Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11547

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
300348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst (Haviltex): geen onverkorte nakoming van gratuity vergoeding naast pensioenvoorziening. Vordering tot terugbetaling uitbetaalde declaraties afgewezen, omdat onvoldoende bewijs dat declaraties ten onrechte zijn ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0207
PR-Updates.nl PR-2021-0045
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 15/300348 / HA ZA 20-142

Uitspraakdatum: 18 november 2020

Vonnis van de rechtbank in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie, gedaagde in reconventie

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. J.J. van Wordragen

tegen

besloten vennootschap Kirloskar Pompen B.V.

gevestigd te Velsen-Noord

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie

verder te noemen: KPBV

gemachtigde: mr. D. Griffith

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 21 februari 2020 een vordering tegen KPBV ingesteld. KPBV heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Bij tussenvonnis van 22 juli 2020 is bepaald dat een comparitie zal plaatsvinden.

1.3.

De comparitie heeft via Skype plaatsgevonden op 6 oktober 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Zowel [eiser] als KPBV heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiser] een conclusie van antwoord in reconventie tevens akte nadere producties en een akte nadere producties ingediend. KPBV heeft bij akte van 30 september 2020 haar eis verminderd.

1.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

KPBV (voorheen genaamd Kirloskar Brothers Europe) is een bedrijf binnen de Kirloskar Groep en is gespecialiseerd in engineering en productie van systemen voor vloeistofmanagement. De moedermaatschappij van KPBV is Kirloskar Brothers Limited (hierna KBL).

2.2.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1969, is op 1 juli 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij KPBV in dienst getreden in de functie van General Manager Marketing. De arbeidsovereenkomst is na afloop steeds voor bepaalde tijd verlengd. Op de arbeidsovereenkomsten is Nederlands recht van toepassing verklaard. [eiser] is sinds zijn indiensttreding bij KPBV met zijn gezin woonachtig in Nederland.

2.3.

In de jaren voorafgaand aan zijn indiensttreding bij KPBV heeft [eiser] de volgende functies vervuld:

  • -

    6 juni 1993 – 27 november 1996: Assistant manager export bij KBL (de moeder van KPBV);

  • -

    27 november 1996 – 1 juli 2008: Sales manager bij Kirloskar Middle East in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna KMEF)

2.4.

In artikel 9.3 van de arbeidsovereenkomsten tussen [eiser] en KPBV is het volgende opgenomen:

‘9.3. The employee shall be compensated by the Employer for costs of business travel and accommodation as well as for all other business costs, Travel Expenses, by providing the original invoices to the Employer’

2.5.

In de eerste twee arbeidsovereenkomsten en in de laatste arbeidsovereenkomst is bepaald dat schoolkosten tot een in de overeenkomst opgenomen maximumbedrag aan [eiser] worden vergoed. In de tussenliggende arbeidsovereenkomsten van 18 oktober 2010 en 18 oktober 2013 ontbreekt een dergelijke bepaling.

2.6.

Bij brief van 26 oktober 2009 heeft [voorzitter] (hierna [voorzitter] ), voormalig voorzitter van het bestuur van KPBV, over de vergoeding van schoolkosten het volgende aan [eiser] geschreven.

This has reference to your appointment letter ref KBEB Dated June 30, 2008. Following terms of appointment are amended with effect from 27th March 2009.
1) Education allowance would be up to a maximum of Euro 16,700,00 per academic year per child instead of Eur 15.000 mentioned therein.
(…)’

2.7.

[eiser] is op 18 oktober 2010 aangesteld in de functie van Managing Director (statutair bestuurder). Sindsdien is in artikel 7 van zijn (opvolgende) arbeidsovereenkomsten de volgende bepaling opgenomen:

‘Article 7 Pension/Gratuity

7.1.

The Employee will be paid a gratuity equivalent to 30 days salary for each year service or part thereof as terminal benefits. The amout will be deposited by the employer in the pension fund at the end of each year and accrued amount will be paid as the end of service benefit’
De in het artikel bedoelde jaarlijkse stortingen zijn nooit verricht.

2.8.

In 2016 is het besluit genomen dat alle expats in dienst van KPBV zouden gaan deelnemen in de pensioenregeling van KPBV bij Zwitserleven. [eiser] heeft sindsdien, met terugwerkende kracht vanaf het moment van zijn indiensttreding bij KPBV, deelgenomen aan deze pensioenregeling.

2.9.

Op 1 augustus 2019 is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en KPBV door opzegging door [eiser] geëindigd. Ondanks een verzoek hiertoe van [eiser] op 28 juni 2019, heeft bij de eindafrekening geen uitbetaling van de ‘Gratuity’ zoals bedoeld in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst plaatsgevonden.

2.10.

KPBV heeft een verklaring van [voorzitter] van 4 november 2019 overgelegd, waarin hij ten aanzien van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst het volgende heeft geschreven:

‘When I agreed upon this clause with Mr. [eiser] on behalf of Kirloskar Pompen B.V., the parties’ intention was to safeguard that a pension would be accrued for Mr. [eiser] , either through contributions into the company’s pension fund or through accrual of gratuity. It was not the intention of parties that Mr. [eiser] would be entitled to contributions into the pension fund as well as payment of gratuity upon termination of the employment agreement. Hence the use of a slash (/) between Pension and Gratuity was made in the title of the clause’

2.11.

Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, heeft KPBV onderzoek laten doen door FSV Risk Advisory B.V. (hierna FSV) naar de kostendeclaraties en credit card betalingen van [eiser] in de periode 2015 tot en met 2019.

2.12.

In een rapport van 18 mei 2020 heeft FSV – voor zover relevant – het volgende geschreven:

‘(…). Based on transaction details and the standard (employee guide 2016) we noted the following detailed findings:
- stays at hotels within the Netherlands;
- lunches and dinners within the Netherlands, ao. With colleagues and during weekends and bank holidays
- purchases at Amazon, of which the individual receipts, invoices are missing;
- purchases in duty free airport shops, lacking evidence like invoices or receipts.

(…)

Given the nature of our work performed we do not draw a conclusion on our findings’.

2.13.

[eiser] heeft een verklaring van [voormalig bestuurder] (hierna [voormalig bestuurder] ), voormalig bestuurder van KPBV, van 21 september 2020 overgelegd, waarin – voor zover relevant – het volgende is opgenomen:

(…). The job contract was prepared by me on behalf of Mr. [voorzitter] and the Pension/Gratuity clause and a separate Bonus clause were included.

The Pension/Gratuity clause as stated in the contract, was checked in consultation with [pensioenadviseur] pension advisor at Allianz.

A Pension plan on “Dutch Basis” was not applicable to expats at the time when the 2010 contract was signed due to the originally intended limited living period in the Netherlands and hence pension plan was never discussed in 2010. However, the possibility of paying gratuity and depositing this amount in a pension fund for accrual was indeed discussed. After contract signing, I did check the possibility of depositing an amount in a pension fund with the pension advisor, so that the amount of gratuity accrued at the end of service could be paid to the Managing Director. It was not possible to accrue gratuity in a pension fund as a short term investment plan.

However the spirit and intention of the clause was clear: a terminal benefit paid out as lumpsum amount at the end of service to Mr. [eiser] , if he would leave the company or was transferred to another foreign position or returned to India’.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, KPBV veroordeelt:

I. primair tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 339.287,68 bruto, subsidiair een

bedrag van € 254.465,76 bruto en meer subsidiair een zodanig bedrag ten titel van

overeengekomen gratificatie als in goede justitie te bepalen, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2019 subsidiair vanaf de dag

der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, primair van € 4.200,44

inclusief BTW en subsidiair van € 3.687,27 inclusief BTW, te vermeerderen

met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;

III. in de proceskosten van deze procedure alsmede in de nakosten, te

vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien

dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] zijn voldaan.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij op grond van artikel 7 van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft op uitbetaling van de opgebouwde gratuity. Voor de berekening van het aantal dienstjaren moet worden uitgegaan van zijn datum in dienst op 1 juli 1993 bij KBL. Daarop moeten de dienstjaren bij KMEF in mindering worden gebracht omdat over die jaren al een gratuity is afgerekend. Voornoemde periode moet worden meegenomen omdat KPBV als opvolgend werkgever moet worden beschouwd nu voor de werkzaamheden die [eiser] bij KMEF heeft verricht wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist waren als de werkzaamheden die [eiser] bij aanvang van zijn dienstverband bij KPBV is gaan verrichten. Verder moet bij de berekening van de gratuity ook rekening worden gehouden met het aantal dienstjaren en moet de gratuity worden berekend op basis van het laatstverdiende salaris.
Omdat KPBV betaling geweigerd heeft, moet over de gratuity wettelijke rente worden betaald vanaf 1 september 2019.
KPBV moet ook worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van de staffel Buitengerechtelijke Incassokosten.

4 Het verweer en de (gewijzigde) tegenvordering

4.1.

KPBV betwist de vordering en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De bedoeling van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst was om te verzekeren dat een oudedagsvoorziening werd opgebouwd. Het artikel geeft [eiser] dus recht op of pensioen of de gratuity. Doordat [eiser] er in 2016 voor heeft gekozen om (met terugwerkende kracht vanaf zijn indiensttreding) deel te nemen aan de pensioenregeling, kan hij niet daarnaast ook nog aanspraak maken op gratuity.
Subsidiair, voor het geval zou worden geoordeeld dat [eiser] aanspraak heeft op betaling van gratuity, vordert hij een te hoog bedrag. Ten eerste rekent [eiser] met een te groot aantal dienstjaren, door ten onrechte ook zijn voorgaande dienstjaren bij KBL mee te nemen. Ten tweede heeft [eiser] de gevorderde gratuity ten onrechte (want in strijd met de systematiek van artikel 7) gebaseerd op zijn laatstverdiende salaris. Ten derde geldt dat [eiser] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de voor hem afgedragen pensioenpremies.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen, primair omdat ook de hoofdvorderingen moeten worden afgewezen, en subsidiair omdat wordt betwist dat [eiser] andere kosten heeft gemaakt dan kosten ter instructie van de zaak.

4.2.

KPBV vordert bij wijze van tegenvordering dat de rechtbank [eiser] veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan KPBV van:

1. een bedrag van € 35.667,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2019;
2. een bedrag van € 36.144,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2011;
3. een bedrag van € 41.975,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2014;
4. een bedrag van € 43.275,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2014;
5. een bedrag van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2014;
6. de kosten van het geding in reconventie.

4.3.

KPBV legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat uit het rapport van FSV blijkt dat [eiser] in de onderzochte periode voor een totaalbedrag van € 35.667,44 aan kosten ten laste van KPBV heeft gebracht zonder dat is voldaan aan de eisen die de Employee Guide hieraan stelt. KPBV heeft deze kosten dus onverschuldigd aan [eiser] (terug)betaald, zodat [eiser] dit bedrag aan KPBV moet vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.4.

Verder heeft [eiser] ten onrechte schoolkosten voor zijn kinderen in de periode tussen 2010 en 2015 te laste van KPBV gebracht, nu hieraan geen afspraak ten grondslag lag die [eiser] aanspraak gaf op vergoeding van schoolkosten. In de betreffende periode geldende arbeidsovereenkomsten ontbrak immers een bepaling die [eiser] recht gaf op vergoeding van schoolkosten. [eiser] is dan ook verplicht deze kosten (van € 36.144,78, € 41.975,-. € 43.275,- en € 500,-), vermeerderd met de wettelijke rente, aan KPBV terug te betalen.

5 Het verweer tegen de tegenvordering

5.1.

[eiser] betwist de tegenvordering en voert – samengevat – het volgende aan. Uit het rapport van FSV blijkt niet dat er onverschuldigde betalingen aan [eiser] zijn gedaan ten aanzien van door hem ingediende declaraties, noch dat de door [eiser] gemaakte kosten onrechtmatig ten laste van KPBV zijn gebracht. [eiser] heeft steeds in lijn met de Employee Guide gehandeld door uitsluitend zakelijke kosten, vergezeld van bonnen, te declareren. Door KPBV is nooit eerder kritiek geuit op door [eiser] ingediende declaraties. Er zijn ook nooit declaraties afgekeurd. De credit card betalingen betroffen inderdaad persoonlijke kosten, die door [eiser] zijn terugbetaald vanaf zijn privé rekening danwel door verrekening met zijn netto loon.

5.2.

Ook de vordering tot terugbetaling van schoolkosten moet worden afgewezen. Partijen zijn overeengekomen dat de schoolkosten altijd door KPBV werden gedragen. Dit is onder andere bevestigd in de brief van 26 oktober 2009, welke brief nooit is ingetrokken door KPBV.

6 De beoordeling

de vordering

6.1.

De vraag die beantwoord moet worden is of [eiser] op grond van artikel 7 van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft op betaling van een gratuity gelijk aan het loon over 30 dagen per gewerkt dienstjaar.

6.2.

Omdat [eiser] statutair bestuurder van KPBV is geweest, is de rechtbank ingevolge artikel 2:241 BW bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [eiser] .

6.3.

KPBV heeft betwist dat [eiser] aanspraak kan maken op een gratuity. KPBV heeft in dat verband toegelicht dat het artikel bedoeld is om te verzekeren dat een oudedagvoorziening voor [eiser] wordt opgebouwd ofwel door afdrachten van premies aan een pensioenfonds (pensioenregeling) ofwel door jaarlijkse stortingen in een door de werkgever zelf in stand gehouden voorziening (gratuity). De gratuity is bedoeld voor landen waarin de Kirloskar groep actief is, waarin pensioen in de Nederlandse vorm niet bestaat of voor buitenlanders niet toegankelijk is. Doordat [eiser] in 2016 heeft gekozen voor deelname aan de pensioenregeling, heeft hij daarmee tegen de gratuity gekozen. Dat [eiser] van eenzelfde lezing uitgaat, blijkt volgens KPBV uit het feit dat [eiser] , toen hij als Managing Director nog verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken binnen de organisatie, geen jaarlijkse stortingen heeft gedaan en daarvoor ook geen fonds in het leven heeft geroepen, noch hiervoor een voorziening in de jaarstukken heeft opgenomen. Ook uit het feit dat [eiser] voor zijn opzegging nooit kenbaar heeft gemaakt dat hij, naast deelname aan de pensioenregeling, aanspraak maakte op uitbetaling van een gratuity, valt volgens KPBV af te leiden dat [eiser] daar ook niet vanuit ging. Subsidiair stelt KPBV dat op de gratuity een bedrag van € 80.387,16 in mindering moet worden gebracht, het totaalbedrag dat door KPBV aan pensioenpremies is afgedragen ten behoeve van het pensioen van [eiser] .

6.4.

[eiser] heeft de door KPBV bepleite bedoeling van artikel 7 betwist. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn aanspraak op de gratuity een arbeidsvoorwaarde betreft die volledig losstaat van zijn deelname aan de pensioenregeling. Ter onderbouwing verwijst hij naar de verklaring van [voormalig bestuurder] (weergegeven onder 2.13) en naar de arbeidsovereenkomst van de CEO van de Thaise dochteronderneming van KBL, waarin zowel een pensioenbepaling als een gratuity clausule is opgenomen.

6.5.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat bij de uitleg van een overeenkomst niet alleen gekeken moet worden naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar de betekenis die partijen aan die tekst mochten toekennen, gelet op de gegeven omstandigheden van het geval en op basis van wat zij van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981, 635).

6.6.

De rechtbank is van oordeel dat zowel uit de kop (pension / gratuity) als de tekst van artikel moet 7 worden afgeleid dat de gratuity is bedoeld als (een alternatieve vorm van) pensioenvoorziening. Die bedoeling wordt door [voorzitter] bevestigd in de verklaring van 4 november 2019: ‘the parties intention was to safeguard that a pension woud be accrued for Mr. [eiser] ’. Dat [eiser] – ongeacht zijn deelname aan een pensioenregeling – bij de beëindiging van zijn dienstverband (ook) een gratuity zou ontvangen bij wijze van ontslagvergoeding, valt met de hiervoor weergegeven bedoeling niet te rijmen. Het blijkt ook niet uit de door [eiser] overgelegde stukken. In de verklaring van [voormalig bestuurder] staat weliswaar dat de intentie van de clausule was om [eiser] bij einde dienstverband ‘a terminal benefit’ uit te keren, maar die zin kan niet los gelezen worden van de voorgaande passages, waarin wordt bevestigd dat de gratuity bepaling in overleg met een pensioen adviseur is opgenomen en dat het bij het aangaan van de overeenkomst nog niet mogelijk was voor expats zoals [eiser] deel te nemen aan een Nederlandse pensioenregeling. Daaruit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat de gratuity bepaling is opgenomen juist om voor [eiser] een (alternatieve) pensioenvoorziening te creëren. Ook de door [eiser] overgelegde arbeidsovereenkomst van de CEO van de Thaise dochteronderneming bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [eiser] . KPBV heeft terecht aangevoerd dat de tekst van die clausule afwijkt van die van [eiser] en dat die bepaling moet worden bezien in de context van het toepasselijke Thaise recht en het pensioenstelsel in Thailand en dus niet relevant is in de huidige context.

6.7.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat [eiser] – naast zijn deelname aan de pensioenregeling - geen onverkorte nakoming van de gratuity bepaling kan afdwingen. Dat betekent echter niet dat hij niets meer van KPBV te vorderen heeft. Dat het niet mogelijk is gebleken de in artikel 7 voorgeschreven jaarlijkse stortingen in een pensioenfonds te doen, heeft niet tot gevolg dat de verplichting in zijn geheel is komen te vervallen. Daarbij moet echter wel rekening worden gehouden met de alternatieve vorm van oudedagvoorziening die in 2016 is geregeld door [eiser] (met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2008) aan de pensioenregeling bij Zwiterleven te laten deelnemen. Daarmee is immers de schade die [eiser] heeft geleden doordat geen jaarlijkse stortingen in een pensioenfonds zijn gedaan, in omvang beperkt.

6.8.

Het voorgaande brengt met zich dat [eiser] slechts aanspraak kan maken op uitbetaling van de gratuity, voor zover de waarde daarvan de door KPDB gedane pensioenafdrachten overstijgt. Het door KPBV genoemde totaalbedrag van afgedragen pensioenpremies van € 80.387,16 is door [eiser] niet betwist. Dit bedrag moet dus op de aan [eiser] uit te betalen gratuity in mindering worden gebracht.

Years of service

6.9.

Voor wat betreft het aantal dienstjaren waarmee bij de berekening van de gratuity rekening moet worden gehouden, volgt de rechtbank het standpunt van KPBV dat alleen de dienstjaren vanaf de indiensttreding bij KPBV moeten worden meegenomen. Dit zou anders zijn indien KPBV als opvolgend werkgever moet worden beschouwd ten aanzien van de direct voorafgaand aan de indiensttreding bij KPBV door [eiser] verrichte werkzaamheden. Daarvan is ex artikel 7:668a lid 2 BW sprake indien het gaat om (nagenoeg) dezelfde werkzaamheden waarvoor wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist zijn en KPBV inzicht had in die vaardigheden en verantwoordelijkheden van [eiser] .

6.10.

Voor zijn indiensttreding bij KPBV vervulde [eiser] de functie van Sales Manager bij KMEF. Bij KPBV is hij aan de slag gegaan in de functie van General Manager Marketing. Het ligt gelet op de verschillende functietitels waarvoor [eiser] in die functies verantwoordelijk was, niet voor de hand dat het om nagenoeg hetzelfde werk ging waarvoor wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist zijn. Het is de rechtbank ook niet duidelijk geworden in hoeverre de bedrijfsactiviteiten van KMEF en KPBV met elkaar overeenkomen. KPBV heeft ook betwist dat de werkzaamheden voor KMEF en die voor KPBV nagenoeg hetzelfde waren. Het had gelet hierop op de weg van [eiser] gelegen zijn stellingen nader te onderbouwen aan de hand van bijvoorbeeld functie-profielen. Dat heeft hij nagelaten. De enkele verwijzing door [eiser] naar een e-mail van [voorzitter] van 20 januari 2006, is onvoldoende om opvolgend werkgeverschap aan te nemen.

Salaris

6.11.

Voor wat betreft het salaris waarmee de gratuity moet worden berekend, moet naar het oordeel van de rechtbank worden uitgegaan van het salaris zoals dat gold in de betreffende jaren waarin de stortingen op grond van artikel 7 hadden moeten worden gedaan. De tekst en het systeem van artikel 7 bevat geen aanknopingspunten voor de stelling van [eiser] dat moet worden uitgegaan van het laatst verdiende salaris. Artikel 7 schrijft voor dat er aan het eind van ieder dienstjaar een storting wordt gedaan gelijk aan 30 dagen salaris en op dat moment was nog niet bekend wat de hoogte van het (laatst verdiende) salaris bij uitdiensttreding zou zijn. Dat het in India gebruikelijk is om uit te gaan van het laatstverdiende salaris (zoals door [eiser] gesteld), is door KPBV betwist en bovendien niet relevant nu de onderhavige vordering moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Datzelfde geldt voor het argument van [eiser] dat de gratuity die hij heeft ontvangen voor zijn jaren bij KMEF wel op zijn laatstverdiende loon is gebaseerd.

6.12.

De conclusie is dat de vordering van [eiser] tot uitbetaling van een gratuity zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gratuity moet worden berekend op basis van uitsluitend de dienstjaren bij KPBV en op basis van het 30 dagen salaris zoals dat gold in de betreffende dienstjaren in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 juli 2019, welk bedrag moet worden verminderd met een bedrag van € 80.387,16 aan door KPBV afgedragen pensioenpremies. De rechtbank laat het aan partijen over om de bedragen nader in te vullen en de rekensom te maken.

Wettelijke rente

6.13.

KPBV heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Die zal daarom worden toegewezen zoals gevorderd.

Buitengerechtelijke incassokosten

6.14.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Tegenover de betwisting door KPBV is niet onderbouwd is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden (anders dan werkzaamheden ter instructie van de zaak) zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

Proceskosten

6.15.

De proceskosten komen voor rekening van KPBV, omdat zij (grotendeels) ongelijk krijgt. Het salaris advocaat wordt aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.145,- (liquidatietarief van € 1.074,- per punt x 2 punten). Daarbij wordt KPBV ook veroordeeld tot betaling van de nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt.

de tegenvordering

6.16.

De vraag die voorligt is of [eiser] gehouden is tot terugbetaling aan KPBV van door KPBV aan [eiser] terugbetaalde declaraties, door [eiser] ten laste van KPBV gebrachte creditcard uitgaven en schoolkosten.

Declaraties en creditcard uitgaven

6.17.

KPBV heeft gesteld dat zij ten aanzien van genoemde posten onverschuldigd aan [eiser] heeft terugbetaald, zodat [eiser] gehouden is tot terugbetaling daarvan.

6.18.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 9.3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat door de werknemer gemaakte zakelijke kosten door KPBV vergoed worden. Een vergoeding voor gemaakte kosten is alleen dan onverschuldigd aan de werknemer betaald, indien de werknemer niet-zakelijke kosten heeft gedeclareerd. De bewijslast hiervoor ligt bij KPBV. KPBV heeft ter onderbouwing enkel naar het rapport van FSV verwezen. Een nadere toelichting op het rapport en de conclusies die daarin zijn opgenomen, is door KPBV niet gegeven. Dit had gelet op de eisen van een behoorlijke rechtspleging wel van KPBV verwacht mogen worden. Deze eisen brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechtbank duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (HR: 2017, 404, r.o 3.3.2).

6.19.

Voor zover de rechtbank uit dat rapport begrijpt, is door FSV geconstateerd dat bij een aantal declaraties geen bonnen of nadere/uitgebreide toelichting is aangetroffen. Die enkele vaststelling (die door [eiser] gemotiveerd is betwist), is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] onrechtmatig (want niet zakelijke) kosten heeft gedeclareerd. De rechtbank heeft gelet op de zeer gedetailleerde en gemotiveerde betwisting door [eiser] geen enkele aanwijzing dat dit het geval is geweest. [eiser] heeft aangevoerd dat zijn declaraties wel degelijk vergezeld waren van bonnen en er (onbetwist) op gewezen dat zijn declaraties altijd zonder kritiek zijn goedgekeurd door achtereenvolgens het Hoofd van de Boekhouding, de CFO van Kirloskar International, de accountant en [naam] , waarna steeds terugbetaling van de declaraties heeft plaatsgevonden. Verder heeft hij aangevoerd dat de gedeclareerde kosten allemaal voor zakelijke doeleinden zijn gemaakt. Ter onderbouwing is door hem een overzicht en een kopie van zijn zakelijke agenda overgelegd aan de hand waarvan hij een nadere toelichting op de declaraties heeft gegeven. Ten aanzien van de creditcard uitgaven heeft hij erkend dat het om privé-uitgaven ging, maar aangevoerd en met een overzicht van de betalingen tussen KPBV en [eiser] onderbouwd dat deze zijn terugbetaald vanaf zijn privérekening danwel verrekend zijn met zijn salaris. Het had tegenover deze gemotiveerde betwisting op de weg van KPBV gelegen haar stellingen nader te bewijzen, hetgeen niet is gebeurd. De conclusie is dan ook dat KPBV er niet in is geslaagd te bewijzen dat genoemde kostenposten door [eiser] onrechtmatig ten laste van KPBV zijn gebracht en (dus) onverschuldigd door KPBV zijn betaald.

Schoolkosten

6.20.

Verder heeft KPBV terugbetaling gevorderd van schoolkosten die in de periode van 2010-2015 ten laste van KPBV zijn gebracht ten behoeve van de kinderen van [eiser] . KPBV stelt dat er in die periode geen contractuele afspraak bestond op grond waarvan [eiser] voor vergoeding van die kosten in aanmerking kwam, zodat de conclusie is dat de kosten onverschuldigd zijn betaald en door [eiser] moeten worden terugbetaald.

6.21.

De rechtbank volgt KPBV hierin niet. Uit de brief van [voorzitter] van 26 oktober 2009 (weergegeven onder 2.6) valt af te leiden dat bij indiensttreding van [eiser] door KPBV de afspraak is gemaakt dat de schoolkosten van de kinderen van [eiser] door KPBV worden vergoed. Deze afspraak is niet beperkt tot een bepaalde periode/schooljaar (de brief spreekt bijvoorbeeld over een vergoeding ‘per academic year’). Gesteld noch gebleken is dat deze afspraak nadien op enig moment door partijen is gewijzigd. Uit het enkele feit dat in twee van de in totaal vijf tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten een clausule voor de vergoeding van schoolkosten ontbreekt, kan niet worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen was met elkaar af te spreken dat [eiser] - uitsluitend in die periode en in tegenstelling tot de jaren ervoor en erna - de schoolkosten voor eigen rekening zou nemen. Een dergelijke afspraak, waarbij schoolkosten het ene jaar wel en het andere jaar niet worden vergoed, ligt ook niet voor de hand in een situatie als deze, waarin [eiser] voor zijn baan bij KPBV met zijn gezin (inclusief schoolgaande kinderen) naar Nederland is verhuisd.

Conclusie

6.22.

De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank de reconventionele vorderingen van KPBV zal afwijzen.

Proceskosten

6.23.

De proceskosten komen voor rekening van KPBV, omdat zij ongelijk krijgt. Het salaris advocaat wordt aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.402,- (1 punt).

7 De beslissing

De rechtbank:

de vordering

7.1.

veroordeelt KPBV tot betaling aan [eiser] van een bedrag aan ‘gratuity’ gelijk aan de som van het 30 dagen salaris zoals dat gold in ieder dienstjaar in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 juli 2019, waarop in mindering wordt gebracht een bedrag van € 80.387,16 aan door KPBV afgedragen pensioenpremies, te vermeerderen met de wettelijke over het te betalen bedrag vanaf 1 september 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.2.

veroordeelt KPBV tot betaling van de proceskosten, die de rechtbank aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 106,46
griffierecht € 1.639,00
salaris advocaat € 2.145,00;
en tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

7.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

7.5.

wijst de vordering af;

7.6.

veroordeelt KPBV tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 2.402,00 aan salaris van de advocaat van [eiser] ;

7.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg, rechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De rechtbank