Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11545

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
8770375
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afgesplitst verzoek, vakantiebijslag op grond van art Rome I jo WML verschuldigd tot drievoud minimumloon. Aanvullend nevenverzoek gedaan na eindbeslissing hoofdverzoek is te laat, dus niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8770375 AO20-155

Uitspraakdatum: 2 december 2020

Beschikking in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. L.H. Toonen

tegen

de vennootschap naar Turks recht TURISTIK HAVA TAŞIMACILIK A.Ş.

(onder meer) gevestigd te Antalya (Turkije)

verwerende partij

verder te noemen: Turistik Hava

gemachtigde: mr. J.G. Mahn

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft op 20 mei 2020 een verzoek gedaan om Turistik Hava te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en tot betaling van achterstallig loon (vakantiebijslag). Turistik Hava heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Nadat op 18 augustus 2020 een (Skype-)zitting had plaatsgevonden, heeft de kantonrechter op 22 september 2020 een beschikking gewezen (8534186 AO VERZ 20-81). Daarin is het verzoek van [werknemer] om Turistik Hava te veroordelen tot betaling van het vakantiebijslag afgesplitst van de andere verzoeken en bepaald dat dit verzoek gezamenlijk zal worden behandeld met andere dagvaardingsprocedures van voormalig piloten van Turistik Hava tegen Turistik Hava (7753672 CV EXPL 196125 en 7970726 CV EXPL 19-11826) die bij deze rechtbank spelen en die onder meer zien op betaling van achterstallig salaris in de vorm van vakantiegeld.

1.3.

Op 21 oktober 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar het afgesplitste verzoek van [werknemer] en de vorderingen uit de onder 1.2. genoemde dagvaardingsprocedures gezamenlijk zijn behandeld. De vertegenwoordigers van Turistik Hava hebben door middel van een telefonische/Skype-verbinding aan de mondelinge behandeling deelgenomen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben ook gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting heeft [werknemer] bij brief van 15 oktober 2020 nog aanvullende producties en een aanvulling op zijn verzoekschrift gestuurd.

1.4.

Vervolgens is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Turistik Hava is een vennootschap naar Turks recht. Zij exploiteert haar bedrijfsactiviteiten tevens onder de naam Corendon Airlines. Turistik Hava heeft een hoofdvestiging in Istanbul (Turkije) en nevenvestigingen in Antalya (Turkije) en Lijnden (Nederland). Turistik Hava drijft een onderneming die zich bezighoudt met het vervoer van personen door de lucht met gebruikmaking van vliegtuigen die in Turkije zijn geregistreerd.

2.2.

[werknemer] is op 11 maart 2013 in dienst getreden bij Turistik Hava in de functie van ‘first officer’ (co-piloot) tegen een salaris van (laatstelijk) € 4.200 netto exclusief emolumenten.

2.3.

In de maanden januari 2018, maart 2018, (deels) december 2018 en januari 2019 heeft [werknemer] niet gewerkt vanwege onbetaald verlof en is aan hem geen salaris betaald.

2.4.

Bij brief van 20 maart 2020 heeft Turistik Hava het dienstverband met [werknemer] per die datum opgezegd.

2.5.

Bij e-mail van 1 mei 2020 heeft [werknemer] geprotesteerd tegen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst en aanspraak gemaakt op de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een eindafrekening.

2.6.

Omdat Turistik Hava aan deze verzoeken geen gehoor gaf, heeft [werknemer] haar in rechte betrokken.

2.7.

Bij beschikking van 22 september 2020 (8534186 AO VERZ 20-81) heeft de kantonrechter geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil tussen Turistik Hava en [werknemer] kennis te nemen en dat dwingendrechtelijk bepalingen uit het Nederlands arbeidsrecht op grond van artikel 8 lid 2 Rome I van toepassing zijn op de arbeidsverhouding tussen [werknemer] en Turistik Hava. De verzoeken van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding en een transitievergoeding zijn toegewezen en het verzoek tot (na-)betaling van vakantiebijslag is afgesplitst naar deze procedure.

3 Het (gewijzigde) verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt na aanvulling om Turistik Hava, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan [werknemer] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting te en binnen een week na betekening van het vonnis, van:

- het achterstallig loon (8% vakantiebijslag) van € 18.642,- netto;

- het achterstallig loon over de maanden januari 2018, maart 2018, de tweede helft van december 2018 en januari 2019 (onterecht onbetaald verlof) van 15.876,- netto;

- de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon;

- de proceskosten, de nakosten en het salaris van de gemachtigde van [werknemer] daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort gezegd – dat Turistik Hava sinds de indiensttreding van [werknemer] geen jaarlijkse vakantiebijslag heeft uitbetaald, terwijl [werknemer] daar wel recht op had op grond van artikel 15 van de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Over de periode van 1 juni 2014 tot en met 20 maart 2020 heeft [werknemer] in totaal een bedrag van € 233.033,60 netto aan loon ontvangen, zodat hij recht heeft op 8% vakantiebijslag daarover.

3.3.

Verder heeft Turistik Hava [werknemer] in de maanden januari 2018, maart 2018, de tweede helft van december 2018 en januari 2019 ten onrechte met onbetaald verlof gestuurd vanwege het feit dat zij onvoldoende werk voor [werknemer] voorhanden had. Deze handelwijze is in strijd met de dwingendrechtelijke bepaling uit artikel 7:628 lid 1 BW. Op grond daarvan heeft [werknemer] recht op doorbetaling van loon over die periode, aangezien de omstandigheid dat er geen werk voorhanden was voor rekening en risico van Turistik Hava komt.

3.4.

Omdat Turistik Hava het loon niet (tijdig) heeft betaald, is zij op grond van artikel 7:625 BW 50% wettelijke verhoging over het achterstallig loon verschuldigd.

4 Het verweer

4.1.

Turistik Hava verweert zich en stelt dat het verzoek tot betaling van vakantiebijslag moet worden afgewezen en het verzoek tot betaling van salaris over de onbetaald verlofperiode niet-ontvankelijk is.

4.2.

Turistik Hava voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Turistik Hava betwist de hoogte van het door [werknemer] gestelde ontvangen loon alsmede de grondslag waarop hij zijn vordering baseert (loon vanaf 1 juni 2014). Voor zover de vordering ziet op vakantiebijslag over de periode gelegen vóór 19 mei 2015, geldt dat deze is verjaard. Tot slot geldt op grond van de WML dat alleen vakantiebijslag verschuldigd is over dat deel van het loon dat het drievoud van het minimum loon niet overschrijdt.

4.3.

Het (neven-)verzoek tot betaling van loon over de onbetaald verlofperioden had gelijktijdig met het hoofdverzoek ingediend moeten worden en is dus te laat ingediend. Daarmee heeft [werknemer] in strijd met de goede procesorde gehandeld en wordt Turistik Hava in haar procesbelangen geschaad, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Subsidiair wordt betwist dat [werknemer] door Turistik Hava met onbetaald verlof is gestuurd. Hij was op eigen verzoek met onbetaald verlof en was in die periode niet beschikbaar of bereid de bedongen arbeid te verrichten vanwege zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer. Onder die omstandigheden bestaat geen recht op doorbetaling van loon ex artikel 7:628 BW.

4.4.

De wettelijke verhoging moet eveneens worden afgewezen nu van een prikkel voor tijdige betaling geen sprake is doordat het dienstverband al geëindigd is.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Turistik Hava moet worden veroordeeld tot betaling van 8% vakantiebijslag over het aan [werknemer] uitbetaalde salaris en tot betaling van salaris over de onder 2.3. hiervoor genoemde perioden van onbetaald verlof.

5.2.

Nu in de beschikking van 22 september 2020 reeds is geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil tussen Turistik Hava en [werknemer] kennis te nemen en dat op grond van artikel 8 Rome I dwingendrechtelijke bepalingen uit het Nederlands recht van toepassing zijn, zal de kantonrechter de verzoeken van [werknemer] naar Nederlands recht beoordelen.

Vakantiebijslag

5.3.

[werknemer] heeft zijn vordering gebaseerd op artikel 15 WML. Daarin is bepaald dat de werknemer recht heeft op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, met dien verstande dat het bedrag waarmee de som van dit loon het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft.

5.4.

[werknemer] heeft gesteld dat artikel 15 WML een dwingendrechtelijke bepaling als bedoeld in artikel 8 Rome I is. De kantonrechter volgt [werknemer] hierin niet. Het gaat in artikel 8 Rome I om bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken. Op grond van artikel 16 lid 5 WML is het echter wel mogelijk om bij schriftelijke overeenkomst van artikel 15 lid 1 WML af te wijken als het overeengekomen loon (waarvan Turistik Hava onbetwist heeft gesteld dat dit bij [werknemer] het geval is) het drievoud van het minimumloon overschrijdt. De bepaling is daarom niet op grond van artikel 8 Rome I van toepassing.

5.5.

De kantonrechter oordeelt dat artikel 15 WML wel op grond van artikel 9 Rome I in verbinding met artikel 4 WML van toepassing is, nu de WML kwalificeert als bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9 lid 1 Rome I. De dienstbetrekking valt binnen de in artikel 4 WML bepaalde territoriale werkingssfeer van de WML, omdat Turistik Hava in Lijnden een vaste vertegenwoordiger had en [werknemer] na iedere vlucht met het toestel van Turistik Hava terugkeerde naar de vaste basis in Amsterdam (JAR 2019/147 en JAR 2017/258).

5.6.

Het verweer van Turistik Hava dat de vordering van voor 19 mei 2019 is verjaard, slaagt niet. In artikel 20 WML is bepaald dat de vordering tot betaling van vakantiebijslag verjaart na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden. Uitbetaling vindt op grond van artikel 17 WML plaats in de maand juni volgend op het jaar waarover de vakantiebijslag is opgebouwd. De vakantiebijslag opgebouwd over de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 mei 2015 is dus pas in juni 2015 opeisbaar. [werknemer] heeft zijn vorderingen ingediend bij verzoekschrift van 20 mei 2019, aldus binnen de verjaringstermijn van artikel 20 WML.

5.7.

De kantonrechter volgt Turistik Hava wel in haar standpunt dat slechts vakantiebijslag verschuldigd is over het deel van het salaris dat het drievoud van het minimumloon niet overschrijdt, treft wel doel. In artikel 15 lid 1 is immers bepaald dat ‘het bedrag waarmee de som van dit loon […] het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft’. Deze bepaling geeft een formeel maximum voor de wijze van berekening van de vakantiebijslag. Over het deel van het loon, dat uitkomt boven driemaal het minimumloon, hoeft geen vakantiebijslag te worden betaald (art.15, lid 1, WML). Anders dan door [werknemer] is bepleit, gaat het hier niet om een afwijking van de WML die bij schriftelijke overeenkomst moet worden gedaan. Deze regel maakt onderdeel uit van de hoofdregel en vloeit rechtstreeks uit artikel 15 lid 1 WML voort.

5.8.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [werknemer] tot betaling van 8% vakantiebijslag over het aan hem uitbetaalde salaris in de periode van 1 juni 2014 tot en met 20 maart 2020 zal worden toegewezen. Over deze periode moet de vakantiebijslag worden berekend over het drievoud van het minimumloon als bedoeld in artikel 15 lid 1 en lid 2 WML. Nu [werknemer] in zijn vordering geen rekening met dit maximum heeft gehouden en Turistik Hava de door [werknemer] aan zijn berekening ten grondslag gelegde salarisbedragen heeft betwist, is het aan (de loonadministrateur van) Turistik Hava om conform bovenstaande instructie te berekenen welk concreet bedrag aan vakantiebijslag aan [werknemer] moet worden nabetaald.

Onbetaald verlof

5.9.

De volgende vraag die voorligt is of [werknemer] ontvankelijk is in zijn op 15 oktober 2020 ingediende aanvullende verzoek om Turistik Hava te veroordelen tot betaling van salaris over perioden van onbetaald verlof.

5.10.

In artikel 130 Rv is bepaald dat, zolang de rechter nog niet heeft medegedeeld binnen welke termijn hij eindvonnis zal wijzen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De rechter kan een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten indien deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Deze bepaling is ex artikel 283 Rv ook van toepassing op de verzoekschriftprocedure.

5.11.

Het aanvullend verzoek dat door [werknemer] is gedaan is een ‘daarmee verband houdende vordering’ als bedoeld in artikel 7:686a lid 2 en 3 BW, omdat het gaat om een vordering die bij het einde van de arbeidsovereenkomst kan worden ingediend.

5.12.

Vaststaat dat de aanvulling op het verzoekschrift door [werknemer] is gedaan nádat in de beschikking van 22 september 2020 een eindbeslissing op het hoofdverzoek is gegeven. Of daarmee de bevoegdheid van [werknemer] om daarna nog een (aanvullend) nevenverzoek in te dienen is komen te vervallen, kan in het midden blijven, omdat wordt geoordeeld dat het aanvullend verzoek van [werknemer] in strijd is met de goede procesorde. [werknemer] heeft zijn gewijzigde verzoek slechts vier werkdagen voor de zitting ingediend, waardoor Turistik Hava niet meer in de gelegenheid was om binnen de toepasselijke termijn nadere stukken in te dienen. Aan het aanvullend verzoek zijn bovendien feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die al veel langer bij [werknemer] bekend waren, zodat niet valt in te zien waarom [werknemer] zijn verzoek niet eerder (voordat in de hoofdzaak beschikking werd gewezen) heeft aangevuld. [werknemer] zal gelet op het voorgaande in zijn aanvullend verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wettelijke verhoging

5.13.

De wettelijke verhoging over de toegewezen vakantiebijslag zal worden toegewezen. Dat de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd en de verhoging dus niet meer als toekomstige financiële prikkel kan dienen, leidt er niet toe dat geen verhoging verschuldigd is. Het lag op de weg van Turistik Hava, als professionele werkgever, die zich voor de uitvoering van haar werkzaamheden begeeft op het grondgebied van de Europese Unie en daarvoor ook werknemers uit die lidstaten te werk stelt, om op voorhand te informeren over de mogelijke juridische consequenties daarvan. De kantonrechter ziet in de omstandigheden wel aanleiding de verhoging te matigen tot 10%.

Proceskosten

5.14.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Turistik Hava tot betaling aan [werknemer] van 8% vakantiebijslag zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 WML over het door Turistik Hava aan [werknemer] uitbetaalde salaris in de periode van 1 juni 2014 tot en met 20 maart 2019 met dien verstande dat over het deel van het salaris dat het drievoud van het minimumloon overschrijdt geen vakantiebijslag hoeft te worden betaald, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10%, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en te voldoen binnen een maand na betekening van de beschikking;

6.2.

verklaart [werknemer] niet-ontvankelijk in zijn verzoek om Turistik Have te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon (onterecht onbetaald verlof) van € 15.876,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%;

6.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter