Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11385

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2499
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet arbeidsongeschikt in en door de dienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2499


uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. van den Berg),

en

het Dagelijks Bestuur van GGD Hollands Noorden, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C.J. van den Brekel).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar als arbeidsongeschikt in en door de dienst aan te merken afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.L. de Bruijn, kantoorgenoot van gemachtigde en [naam 1] en mr. [naam 2] .

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2.1

Eiseres was van 1 april 2005 tot 1 augustus 2015 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) verweerder. Tot 1 april 2011 was zij werkzaam als [functie 1] . Door het wegvallen van taken werd eiseres bovenformatief. Per 1 april 2011 is zij geplaatst in de functie van [functie 2] . Daarnaast was zij [functie 3] .

2.2

Eiseres heeft zich op 13 mei 2013 ziek gemeld. Met ingang van 3 juni 2013 heeft zij zich hersteld gemeld, maar op 4 juli 2013 is zij opnieuw uitgevallen wegens ziekte.

2.3

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het Uwv eiseres een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.4

Verweerder heeft eiseres bij besluit van 9 juli 2015 per 1 augustus 2015 ontslag verleend wegens arbeidsongeschiktheid.

3. Eiseres heeft verweerder bij brief van 25 juni 2015 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

4. Verweerder heeft het verzoek van eiseres afgewezen en heeft die afwijzing na bezwaar gehandhaafd.

5. Eiseres voert aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat geen sprake is van buitensporige omstandigheden. Over het hoofd gezien is dat het niet uitsluitend een uiterst gebrekkige, verwarrende en onduidelijke functiebeschrijving betrof, maar dat er gaandeweg taken bij kwamen ten aanzien waarvan eiseres geen opleiding en deskundigheid had. Daarbij kwamen een gebrek aan leiding of beter gezegd onbekwame leiding en het geen gehoor vinden van eiseres en anderen bij de vertrouwenspersoon en andere leidinggevenden, met als resultaat een medewerker die slachtoffer wordt van de omstandigheden waaronder zij diende te functioneren.

6. Verweerder betwist dat sprake is geweest van buitensporige werkzaamheden en/of werkomstandigheden met als gevolg dat eiseres arbeidsongeschikt in en door de dienst is geworden. Eiseres heeft volgens verweerder geen, althans volstrekt onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit - naar objectieve maatstaven gemeten - zou blijken dat dat dit het geval is geweest.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) wordt, voor zover hier van belang, onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst verstaan: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten.

7.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moeten bij de toepassing van een regeling als hier in geding eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte, zoals in het geval van eiseres, meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat dergelijke buitensporige in het werk of de werkomstandigheden gelegen factoren zich voordoen (ECLI:NL:CRVB:2019:940).

7.3

In de rechtspraak ligt besloten dat bij de vraag of sprake is van buitensporigheid wordt geabstraheerd van de bijzondere gevoeligheid van een individuele werknemer. Voor zover de werkomstandigheden van een betrokkene hem of haar juist vanwege de subjectieve omstandigheid van zijn of haar verhoogde kwetsbaarheid teveel zijn geworden, is niet voldaan aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarde van naar objectieve maatstaven gemeten buitensporigheid (ECLI:NL:CRVB:2014:660).

7.4

Uit het verhandelde ter zitting komt het beeld naar voren dat eiseres zich met name na het vertrek van de [functie 4] (eind 2011) in het diepe gegooid heeft gevoeld, waarbij zij geen steun van haar leidinggevende ondervond en zij ook overigens bij de organisatie geen gehoor vond voor haar verzoeken om hulp. Volgens eiseres geeft de verklaring van [naam 3] , die haar als externe coach enige tijd heeft begeleid, de situatie het duidelijkst weer. [naam 3] beschrijft de werksfeer waarin eiseres moest functioneren als erg rommelig en onduidelijk en stelt dat eiseres het allemaal maar zelf moest uitzoeken en geen steun ondervond vanuit de organisatie. Dat zorgde er volgens [naam 3] voor dat eiseres onder psychische druk moest functioneren. In zijn verklaring heeft [naam 3] zijn indruk niet nader onderbouwd. Deze verklaring biedt naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden. De rechtbank constateert verder dat uit de verschillende verklaringen van (oud) medewerkers geen eenduidig beeld naar voren komt van de werkomstandigheden, al blijkt daaruit wel dat het in de organisatie door de samenvoeging van verschillende ggd’en en veranderingen in de taken onrustig was. Daarnaast staat vast dat de direct leidinggevende van eiseres in 2013 op non-actief is gesteld, omdat haar wijze van leidinggeven problematisch bleek. Hoewel duidelijk is dat dit alles geen ideale werkomstandigheden voor eiseres opleverde, kan niet worden gezegd dat de hier beschreven situatie, objectief gezien, een als buitensporig te beschouwen karakter heeft gedragen. Het gaat eerder om niet als zeer uitzonderlijk of zeer ongebruikelijk te beschouwen onzekerheden in de werksfeer. Verder is niet gebleken dat de leidinggevenden eiseres onheus zouden hebben bejegend of dat hun houding tegenover eiseres zodanig was dat die als buitensporig is aan te merken. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseres haar verhouding met haar direct leidinggevende als zakelijk, maar niet slecht heeft gekenmerkt. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat haar leidinggevenden met haar zijn omgegaan op een wijze die in de ambtelijke verhouding, voor iedere willekeurige ambtenaar, onaanvaardbaar zou zijn.

7.5

De slotsom luidt dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en
mr. S.A. Steinhauser, en mr. A.M.C. de Haan, leden, in aanwezigheid vanmr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

griffier

de voorzitter is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.