Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11296

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
8113980 \ CV EXPL 19-15924
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Deel van de vertraging is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. Zonder de opgetreden buitengewone omstandigheden hadden de passagiers de aansluitende vlucht kunnen halen. Beroep op buitengewone omstandigheid slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8113980 \ CV EXPL 19-15924

Uitspraakdatum: 30 december 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. D.E Lof en mr. E.J. Hoekstra

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft

statutair gevestigd te Keulen (Duitsland) en mede kantoorhoudende te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. E.C. Douma

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 10 september 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar New York (Verenigde Staten) via Frankfurt (Duitsland) op 29 april 2019, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht van Amsterdam naar Frankfurt is vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Op het verweer zal bij de beoordeling worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden op grond van artikel 5, lid 3, van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5.3.

Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden geldt (in algemene zin) het volgende. In overweging 15 van de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever er op gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen wanneer een besluit van het luchtverkeerbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

5.4.

De vervoerder voert aan dat voor het uitvoeren van de rotatievlucht Amsterdam-Frankfurt de vlucht van Frankfurt naar Amsterdam een conditio sine qua non is. Als de vlucht Frankfurt-Amsterdam niet op tijd plaatsvindt, is er geen toestel van de vervoerder in Amsterdam om de vlucht Amsterdam-Frankfurt op tijd uit te kunnen voeren. De voorgaande vlucht (Frankfurt-Amsterdam) stond gepland te vertrekken om 10:40 UTC. Deze vlucht is echter vertraagd uitgevoerd wegens vertragingscode 93; de vorige vlucht kwam vertraagd aan, code 85; verplicht uitladen van bagage van ingecheckte passagiers die toch niet aan boord gingen, code 05; langzaam uitstappen en code 83; beperkende instructies van de luchtverkeersleiding. Reeds om 08:40 UTC werd de “slot” van 10:40 UTC ingetrokken en vervangen door de “slot” van 12:18 UTC met vertragingscode 83; dat betreft door de luchtverkeersleiding opgelegde beperkingen in verband met de plaats van bestemming (Amsterdam), aldus de vervoerder. Na diverse wijzigingen door de luchtverkeersleiding werd om 10:14 UTC bepaald dat de vlucht Frankfurt-Amsterdam de “slot” van 11:41 UTC moest gebruiken. De voorgaande vlucht is met een vertraging van 50 minuten om 12:40 UTC geland te Amsterdam. De onderhavige vlucht (Amsterdam-Frankfurt) is vervolgens met een aankomstvertraging van 61 minuten om 14:56 UTC te Frankfurt geland. De passagiers hebben wegens de vertraagde aankomst van de onderhavige vlucht de aansluitende vlucht naar New York gemist. Deze vlucht had een geplande vertrektijd van 15:10 UTC. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht met plaats. De vervoerder moest gevolg geven aan de instructies van de luchtverkeersleiding en kon, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen deze omstandigheden niet voorkomen, aldus nog steeds de vervoerder.

5.5.

De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door haar overgelegde producties en haar toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagiers het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.

5.6.

De vervoerder heeft het vluchtrapport en de “slot history” van de voorgaande vlucht (Frankfurt-Amsterdam) overgelegd. Deze vlucht had een vertrekvertraging van in totaal 54 minuten. Volgens het vluchtrapport is 27 minuten vertraging ontstaan wegens vertragingscode 83: ATFM due to RESTRICTION AT DESTINATION AIRPORT, 13 minuten door vertragingscode 93; de vorige vlucht kwam vertraagd aan, 10 minuten door vertragingscode 85; verplicht uitladen van bagage van ingecheckte passagiers die toch niet aan boord gingen en 4 minuten door vertragingscode 01; langzaam uitstappen. Ten aanzien van de vertragingscodes 93 en 01 wordt door de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. Ten aanzien van de ontstane vertragingen wegens codes 83 en 85 oordeelt de kantonrechter als volgt. De vervoerder heeft middels haar overgelegde vluchtrapport en slot history voldoende aangetoond dat de luchtverkeersleiding als gevolg van vertragingscode 83 een nieuwe slot heeft opgelegd aan de voorgaande vlucht. De vlucht had hierdoor niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructie van de luchtverkeersleiding moet immers altijd worden opgevolgd. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat indien “no-shows” ertoe leiden dat de ingecheckte bagage van boord moet worden gehaald, er sprake is van een vliegveiligheids- dan wel beveiligingsprobleem dat niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij. In het onderhavige geval kwalificeert deze omstandigheid dan ook als een buitengewone omstandigheid. Immers vermeldt het vluchtrapport delay code 85 met een duur van 10 minuten. De vertraging voor de duur van in totaal 37 minuten ten gevolge van code 83 en code 85 wordt dan ook aangemerkt als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van de Verordening.

5.7.

De vraag die vervolgens voorligt is of de buitengewone omstandigheid die zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de voorgaande vlucht doorwerkt naar de onderhavige vlucht (Amsterdam-Frankfurt). Uit het vluchtrapport van de onderhavige vlucht volgt dat er een aankomstvertraging van 61 minuten is. Daarbij worden de vertragingscodes 93 (AIRCRAFT ROTATION) en 89O (RESTRICTIONS AT AIRPORT OF DEPARTURE WITH OR WITHOUT ATFM RESTRICTIONS, environmental benefit, delayed start-up / push back due to use of reduced standard taxi times) genoemd. De vertragingsduur wegens code 93 bedraagt 35 minuten. Dit betekent dat er een deel van de vertraging, namelijk 19 minuten, tijdens de vlucht is ingehaald. In deze stand van zaken wordt de vertraging voor de duur van 35 minuten aangemerkt als een buitengewone omstandigheid. De resterende vertraging van de onderhavige vlucht levert geen buitengewone omstandigheid op. De vervoerder heeft immers geen stukken overgelegd of een onderbouwing gegeven waaruit zou kunnen blijken dat de overige vertraging van 26 minuten een buitengewone omstandigheid oplevert. Nu de vertraging van de onderhavige vlucht deels door een buitengewone omstandigheid en deels door andere omstandigheden is veroorzaakt, dient te worden vastgesteld of de passagiers hun aansluitende vlucht zouden hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheid. De passagiers zijn om 14:56 UTC aangekomen in Frankfurt en de aansluitende vlucht naar New York stond om 15:10 UTC gepland te vertrekken. Zonder de buitengewone omstandigheid van 35 minuten zou de onderhavige vlucht om 14:21 UTC te Frankfurt arriveren. De minimum overstaptijd in Frankfurt bedraagt 45 minuten. Dit betekent dat de passagiers in dit geval de aansluitende vlucht konden halen indien er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.

5.8.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen, dan wel te beperken. Tussen de twee aansluitende vluchten was een overstaptijd van 75 minuten gepland. Er was sprake van een reservetijd van 30 minuten bovenop de minimum overstaptijd van 45 minuten. Dit wordt door de kantonrechter als voldoende gekwalificeerd. De passagiers stellen dat zij niet zijn omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht met plaats. De vervoerder voert daarentegen aan dat zij de passagiers naar de eerst mogelijke vervoersmogelijkheid met voldoende plaats heeft omgeboekt. De passagiers hebben geen bewijs voor hun stelling overgelegd, waardoor de kantonrechter aannemelijk acht dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vlucht te voorkomen dan wel te beperken. De kantonrechter komt daardoor niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of het organiseren van alternatief vervoer al dan niet een onaanvaardbaar offer vormt voor de vervoerder, gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip.

5.9.

Gelet op het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. De overige verweren van de vervoerder behoeven derhalve geen bespreking.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 360,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;

6.3.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter