Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11294

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
8166466 \ CV EXPL 19-17765
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Vervoerder heeft onvoldoende onderbouwd dat de onderhavige vlucht is getroffen door buitengewone omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8166466 \ CV EXPL 19-17765

Uitspraakdatum: 16 december 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. D.E. Lof en E. Doulgeropoulos

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

British Airways PLC

gevestigd te Cardiff, Wales (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J.W.A. Lameijer

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 29 oktober 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Jersey (Jersey) via Londen (Verenigd Koninkrijk) op 24 juni 2019, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht van Amsterdam naar Londen is vertraagd uitgevoerd. De passagier is meer dan drie uur later op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 37,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Op het verweer zal bij de beoordeling worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

De passagier heeft voldoende gemotiveerd dat de vlucht Amsterdam-Londen met een vertraging van twee uur en 59 minuten in Londen is aangekomen, zodat hij de aansluitende vlucht naar Jersey heeft gemist. De vervoerder heeft bij dupliek toegelicht dat zij de passagier heeft omgeboekt naar een vlucht voor de volgende dag. Hiermee is vast komen te staan dat de passagier uiteindelijk met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5.3.

In overweging 15 van de Verordening is – voor zover relevant – vermeld dat er wordt geacht sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifiek dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertraging of annulering te voorkomen.

5.4.

De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door haar overgelegde producties en haar toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagier het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.5.

De vervoerder voert aan dat de langdurige vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, namelijk de door EUROCONTROL opgelegde slot delays aan zowel de onderhavige vlucht (Amsterdam-Londen) als de direct daaraan voorafgaande vlucht (Londen-Amsterdam). Uit de overgelegde uitdraaien van de Central Flow Management Unit (CFMU) van Eurocontrol valt op te maken dat er, zoals door de vervoerder wordt aangevoerd, slot delays zijn opgelegd aan de genoemde vluchten. De vervoerder heeft verder een “OPNL Legs Report” van de onderhavige vlucht overgelegd. Uit de onderste regel van dat rapport volgt dat de oorzaak van de vertraging gelegen is in delay codes RA /64, GL /26, AMZ /98. Voorts heeft de vervoerder een interne onderzoeksrapport overgelegd, waarover geen concrete onderbouwing wordt gegeven in de conclusie van antwoord. Naar aanleiding van de overgelegde producties wordt door de vervoerder aangevoerd dat er slot delays zijn opgelegd en dat deze worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden.

5.6.

De passagier betwist niet dat de slot delays zijn opgelegd, maar stelt dat de slot delays geen buitengewone omstandigheden opleveren. Daartoe heeft de passagier onder meer gesteld dat de door de luchtverkeersleiding opgelegde restrictie omwille van capaciteitsproblemen in Amsterdam inherent is aan de normale uitoefening van de luchtvaartactiviteiten. Voorts stelt de passagier dat de onderhavige vlucht te maken had met rotatievertraging en een aanvullende slot delay kreeg van de luchtverkeersleiding. Bovenop deze vertraging kon de vlucht niet tijdig vertrekken omwille van het laattijdig aankomen van het personeel, aldus de passagier. De vervoerder heeft nagelaten op deze betwistingen van de passagier in te gaan en nader te onderbouwen waarom de slot delays wel als buitengewone omstandigheden dienen te worden aangemerkt. Gezien de betwisting van de passagier had dit wel op haar weg had gelegen. Immers is niet uitgesloten dat de vertraging is ontstaan door omstandigheden, die wellicht niet zijn aan te merken als buitengewoon.

5.7.

Gelet op het voorgaande moet daarom de conclusie zijn dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat de onderhavige vlucht getroffen is door buitengewone omstandigheden. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen, dan wel te beperken.

5.8.

Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen

5.9.

De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

5.10.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De passagier heeft hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juni 2019 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;

6.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 99,01;
griffierecht € 81,00;
salaris gemachtigde € 72,00;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter