rekening van werkgever komen. Omdat [medeverzoeker] topfunctionaris is in de zin van de Wet Normering Topinkomens (hierna: de WNT) moeten afspraken over een eventuele beëindigingsvergoeding bovendien voldoen aan de eisen die de WNT daaraan stelt.

2.2.

Partijen hebben de kantonrechter daarom verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. geldt de cao SGO voor [medeverzoeker] ?

  2. als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vloeien de in de cao SGO beschreven uitkeringsrechten ten aanzien van [medeverzoeker] rechtstreeks, dwingend en eenduidig voort uit een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of een andere collectieve regeling en dienen deze uitkeringsrechten gelet op de WNT in zijn geval niet als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband te worden beschouwd?

3 De feiten

3.1.

De Gemeenschappelijke Regeling Zuid Kennemerland (hierna: de GR Paswerk) is een publiekrechtelijke rechtspersoon, waaraan de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede en Zandvoort deelnemen. De GR Paswerk is verantwoordelijk voor het uitvoeren van taken op het gebied van sociale werkvoorziening. De GR Paswerk wordt vertegenwoordigd door wethouders van de hiervoor genoemde gemeenten.

3.2.

Personeel WZK B.V. (opgericht in 2005) houdt zich, samengevat, bezig met het aannemen, recruteren en detacheren van personeel. De GR Paswerk is 100% aandeelhouder van Personeel WZK.

3.3.

[medeverzoeker] , geboren [in 1956] , heeft op 8 april 2005 met Werkpas B.V. (de rechtsvoorganger van Personeel WZK) een arbeidsovereenkomst voor drie jaar gesloten.
Vanuit Werkpas B.V. is [medeverzoeker] gedetacheerd bij de GR Paswerk. Bij bestuursbesluit van 31 maart 2005 is [medeverzoeker] met ingang van 13 juni 2005 tot algemeen directeur van de GR Paswerk benoemd.

3.4.

In artikel 27 van de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland (versie 2005) is het volgende opgenomen:

‘1. De directie en de controller worden aangesteld door het algemeen bestuur op voordracht van het dagelijks bestuur.
2. Het overige personeel wordt aangesteld door het dagelijks bestuur.
4. Op het bij het werkvoorzieningsschap gedetacheerde personeel is de CAO voor het Ziekenhuiswezen van toepassing.

(..)’

3.5.

Bij (door [medeverzoeker] ondertekende) brief van 12 juli 2007 is de arbeidsovereenkomst van [medeverzoeker] per 1 januari 2007 ondergebracht bij Personeel WZK. [medeverzoeker] is op basis van detachering werkzaam gebleven als algemeen directeur bij de GR Paswerk en is tegelijkertijd bestuurder (met de titel van directeur) van Personeel WZK geworden.

3.6.

Bij bestuursbesluit van 22 oktober 2007 heeft de GR Paswerk over de arbeidsrechtelijke positie van [medeverzoeker] het volgende geschreven: ‘Arbeidsrechtelijk heeft het DB een noodzakelijke wijziging aangebracht in de positie van dhr. [medeverzoeker] . Wij hebben namelijk geconstateerd dat de beoogde overgang van dhr. [medeverzoeker] naar de WZK BV nog niet had plaatsgevonden. Ter verduidelijking: de WZK BV is indertijd opgericht met als specifiek doel daarin functionarissen als dhr. [medeverzoeker] arbeidsrechtelijk onder te brengen. Het DB heeft op 26 september jl. besloten om dit verzuim te herstellen en dhr. [medeverzoeker] met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 onder te brengen in WZK B.V.’

3.7.

Bij brief van 12 juni 2009 heeft [medeverzoeker] aan de voorzitter van het bestuur van de GR Paswerk onder meer geschreven dat hij ‘op 12 juli 2007 formeel in dienst is getreden bij de WZK BV’.

3.8.

In artikel 26 Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland (versie 2016) is onder andere het volgende opgenomen:
‘(..)
3. Het bij het werkvoorzieningsschap werkzame personeel wordt op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangesteld bij Personeel WZK BV en vervolgens bij het werkvoorzieningsschap gedetacheerd.
4. Op het door het werkvoorzieningsschap aangestelde personeel dat op 25 augustus 2005 reeds in dienst was, is de ambtelijke rechtspositie van toepassing.’

3.9.

Bij brief van 12 februari 2016 heeft [medeverzoeker] aan het bestuur van de GR Paswerk het volgende geschreven: ‘Mijn dienstverband is aangevangen op 13 juni 2005. De wijzigingen m.b.t. de personeel WZK BV betreffen de periode na 25 augustus 2005. Zelfs in de meest recente GR (1 januari 2016) staat in artikel 26, lid 4,’’op het door het Werkvoorzieningsschap aangestelde personeel dat op 25 augustus 2005 reeds in dienst was, is de ambtelijke rechtspositie van toepassing!

Het Algemeen bestuur van Paswerk had in juni 2005 eigenlijk de bepaling van de GR (1999), artikel 27 lid 3 of 4, voor mijn aanstelling moeten toepassen, d.w.z.:
a) een ambtelijke aanstelling.
b) een detachering onder de cao van het ziekenhuiswezen.’

3.10.

In de bestuursvergadering van de GR Paswerk van 12 september 2019, waarbij [medeverzoeker] aanwezig was, is besloten dat ‘medewerkers van de WZK BV in de WZK blijven en hen de rechten worden toegekend, zoals die zijn beschreven in de Wnra die per 1-1-20 van kracht wordt.

3.11.

Vanaf 1 januari 2020 is de cao SGO op het personeel van de GR Paswerk van toepassing. De cao SGO is een één-op-één-omzetting van de CAR/UWO die bij de gemeenten en de GR vóór 1 januari 2020 van toepassing was (voor de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren). De cao SGO biedt na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in aanvulling op een werkloosheidsuitkering recht op een aanvullende – en nawettelijke – uitkering. De kosten van deze uitkeringen komen voor rekening van de werkgever.

3.12.

[medeverzoeker] is topfunctionaris in de zin van de WNT.

3.13.

Partijen hebben een onderzoeksrapport van K Plus V uit 2018 overgelegd waarin de resultaten zijn beschreven van een onderzoek dat is uitgevoerd op verzoek van de SW-brancheorganisatie CEDRIS naar de beloningen van sociale werkvoorziening directeuren. Uit dit onderzoek volgt dat in 53 van de 71 onderzochte gevallen de CAR/UWO op de directeur van toepassing is.

4 De standpunten van partijen

4.1.

Samengevat is het standpunt van de werkgever dat [medeverzoeker] geen aanspraak kan maken op de arbeidsvoorwaarden uit de cao SGO. Volgens de werkgever is de cao SGO niet op [medeverzoeker] van toepassing en geldt deze cao ook niet voor [medeverzoeker] , omdat [medeverzoeker] niet als ambtenaar is aangesteld bij de GR Paswerk, maar een arbeidsovereenkomst met Personeel WZK heeft. Personeel WZK valt niet onder de werkingssfeerbepaling van de cao SGO en de arbeidsovereenkomst bevat geen incorporatiebeding. [medeverzoeker] heeft ook niet via de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: Waadi) recht op de arbeidsvoorwaarden uit de cao SGO, omdat in de sociale werkbedrijven geen functies zijn die vergelijkbaar zijn met de functie van [medeverzoeker] . Subsidiair geldt dat de bovenwettelijke uitkeringsrechten uit de cao SGO moeten worden aangemerkt als uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband die worden genormeerd door artikel 2.10 WNT.

4.2.

Samengevat is het standpunt van [medeverzoeker] dat hij tot 1 januari 2020 ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet was in dienst van de GR Paswerk en dat de GR Paswerk als lid van de werkgeversvereniging gebonden is aan de cao SGO en hij aldus aan die cao rechten kan ontlenen. Subsidiair stelt [medeverzoeker] dat hij recht heeft op de bovenwettelijke uitkeringen uit de cao SGO op grond van artikel 8a lid 2 Waadi. Omdat de aanspraak rechtstreeks voortvloeit uit de Waadi kwalificeren de bovenwettelijke uitkeringen volgens [medeverzoeker] niet als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en vallen deze uitkeringen buiten het maximum van € 75.000,- uit de WNT.

5 De beoordeling

Geldt de cao voor [medeverzoeker] ?

5.1

De eerste vraag die voorligt is of [medeverzoeker] als ambtenaar tot 1 januari 2020 in dienst was bij de GR Paswerk. Anders dan [medeverzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat in de onderhavige situatie geen sprake is van een ambtenaarsverhouding. De bestuursvergadering van 31 maart 2005 waarin [medeverzoeker] is benoemd tot directeur van de GR Paswerk kan naar het oordeel van de kantonrechter niet gelijkgesteld worden met een aanstellingsbesluit. Een ambtenaarsverhouding kan weliswaar ook tot stand komen zonder dat een duidelijk schriftelijk aanstellingsbesluit voorhanden is, maar in dat geval dient wel duidelijk te blijken dat een bestuursorgaan de levende bedoeling heeft (gehad) om een dergelijke verhouding tot stand te brengen, dan wel moeten er feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de betrokkene heeft mogen begrijpen dat een aanstelling tot ambtenaar feitelijk heeft plaatsgevonden (zie CRvB 3 maart 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:AK5712).

5.2.

In de voorliggende situatie zijn er geen duidelijke aanwijzingen om aan te nemen dat het de intentie van werkgever is geweest om [medeverzoeker] als ambtenaar aan te stellen of dat [medeverzoeker] als ambtenaar is aangesteld. Integendeel. Alle feiten en omstandigheden wijzen op het tegendeel. Tegelijkertijd met de benoeming van [medeverzoeker] op 31 maart 2005 is een arbeidsovereenkomst tussen Personeel WZK en [medeverzoeker] gesloten. [medeverzoeker] wist dat aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst met Personeel WZK een duidelijk doel ten grondslag lag, namelijk dat al het personeel bij GR Paswerk in 2005 in verband met financiële omstandigheden werkzaam was op detacheringsbasis. Hij heeft de arbeidsovereenkomst in 2005 ook ondertekend en in 2007 ingestemd met de omzetting van deze arbeidsovereenkomst van Werkpas B.V. naar Personeel WZK. De kantonrechter neemt hierdoor aan dat partijen destijds bewust hebben afgeweken van artikel 27 van de Gemeenschappelijke Regeling (versie 2005) waarin voorgeschreven werd dat [medeverzoeker] aangesteld diende te worden bij de GR Paswerk. Dat [medeverzoeker] (zelf ook wist dat hij) een arbeidsovereenkomst had en geen ambtelijke aanstelling, volgt ook uit zijn brief van 12 juni 2009 waarin hij heeft geschreven dat hij op 12 juli 2007 formeel in dienst is getreden bij Personeel WZK.

5.3.

Ook uit artikel 1, derde lid, Ambtenarenwet (oud): ‘Niet is ambtenaar in de zin van deze wet degene, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten’ volgt dat [medeverzoeker] niet was aangesteld als ambtenaar. [medeverzoeker] ontkent immers niet dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met (eerst Werkpas B.V. en daarna) Personeel WZK. Hij stelt weliswaar dat deze arbeidsovereenkomst is aangegaan in strijd met de Gemeenschappelijke Regeling, maar heeft daaraan (terecht) niet het rechtsgevolg verbonden dat die arbeidsovereenkomst niet tot stand is gekomen.

5.4.

Daarbij komt dat niet is gebleken dat [medeverzoeker] eerder dan in 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de arbeidsverhouding met Personeel WZK, terwijl er zich daarvoor geen omstandigheden hebben voorgedaan die erop wijzen dat [medeverzoeker] in de veronderstelling zou zijn geweest dat hij ambtenaar was. De door [medeverzoeker] aangehaalde jurisprudentie ziet op andere situaties waarbij niet – zoals in het onderhavige geval – naast de benoeming ook een arbeidsovereenkomst bestond.

5.5.

Het beroep van [medeverzoeker] op artikel 26, vierde lid, van de huidige Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland (versie 2016) waarin staat dat op het personeel dat reeds in dienst was op 25 augustus 2005 de rechtspositie van de gemeente Haarlem van toepassing is, baat [medeverzoeker] evenmin; op 25 augustus 2005 was [medeverzoeker] immers in dienst van Personeel WZK en niet van de GR Paswerk. Hetzelfde geldt voor het beroep van [medeverzoeker] op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit naar het oordeel van [medeverzoeker] voortvloeit dat bij een onduidelijk dienstverband met een tot de openbare dienst behorende instelling het uitgangspunt moet zijn dat sprake is van een ambtelijke aanstelling. In het voorliggende geval is immers geen sprake van een onduidelijk dienstverband, [medeverzoeker] was en is in dienst van Personeel WZK en gedetacheerd bij de GR Paswerk.

5.6.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeert als een civielrechtelijke betrekking. [medeverzoeker] kan niet met terugwerkende kracht als ambtenaar aangemerkt worden. Omdat [medeverzoeker] een arbeidsovereenkomst heeft met Personeel WZK, is de cao SGO niet rechtstreeks op hem van toepassing, omdat Personeel WZK niet onder de reikwijdte van artikel 1.2 van de cao valt, aangezien Personeel WZK niet aangemerkt kan worden als een organisatie zoals bedoeld in deze lijst. Personeel WZK is ook niet op grond van artikel 14 Wet op de cao gehouden om de cao SGO ten opzichte van [medeverzoeker] na te komen. Daarbij bevat de arbeidsovereenkomst geen incorporatiebeding op grond waarvan de cao SGO op [medeverzoeker] van toepassing is.

5.7.

Het bestuursbesluit van 12 september 2019 (vgl. de feiten) maakt het voorgaande niet anders, omdat uit dit besluit niet blijkt, zoals [medeverzoeker] heeft gesteld, dat als gevolg van de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) en de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) de cao SGO op alle medewerkers van Personeel WZK van toepassing is verklaard. In het bestuursbesluit van 12 september 2019 is nogmaals bevestigd dat de medewerkers van Personeel WZK B.V. bij deze vennootschap in dienst blijven en dat hen rechten worden toegekend zoals beschreven in de Wnra, hetgeen los staat van de toepasselijkheid van de cao SGO.

Artikel 8a lid 2 Waadi
5.8. Vaststaat dat tussen [medeverzoeker] en Personeel WZK, een onderneming die gelet op de omschrijving in de Kamer van Koophandel als activiteit heeft ‘aannemen, recruteren en detacheren van personeel’ een arbeidsovereenkomst bestaat en dat Personeel WZK [medeverzoeker] heeft gedetacheerd bij de GR Paswerk. Vervolgens ligt de vraag voor of [medeverzoeker] via artikel 8a, tweede lid, Waadi recht heeft op de bovenwettelijke uitkeringsrechten uit de cao SGO. (Partijen zijn het erover eens dat artikel 8a, eerste lid, van de Waadi niet van toepassing is, omdat [medeverzoeker] zowel binnen de GR Paswerk als Personeel WZK de enige directeur is.)

5.9.

In artikel 8a lid 2 Waadi is bepaald dat als de onderneming, waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt geen werknemers in dienst heeft in gelijke of gelijkwaardige functies, de arbeidskracht, met uitzondering van het bepaalde ten aanzien van de adequate pensioenregeling, recht heeft op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in de sector van het beroeps- of bedrijfsleven, waarin die onderneming werkzaam is.

5.10.

Werkgever meent dat de in artikel 8a, tweede lid, Waadi bedoelde vergelijking pas kan worden gemaakt indien voor de in dit artikel bedoelde werknemers (nagenoeg) eenduidige arbeidsvoorwaarden gelden. Omdat uit het hiervoor aangehaalde onderzoek (vgl. de feiten) blijkt dat er tussen directeuren van sociale werkvoorzieningsorganisaties grote verschillen in arbeidsvoorwaarden bestaan (waaronder in het bruto jaarinkomen en de pensioenbijdrage) kan, volgens werkgever, niet bepaald worden welke arbeidsvoorwaarden dan voor [medeverzoeker] zouden moeten gelden. Het vereiste van conformiteit van arbeidsvoorwaarden ligt in lijn met het doel van de wetgever, die met de voorschriften in de Waadi concurrentie op arbeidsvoorwaarden wil bestrijden door te voorkomen dat voor gedetacheerde werknemers slechtere arbeidsvoorwaarden gelden (zie Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 3, p. 8). Bij dit doel past volgens werkgever niet dat [medeverzoeker] uit de voor hem voordeligste arbeidsvoorwaarden kan kiezen. Ook via de Waadi kan [medeverzoeker] volgens de werkgever dus geen rechten ontlenen aan de cao SGO.

5.11.

De kantonrechter volgt dit standpunt van werkgever niet. Ter toelichting dient het volgende. Artikel 8a lid 2 Waadi is in het leven geroepen voor werknemers die voor opdrachtgevers werken die geen personeel hebben in de functie die de ter beschikking gestelde arbeidskracht vervult. In dat geval moet het werk dat de arbeidskracht verricht worden vergeleken met werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in de sector. De functie van [medeverzoeker] is directeur van een sociale werkvoorzieningsorganisatie. Vergeleken moet aldus worden welke arbeidsvoorwaarden gelden voor directeuren van andere sociale werkvoorzieningsorganisaties. Uit het rapport van K Plus V uit 2018 kan afgeleid worden dat de cao SGO op circa 70% van de directeuren van sociale werkvoorzieningsorganisaties wordt toegepast. Daarmee heeft [medeverzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aangetoond dat het in de sector gebruikelijk is dat voor de functie van algemeen directeur de cao SGO wordt gevolgd. Dat er spreiding is in de beloning van de directeuren maakt dat niet anders. Die spreiding kan immers tal van oorzaken hebben.

5.12.

Dat bovenwettelijke uitkeringen uit de cao SGO vallen onder ‘arbeidsvoorwaarden’ in de zin van artikel 8a tweede lid Waadi is zonder meer duidelijk. Het begrip arbeidsvoorwaarden heeft immers een ruime strekking en niet alleen betrekking op arbeidsvoorwaarden geregeld in collectieve arbeidsvoorwaarden, maar ook op eventuele rechtspositieregelingen, standaardarbeidsvoorwaarden en gewoonterecht dat heersend is in die sector van het beroeps- of bedrijfsleven waar de opdrachtgever werkzaam is (Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 3, p. 145). Naast de arbeidsvoorwaarden loon en overige vergoedingen en arbeidstijden, gaat het ook om (vaste) eenmalige uitkeringen, zoals een dertiende maand, pensioen, bovenwettelijke vakantiedagen, bovenwettelijke aanvullingen bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en scholing. [medeverzoeker] heeft er voorts terecht op gewezen dat de wetgever bij de invoering van artikel 8a Waadi mede het oog heeft gehad op het tegengaan van verschillen in arbeidsvoorwaarden op het gebied van bovenwettelijke regelingen van werkloosheid en het tegengaan van ontwijkingsconstructies bij de overheid gericht op het ontlopen van het eigenrisicodragerschap voor de WW (Kamerstukken II 2018/2019, 35057, nr.3, p. 35). De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat [medeverzoeker] op grond van artikel 8a lid 2 Waadi aanspraak kan maken op de bovenwettelijke uitkeringen van de cao SGO.

Bovenwettelijke uitkering en WNT

5.13.

De laatste vraag die voorligt is of de uit de cao SGO beschreven uitkeringsrechten via de toepassing van artikel 8a, tweede lid, Waadi vallen onder, of uitgezonderd zijn van de ‘uitkering wegens beëindiging van het dienstverband’ als bedoeld in de WNT en door de WNT genormeerd worden. Onder ‘uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband’ wordt gelet op artikel 1.1, onder i, WNT verstaan de som van uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en beloningen betaalbaar op termijn die betrekking hebben op de beëindiging van het dienstverband. De WNT heeft op dit punt een ruime strekking. Iedere uitkering die is gerelateerd aan het ontslag valt in beginsel onder de WNT-norm, tenzij het gaat om een uitkering die, gelet op artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT, rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of een andere collectieve regeling.

5.14.

De bovenwettelijke uitkeringsrechten op grond van de cao SGO vallen in beginsel niet onder de WNT-norm (CRvB van 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1924). Werkgever heeft betoogd dat, omdat in het voorliggende geval artikel 8a lid 2 van de Waadi (en niet de cao SGO rechtstreeks) de grondslag biedt voor de uitkeringsrechten, het recht hierop niet rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit de cao voortvloeit, zodat niet voldaan is aan artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsregeling WNT en de bovenwettelijke uitkeringen in mindering komen op de maximale beëindigingsvergoeding. De kantonrechter volgt werkgever hierin niet.

5.15.

Rechtstreeks, dwingend en eenduidig’ impliceert, gelet op de toelichting op artikel 4, tweede lid Uitvoeringsregeling WNT, dat alleen die uitkeringen worden uitgezonderd waarbij partijen geen invloed hebben op de hoogte ervan. Een in de cao opgenomen ontslaguitkering naar billijkheid valt bijvoorbeeld niet onder de uitzondering, omdat partijen daarop wel invloed kunnen uitoefenen. Vaststaat dat [medeverzoeker] geen invloed heeft (gehad) op de toepasselijkheid en de hoogte van de uitkeringsrechten. De kantonrechter concludeert dan ook dat de bovenwettelijke uitkeringsrechten die voortvloeien uit de cao SGO niet onder de WNT-norm vallen, ook niet als de aanspraak daarop via artikel 8a lid 2 van de Waadi is verkregen, aangezien er sprake is van een rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit een wettelijk voorschrift voorvloeiende ontslaguitkering. Dat [medeverzoeker] hierop recht heeft via artikel 8a lid 2 Waadi leidt dus niet tot een ander oordeel.

6 De beslissing

De kantonrechter bepaalt

rechtdoende op basis van artikel 96 Rv

6.1.

dat [medeverzoeker] op grond van artikel 8a lid 2 Waadi recht heeft op (de bovenwettelijke uitkeringen uit) de cao SGO;

6.2.

dat de bovenwettelijke uitkeringen uit de cao SGO rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeien uit een wettelijk voorschrift en een collectieve arbeidsovereenkomst en dat deze uitkeringsrechten gelet op de WNT in zijn geval niet als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband moeten worden beschouwd;

6.3.

dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W. Aardenburg en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.