Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11285

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
HAA 20/5268
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BNT gegrond. Niet tijdig beslist handhavend op te treden betreffende het handelen zonder vereiste vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/5268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: R. Grasmeijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 10 november 2018 verweerder verzocht handhavend op te treden betreffende het handelen zonder vereiste vergunning. Het gaat om het plaatsen van drie lichtmasten op 9 november 2018 op de ijsbaan de Volharding, Dorpsstraat 670 in Oudkarspel, waarbij geen overleg is geweest met de omliggende bewoners en bij navraag ook geen vergunning voor is aangevraagd bij de gemeente.

Bij brief van 9 oktober 2020 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek.

Verweerder heeft bij brief van 28 oktober 2020 de op de zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 november 2020 heeft eiseres gereageerd op het verweerschrift.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

  2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

  3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

  4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
    a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
    b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
    Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

  5. In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo’n termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid bedoelde termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven.

  6. Eiseres heeft op 10 november 2018, door verweerder ontvangen op 12 november 2018, een handhavingsverzoek ingediend. Verweerder heeft de ontvangst van het verzoek bij brief van 21 november 2018 bevestigd. Verweerder stelt in deze brief dat hij binnen twaalf weken een besluit neemt. Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op 4 februari 2019 op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden.

  7. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres verweerder bij brief van 21 februari 2019 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

  8. Verweerder erkent dat er na de ingebrekestelling veel tijd overheen is gegaan, maar voert aan dat door eiseres zelf, na samenspraak met verweerder, is aangegeven dat zij liever heeft dat er een oplossing komt dan dat er middels een besluit een dwangsom wordt opgelegd en de ijsvereniging op korte termijn een aanvraag om een omgevingsvergunning moet indienen. Er is veelvuldig contact geweest met eiseres en de ijsvereniging. In maart 2020 is contact geweest met eiseres, toen is telefonisch besproken dat verweerder alsnog gaat doorzetten met een last onder dwangsom omdat er op dat moment geen oplossing was en dat daarom maar een omgevingsvergunning moest worden ingediend door de ijsvereniging. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er met de aan de ijsvereniging op 30 maart 2020 opgelegde last wel degelijk een besluit is genomen op het handhavingsverzoek van eiseres na de ingebrekestelling van 21 februari 2019.

  9. De rechtbank oordeelt als volgt. Het standpunt van verweerder wordt niet gevolgd. Met het besluit van 30 maart 2020 is, anders dan verweerder veronderstelt, niet op het handhavingsverzoek van eiseres van 10 november 2018 beslist. Dit besluit betreft slechts een besluit jegens de ijsvereniging, is aan hen gericht en betreft het opleggen van een last onder dwangsom. Ook de aan eiseres gerichte vooraankondigingen met betrekking tot het toewijzen van het handhavingsverzoek van 31 maart 2020 en 23 april 2020 zijn geen besluiten.

  10. Het beroep is kennelijk gegrond.

11. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Volgens het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

12. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek te nemen.

13. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

14. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank indien het beroep gegrond is desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Eiseres heeft in haar beroepschrift verzocht om vaststelling van deze dwangsom.

15. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daarop volgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

20. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling van 21 februari 2019 heeft ontvangen en dat eiseres bij e-mail van 20 maart 2020 nogmaals heeft aangedrongen op het nemen van een besluit. De rechtbank stelt verder vast dat niet binnen twee weken nadien een besluit is genomen op het verzoek en dat inmiddels meer dan 42 dagen zijn verstreken. Ook de termijn van artikel 4:18, eerste lid, van de Awb is inmiddels verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- heeft verbeurd.

21. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5).

22. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van 10 november 2018 gegrond;

- draagt verweerder op alsnog een besluit op het handhavingsverzoek te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.442,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 256,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.