Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11519

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
C/15/309608 / HA RK 20/201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

Locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/309608 / HA RK 20/201

Beslissing van 24 december 2020

op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. C.P.R.M. Dekker, advocaat te Den Haag.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. A.C. Haverkate,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 9 november 2020 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar, aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/303206 / HA ZA 20/329, hierna te noemen: de hoofdzaak.

In deze zaak – met als eisende partij [naam] (hierna ook: [naam]) – is door verzoeker, gedaagde, een zogenoemd incident opgeworpen betreffende de bevoegdheid van de rechtbank. Verzoeker heeft daarbij – op gronden uiteengezet in de conclusie van antwoord, pagina 13 e.v. – aangevoerd dat de rechtbank te Douglas, Isle of Man, bij uitsluiting bevoegd is om het geschil te behandelen, en niet de Nederlandse rechter. Voorts heeft verzoeker opgemerkt dat het geschil bij de fiscale rechter thuishoort en dat [naam] die rechtsgang moet afwachten.

1.2

De teamvoorzitter van het team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar, heeft, zoals in het geval van incidenten te doen gebruikelijk, beslist dat dit incident vóór de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak moet worden behandeld. De behandeling van het incident is toegedeeld aan de rechter.

1.3

Nadat verzoeker er via zijn advocaat en via de griffie van de rechtbank mee bekend is geworden dat het incident door de rechter zal worden behandeld, en dat op 11 november 2020 vonnis in het incident zal worden gewezen, heeft hij het wrakingsverzoek ingediend. Dit wrakingsverzoek is – vanwege de verplichte procesvertegenwoordiging in de hoofdzaak – later ondertekend door zijn advocaat.

1.4

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft bij brief van 30 november 2020 schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.5

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 18 december 2020. Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is verschenen de rechter. De wederpartij in de hoofdzaak heeft van de geboden gelegenheid, zonder bericht, geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het wrakingsverzoek – samengevat – aangevoerd dat de rechter partijdig en niet onafhankelijk is in verband met het navolgende:

- De rechter heeft al eerder bemoeienis gehad met de feiten die in de hoofdzaak aan de orde zijn, namelijk in een zaak met zaak- en rolnummer C/15/241190 / HA RK 16-55 waarin op 30 juni 2016, door een combinatie waarvan hij deel uitmaakte, een beschikking is gegeven. In de huidige hoofdzaak gaat het erom dat [naam] van verzoeker zekerheden verlangt met betrekking tot de update-/machtigingsactie (ook bekend als handtekeningenactie). Dit was in de eerdere zaak ook al aan de orde; zie met name rechtsoverweging 4.1 e.v. in de beschikking van 30 juni 2016. De rechter heeft hierover zijn oordeel al gevormd.

- Daarnaast heeft verzoeker de rechtbank verzocht dat de rechter zich verschoont van de behandeling van de hoofdzaak maar de rechter heeft dat kennelijk geweigerd. Noch de rechtbank noch de rechter heeft op dat verzoek gereageerd.

- De rechter heeft in de vorige zaak (C/15/241190 / HA RK 16-55) een aantal buitenproportionele dingen gedaan, zoals uitgebreid uiteengezet in het wrakingsverzoek van 9 november 2020 (pagina 1 onder e.v.).

Verzoeker heeft, gelet op het voorgaande, geen enkel vertrouwen in de rechter, die kennelijk zijn ‘trackrecord uit het verleden’ richting verzoeker en aan verzoeker gelieerde lichamen wenst voort te zetten.

3 De reactie van de rechter

Naar de mening van de rechter levert hetgeen in het wrakingsverzoek wordt betoogd geen grond op voor toewijzing van dat verzoek. De rechter heeft dit als volgt nader toegelicht:

- Verzoeker kan zich niet vinden in een door deze rechtbank (meer in het bijzonder door een meervoudige kamer waarvan de rechter deel uitmaakte) op 30 juni 2016 gegeven beschikking. In deze beschikking is een voorlopige voorziening getroffen. Bij beschikking van 31 januari 2017 heeft het hof in hoger beroep deze beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

- De hoofdzaak betreft een procedure tussen [naam] als eiser en (onder meer) verzoeker als gedaagde, in welke procedure door verzoeker een bevoegdheidsincident is opgeworpen. Het geplande vonnis, dat vanwege het wrakingsverzoek is aangehouden, had betrekking op dat incident.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

4.2

Niet is gebleken dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert. Evenmin is gebleken dat er feiten of omstandigheden zijn die grond geven voor het oordeel dat vrees voor niet-onpartijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets ook geen grond voor wraking oplevert. Daartoe wordt als volgt nader overwogen.

4.3

Als uitgangspunt geldt dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak, onvoldoende is om (de vrees van) partijdigheid van de rechter aan te nemen, maar bijkomende omstandigheden kunnen dit anders maken (HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004 en EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627). Van dergelijke bijkomende omstandigheden is sprake indien een rechter zich in de eerdere zaak al heeft uitgelaten over aspecten van het geschil die weinig of niets verschillen van de aspecten van het geschil in de volgende zaak.

4.4

Deze bijkomende omstandigheden kunnen betrekking hebben op zowel de subjectieve als de objectieve toets. De wrakingskamer stelt vast dat in het onderhavige verzoek een sterke verwevenheid bestaat van elementen die elk op één van deze twee dimensies betrekking hebben. Daarom worden deze hierna gezamenlijk en in samenhang besproken.

De wrakingskamer is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals onder 4.3 bedoeld. Volgens verzoeker gaat het in de hoofdzaak en in de vorige zaak om hetzelfde feitencomplex, door hem kortweg omschreven als ''het verstrekken van zekerheden in het kader van de update-/machtigingsactie (handtekeningenactie)''. Wat er ook zij van deze stelling, in de hoofdzaak ligt deze kwestie op dit moment niet voor. De rechter is immers gewraakt in het incident in de hoofdzaak. Daarbij gaat het om de overwegend formeel-juridische beoordeling, op basis van nationaal en internationaal privaatrechtelijk bevoegdheidsrecht, van de vraag welke rechter absoluut respectievelijk relatief bevoegd is om kennis te nemen van (het geschil in) de hoofdzaak. De rechterlijke beoordeling in dit incident, die, zoals gezegd, wordt beheerst door verkenning en toepassing van rechtsregels betreffende aanknopingspunten voor bevoegdheid, noopt in de kern niet tot een inhoudelijke beoordeling van de feiten en omstandigheden ten gronde in de hoofdzaak. De vraag of aspecten van het zaaksinhoudelijke geschil in de hoofdzaak weinig of niets verschillen van de aspecten van het geschil in de zaak met zaak- en rolnummer C/15/241190 / HA RK 16-55 kan daarom verder onbesproken blijven.

In aanvulling op het voorgaande overweegt de wrakingskamer voorts het volgende ten aanzien van de overigens door verzoeker naar voren gebrachte feiten en omstandigheden.

4.5

Dat de rechter zich niet na een verzoek daartoe van verzoeker heeft verschoond van de behandeling van (het incident in) de hoofdzaak is geen grond voor wraking, evenmin als de omstandigheid dat de rechtbank en de rechter niet op dat verzoek hebben gereageerd. Verschoning kan immers uitsluitend op initiatief van de betrokken rechter, in het in de wet genoemde geval, plaatsvinden. Bovendien betreft het door verzoeker gestelde verzoek tot verschoning, een brief aan de president van deze rechtbank om de gehele rechtbank te verschonen van de behandeling van alle zaken waarbij verzoeker betrokken is.

4.6

De door verzoeker naar voren gebrachte opvattingen met betrekking tot de wijze van behandeling en inhoudelijke beoordeling door de rechter van de vorige zaak met nummer C/15/241190 / HA RK 16-55, kunnen ook geen grond opleveren voor wraking in de onderhavige zaak. Deze aspecten van uiteenlopende aard zijn door verzoeker gekenmerkt als ''een aantal buitenproportionele dingen''.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing of een procesbeslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking, ook niet als de motivering van die beslissing onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier wordt geacht of ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing. Ook niet op geleide van daartoe strekkende gronden van wraking. Dat zou neerkomen op een verkapt hoger beroep, in dit geval in een zaak die al in 2016 met een beschikking is afgesloten. Overigens is deze beschikking in hoger beroep bekrachtigd. Mede bezien in dat licht ziet de wrakingskamer geen grond voor het oordeel dat in de zaak met zaak- en rolnummer C/15/241190 / HA RK 16-55 door de rechter beslissingen zijn gegeven die naar aard en motivering, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, zodanig zijn, dat daardoor de gerechtvaardigde vrees kan zijn ontstaan dat de rechter jegens verzoeker in de(ze) hoofdzaak een vooringenomenheid koestert. De gronden van wraking, die zoals hiervoor gememoreerd een sterke verwevenheid vertonen, nodigen niet uit tot het trekken van de slotsom dat de rechter vooringenomen is. Deze gronden houden in de kern in dat verzoeker in de voorgaande procedure andere beslissingen had verlangd.

4.7

Uit al het voorgaande volgt dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en derhalve geen grond vormen voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.

5.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.

5.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. S. Jongeling, voorzitter, mr. R.M. Steinhaus en mr. M.A.J. Berkers, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2020.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.