Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11279

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
AWB - 16_5478
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWR. Informatiebeschikkingen. In geschil is of verweerder belang heeft bij de informatiebeschikkingen, en zo ja, of eiseres reeds heeft voldaan aan de informatieplicht, en of, voor zover dat niet is gebeurd, dat terecht is vanwege het (informele) verschoningsrecht dat op deze informatie van toepassing is. Voorts is in geschil of er aanleiding is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-02-2021
NTFR 2021/758
V-N Vandaag 2021/478
FutD 2021-0669 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2021/14.21.18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/5478, HAA 20/363 en HAA 20/1292

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2020 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: mr. B.L.J.G. Jaeger en mr. N. van den Hoek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 1 april 2016 een informatiebeschikking afgegeven betreffende de in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2011 en de daarbij vastgestelde heffingsrente- en verliesvaststellingsbeschikking bij brief van 10 maart 2016 gestelde vragen, welke in de genomen informatiebeschikking letterlijk worden herhaald (zaak HAA 16/5478).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2016 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 15 maart 2017 een informatiebeschikking afgegeven betreffende de in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2012 en de daarbij vastgestelde belastingrentebeschikking bij brief van 14 februari 2017 gestelde vragen, welke in de genomen informatiebeschikking, met uitzondering van vraag 8, letterlijk worden herhaald (zaak HAA 20/363).

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 8 september 2017 een informatiebeschikking afgegeven betreffende de in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2013 bij brief van 20 juli 2017 gestelde vragen, welke in de genomen informatiebeschikking, met uitzondering van vraag 8, letterlijk worden herhaald (zaak HAA 20/363).

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 9 oktober 2018 een informatiebeschikking afgegeven betreffende de in het kader van de aanslagregeling vennootschapsbelasting 2014 bij brief van 4 juni 2018 gestelde vragen, welke in de genomen informatiebeschikking, met uitzondering van vraag 1 en 9, letterlijk worden herhaald (zaak HAA 20/363).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2019 de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 17 september 2019 een informatiebeschikking afgegeven betreffende de in het kader van de aanslagregeling vennootschapsbelasting 2015 bij brief van 6 juni 2019 gestelde vragen, welke in de genomen informatiebeschikking, met uitzondering van vraag 1, letterlijk worden herhaald (zaak HAA 20/1292).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2019 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Hiervan is een afschrift aan verweerder verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2020 te Haarlem.

Namens eiseres zijn de gemachtigden verschenen, bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft geparticipeerd in een scheepvaart C.V. in samenwerking met [D] B.V. (onderdeel van de Duitse rederij [E] ). Met deze investering wordt beoogd gebruik te maken van de tussen 2009 en 2011 geldende willekeurige afschrijvingsfaciliteit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in samenhang met artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter zake van de investering in een zeeschip, in dit geval de m.s. [F] .

2. Eiseres heeft in 2011 middels [G] B.V. en haar dochtermaatschappij [H] B.V. als commanditaire vennoot deelgenomen in Scheepvaartonderneming [I] C.V.

3. Bij de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting vanaf het jaar 2011 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat [G] B.V. en [H] B.V. niet kunnen worden gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met eiseres, omdat eiseres niet de (volledige) economische eigendom zou hebben van de aandelen van [G] B.V. Subsidiair stelt verweerder dat indien wel een fiscale eenheid zou worden gevormd, eiseres niet aan alle eisen voor willekeurige afschrijving voldoet. Als gevolg daarvan kan eiseres niet de willekeurige afschrijving toepassen voor de investering in de m.s. [F] .

4. Verweerder stelt dat het feit dat een beschikking fiscale eenheid is afgegeven, en dat voor deze investering en de structuur op 15 november 2011 een ruling is afgegeven door de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen, er niet aan in de weg staat dat hij bovengenoemd standpunt inneemt.

5. Verweerder heeft de onderhavige informatiebeschikkingen genomen omdat eiseres desgevraagd niet alle relevante informatie, documentatie, correspondentie en e-mailverkeer met betrekking tot de totstandkoming van de investering en desinvestering in de m.s. [F] zou hebben verstrekt.

6. De informatiebeschikking met dagtekening 1 april 2016 met betrekking tot het bezwaar tegen de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2011 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en verliesverrekening bevat de volgende vragen:

“1) Ik verzoek u informatie te verstrekken aangaande de overname op 9 november 2011 van het bouwcontract van 18 november 2007 van het schip de MS [F] en het participeren in Scheepvaartonderneming [I] C.V. Welke activiteiten heeft [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? Hoe is de overnameprijs van het schip bepaald? Welke onderhandelingen hebben plaatsgevonden? In dit kader verzoek ik u alle bescheiden zoals eventuele taxatierapporten, begrotingen van te verwachten opbrengsten, etc. te overleggen.

2) Ik verzoek u alle schriftelijke documenten die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij [J] N.V., zoals prospectussen, brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

3) Ik verzoek u alle bescheiden (bijvoorbeeld akten, onderliggende berekeningen, betalingsbewijzen etc.) die zien op de (eventuele) kapitaal- en agiostortingen in [G] B.V. en [H] B.V. toe te sturen.

4) Ik verzoek u de definitieve en ondertekende ‘TERMSHEET’ toe te sturen (zie onderdeel 4.2. van het memo van collega [K] d.d. 26 oktober 2015). Voorts verzoek ik u aan te geven wie deze ‘TERMSHEET’ heeft opgesteld.

5) Op 15 november 2011 heeft [L] B.V. een zogenaamd ‘rulingverzoek’ ingediend bij de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen. Ik verzoek u de volgende vragen te beantwoorden aangaande dit verzoek:

a) Wie heeft de opdracht aan de heer [M] van [L] B.V. verstrekt om een ruling voor deze investering aan te vragen?

b) Wie heeft [L] B.V. van alle relevante informatie voorzien? Van welke informatie en stukken is hij voorzien?

c) Was in de documentatie die aan [L] B.V. ter beschikking is gesteld de lening van [D] B.V. aan [G] B.V. opgenomen (de zogenaamde ‘ [N] ” d.d. 16 november 2011, zie onderdeel 4.22. van het memo van collega [K] d.d. 26 oktober 2015)?

d) Heeft [J] NV het rulingverzoek gezien voordat dit aan de Belastingdienst is verzonden? Zo nee, wanneer heeft [J] NV het wel gezien?

e) Is het [J] N.V. bekend of andere adviseurs hebben meegewerkt bij het opstellen van het rulingverzoek. Zo ja, welke adviseurs en op welke wijze?

f. Was [J] N.V. bij indiening van het rulingverzoek bekend dat in het rulingverzoek niet is of zou worden opgenomen dat er door [D] B.V. een lening zou worden verstrekt aan de [G] B.V.? En was dit [J] N.V. bekend bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2011?

g) Wat was de reden dat juist dit onderdeel van de documentatie niet aan het rulingverzoek is toegevoegd?

h) [J] N.V. heeft inzake deze investeringsstructuur advies gevraagd aan de huisadviseur. Was in de documentatie die aan de huisadviseur ter beschikking is gesteld de lening van [D] B.V. aan [G] B.V. opgenomen?

i) Was de huisadviseur bij het uitbrengen van dat advies ervan op de hoogte dat deze lening niet in het rulingverzoek was opgenomen?

j) Wat was de conclusie van de huisadviseur? Wat was het geschetste risico, fiscaal en commercieel? Indien [J] N.V. op dit advies is afgegaan, kunt u dit advies dan bijvoegen bij uw antwoord?

k) Was de huisadviseur bij het opstellen en indienen van de aangiften vennootschapsbelasting 2011 ervan op de hoogte dat deze lening niet in het rulingverzoek was opgenomen?

6) Op of omstreeks 10 november 2011 verstrekt Deutsche Schiffsbank AG een lening van $ 10.500.000 aan Scheepvaartonderneming [I] C.V. ten behoeve van de aankoop van het schip de MS [F] . Ik verzoek u de overeenkomst van deze lening te verstrekken en alle overige brief-, e-mailverkeer en bescheiden die op deze lening betrekken hebben.

7) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u de verkoopovereenkomst, de leveringsakte, een uitgebreide toelichting op de gehanteerde verkoopprijs, een uitgebreide toelichting op de reden van verkoop en alle overige brief- en email-verkeer en bescheiden die zien op deze verkoop toe te sturen.

8) Ik verzoek u alle overige brief- en e-mailverkeer die zien op deze investering toe te sturen.”

7. De informatiebeschikkingen met dagtekening 15 maart 2017 (2012) respectievelijk 8 september 2017 (2013) met betrekking tot het bezwaar tegen de definitieve aanslagen vennootschapsbelasting 2012 en 2013 van [X] B.V. bevat de volgende vragen:

“1) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie te verstrekken aangaande de overname op 9 november 2011 van het bouwcontract van 18 november 2007 van het schip de MS [F] en het participeren in Scheepvaartonderneming [I] C.V. Welke activiteiten heeft de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? Hoe is de overnameprijs van het schip bepaald? Welke onderhandelingen hebben plaatsgevonden? In dit kader verzoek ik u alle bescheiden zoals eventuele taxatierapporten, begrotingen van te verwachten opbrengsten, etc. te overleggen.

2) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V., zoals prospectussen, presentaties, brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

3) Ik verzoek u mij aan te geven of er gesproken is over het verdelen van het berekende belastingvoordeel betreffende de toepassing van de onderhavige ‘investeringsstructuur’. Ik verzoek u mij de berekening van het belastingvoordeel en alle documenten/informatie die op deze berekening en op de gevoerde onderhandelingen over de verdeling daarvan zien te verstrekken.

4) Ik verzoek u mij alle bescheiden (bijvoorbeeld akten, onderliggende berekeningen, betalingsbewijzen etc.) die zien op de (hoogte van de) (eventuele) kapitaal- en agiostortingen in [G] B.V. en [H] B.V. toe te sturen.

5) Ik verzoek u mij de definitieve en ondertekende ‘TERMSHEET’ toe te sturen. Voorts verzoek ik u aan te geven wie deze ‘TERMSHEET’ heeft opgesteld. Voorts verzoek ik u mij aan te geven of er een (soort van) stappenplan is opgemaakt waarin de benodigde stappen voor het opzetten van de ‘investeringsstructuur’ zijn vastgelegd, zo ja, dan verzoek ik u mij het stappenplan toe te sturen.

6) Op of omstreeks 10 november 2011 verstrekt Deutsche Schiffsbank AG een lening van $ 10.500.000 aan Scheepvaartonderneming [I] C.V. ten behoeve van de aankoop van het schip de MS [F] . Ik verzoek u mij alle documenten/informatie (zoals brief- en e-mailverkeer) die op deze lening betrekking hebben te overleggen.

7) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u de verkoopovereenkomst, de leveringsakte, een uitgebreide toelichting op de gehanteerde verkoopprijs, een uitgebreide toelichting op de reden van verkoop en alle overige documenten/informatie (zoals bijvoorbeeld alle brief- en email-verkeer) die zien op deze verkoop, toe te sturen.

(…)

9) Ik verzoek u mij alle overige documenten/informatie (daaronder begrepen fysieke en/of elektronische documenten/informatie) die zien op deze investering toe te sturen.”

8. De informatiebeschikking met dagtekening 9 oktober 2018 met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [X] B.V. bevat de volgende vragen:

“1) (…)

2) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie te verstrekken aangaande de overname op 9 november 2011 van het bouwcontract van 18 november 2007 van het schip de MS [F] en het participeren in Scheepvaartonderneming [I] C.V. Welke activiteiten heeft de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? Hoe is de overnameprijs van het schip bepaald? Welke onderhandelingen hebben plaatsgevonden? In dit kader verzoek ik u alle bescheiden zoals eventuele taxatierapporten, begrotingen van te verwachten opbrengsten, etc. te overleggen.

3) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V., zoals prospectussen, presentaties, brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

4) Ik verzoek u mij aan te geven of er gesproken is over het verdelen van het berekende belastingvoordeel betreffende de toepassing van de onderhavige ‘investeringsstructuur’. Ik verzoek u mij de berekening van het belastingvoordeel en alle documenten/informatie die op deze berekening en op de gevoerde onderhandelingen over de verdeling daarvan zien te verstrekken.

5) Ik verzoek u mij alle bescheiden (bijvoorbeeld akten, onderliggende berekeningen, betalingsbewijzen etc.) die zien op de (hoogte van de) (eventuele) kapitaal- en agiostortingen in [G] B.V. en [H] B.V. toe te sturen.

6) Ik verzoek u mij de definitieve en ondertekende ‘TERMSHEET’ toe te sturen. Voorts verzoek ik u aan te geven wie deze ‘TERMSHEET’ heeft opgesteld. Voorts verzoek ik u mij aan te geven of er een (soort van) stappenplan is opgemaakt waarin de benodigde stappen voor het opzetten van de ‘investeringsstructuur’ zijn vastgelegd, zo ja, dan verzoek ik u mij het stappenplan toe te sturen.

7) Op of omstreeks 10 november 2011 verstrekt Deutsche Schiffsbank AG een lening van $ 10.500.000 aan Scheepvaartonderneming [I] C.V. ten behoeve van de aankoop van het schip de MS [F] . Ik verzoek u mij alle documenten/informatie (zoals brief- en e-mailverkeer) die op deze lening betrekking hebben te overleggen.

8) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u de verkoopovereenkomst, de leveringsakte, een uitgebreide toelichting op de gehanteerde verkoopprijs, een uitgebreide toelichting op de reden van verkoop en alle overige documenten/informatie (zoals bijvoorbeeld alle brief- en email-verkeer) die zien op deze verkoop, toe te sturen.

9) Ik verzoek u mij (…) de time charter overeenkomst te verstrekken.

10) Ik verzoek u mij alle overige documenten/informatie (daaronder begrepen fysieke en/of elektronische documenten/informatie) die zien op deze investering toe te sturen.”

9. De informatiebeschikking met dagtekening 17 september 2019 met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting 2015 van [X] B.V. bevat de volgende vragen:

“1) (…)

2) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie te verstrekken aangaande de overname op 9 november 2011 van het bouwcontract van 18 november 2007 van het schip de MS [F] en het participeren in Scheepvaartonderneming [I] C.V. Welke activiteiten heeft de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? Hoe is de overnameprijs van het schip bepaald? Welke onderhandelingen hebben plaatsgevonden? In dit kader verzoek ik u alle bescheiden zoals eventuele taxatierapporten, begrotingen van te verwachten opbrengsten, etc. te overleggen.

3) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V., zoals prospectussen, presentaties, brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

4) Ik verzoek u mij aan te geven of er gesproken is over het verdelen van het berekende belastingvoordeel betreffende de toepassing van de onderhavige ‘investeringsstructuur’. Ik verzoek u mij de berekening van het belastingvoordeel en alle documenten/informatie die op deze berekening en op de gevoerde onderhandelingen over de verdeling daarvan zien te verstrekken.

5) Ik verzoek u mij alle bescheiden (bijvoorbeeld akten, onderliggende berekeningen, betalingsbewijzen etc.) die zien op de (hoogte van de) (eventuele) kapitaal- en agiostortingen in [G] B.V. en [H] B.V. toe te sturen.

6) Ik verzoek u mij de definitieve en ondertekende ‘TERMSHEET’ toe te sturen. Voorts verzoek ik u aan te geven wie deze ‘TERMSHEET’ heeft opgesteld. Voorts verzoek ik u mij aan te geven of er een (soort van) stappenplan is opgemaakt waarin de benodigde stappen voor het opzetten van de ‘investeringsstructuur’ zijn vastgelegd, zo ja, dan verzoek ik u mij het stappenplan toe te sturen.

7) Op of omstreeks 10 november 2011 verstrekt Deutsche Schiffsbank AG een lening van $ 10.500.000 aan Scheepvaartonderneming [I] C.V. ten behoeve van de aankoop van het schip de MS [F] . Ik verzoek u mij alle documenten/informatie (zoals brief- en e-mailverkeer) die op deze lening betrekking hebben te overleggen.

8) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u de verkoopovereenkomst, de leveringsakte, een uitgebreide toelichting op de gehanteerde verkoopprijs, een uitgebreide toelichting op de reden van verkoop en alle overige documenten/informatie (zoals bijvoorbeeld alle brief- en email-verkeer) die zien op deze verkoop, toe te sturen.

9) Ik verzoek u mij de commerciële jaarrekening 2015 van Scheepvaartonderneming [I] C.V. en alle gesloten time charter overeenkomsten te verstrekken tot en met 2015.

10) Ik verzoek u mij alle overige documenten/informatie (daaronder begrepen fysieke en/of elektronische documenten/informatie) die zien op deze investering toe te sturen.”

10. Bij brief van 22 september 2014 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres de navolgende documenten aan verweerder verstrekt:

- Participation Agreement;

- Limited Partner Agreement;

- Bill of Sale;

- Builder’s Certificate;

- Memorandum of Agreement;

- Kadastrale inschrijving m.s. [F] ;

- Loan Agreement;

- Bridge Loan Agreement;

- Liquidity Facility Agreement;

- Subordinated Loan Agreement;

- UBS Pool contract;

- Cijfermatige uitwerking willekeurige afschrijving;

- Commerciële jaarrekening 2011 m.s. [F] ;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2011 [J] N.V.;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2011 [X] B.V.;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2012 [X] B.V.;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2011 [G] B.V.;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2012 [G] B.V.;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2011 [H] B.V.;

- Enkelvoudige commerciële jaarrekening 2012 [H] B.V.;

- Ruling Belastingdienst Groningen;

- Mail aan de heer [O] van de Belastingdienst Amsterdam.

11. Blijkens een memo van 26 oktober 2015 van verweerder (opgesteld door [K] ) aan de toenmalige gemachtigde van eiseres, beschikt verweerder onder meer over de navolgende documenten:

- De ‘Termsheet’ van 20 oktober 2011;

- Het ‘MEMORANDUM OF AGREEMENT’ van 9 november 2011;

- De ‘TAX SHARING AGREEMENT’ van 16 november 2011.

12. Bij brief van 13 mei 2016 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder

e-mailcorrespondentie met betrekking tot de oprichting van (klein)dochtervennootschappen en e-mailcorrespondentie met betrekking tot aanpassing van de termsheet verstrekt.

13. Bij brief van 21 juni 2016 zijn documenten met betrekking tot de kapitaal- en agiostorting, de SPA aandelen [G] BV gedateerd maart 2015, de akte van overdracht van 2 april 2015 van de aandelen [G] BV door [X] B.V. aan [P] B.V., de waardeberekening door de [E] , gedateerd 31 december 2014, en correspondentie uit januari 2015 over de verkoop van de aandelen, door gemachtigde van eiseres aan verweerder verstrekt.

14. Bij brief van 26 juli 2016 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder de navolgende documenten verstrekt:

- Vaststellingsovereenkomsten kapitaal- en agiostortingen;

- Betaalbewijs storting in [G] B.V.;

- Betaalbewijs storting in [H] B.V.;

- De jaarstukken 2011 van [G] B.V. en [H] B.V. zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel;

- Leenovereenkomst Deutsche Schiffsbank;

- Een e-mail van de (toenmalig) belastingadviseur over termsheet;

- Een concept termsheet d.d. 2 november 2011.

15. Bij brief van 16 september 2016 heeft de gemachtigde van eiseres onder meer de navolgende documenten aan verweerder verstrekt:

- Berekening latente belasting;

- Bedrijfswaardeberekening m.s. [F] ultimo 2014;

- Hypothetische bedrijfswaardeberekening m.s. [F] 2011.

16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat door eiseres niet alle relevante (e-mail)correspondentie is verstrekt. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontbrekende (e-mail)correspondentie onder het (informele) verschoningsrecht valt. In zijn brief van 26 oktober 2016 heeft verweerder onder meer het volgende aan de gemachtigde van eiseres geschreven:

“Om op de juiste wijze de voornoemde marginale toetsing te kunnen verrichten, of wel het beroep op een formeel verschoningsrecht te kunnen accepteren, verzoek ik u om van de niet verstrekte (fysieke en/of elektronische) documenten en het door u genoemde pakket e-mails in uw e-mailbericht van 19 september 2016 in ieder geval de volgende gegevens van ieder afzonderlijk document en e-mail aan ons te doen toekomen:

- de datum en de tijdsaanduiding;

- de afzender(s);

- de geadresseerde(n);

- het onderwerp van de documenten of e-mails;

- een globale aanduiding van de inhoud;

- een aanduiding of het naar uw oordeel onder het formele verschoningsrecht valt, of onder het informele verschoningsrecht.”

17. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Geschil
18. In geschil is of verweerder de informatiebeschikkingen voor de jaren 2011 tot en met 2015 terecht aan eiseres heeft gegeven op de grond dat niet is voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), alsmede of – bij een bevestigende beantwoording van die vraag – omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd is.

19. Eiseres stelt dat de informatiebeschikkingen belang missen omdat zij reeds de bewijslast heeft ten aanzien van het kunnen vormen van een fiscale eenheid en de door haar toegepaste willekeurige afschrijving, dat zij reeds heeft voldaan aan de informatieplicht, en voor zover dat niet is gedaan, dat terecht is vanwege het (informele) verschoningsrecht dat op deze informatie van toepassing is. Voorts stelt zij dat er geen aanleiding is voor omkering en verzwaring van de bewijslast. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de informatiebeschikkingen. Voorts heeft eiseres een verzoek tot immateriële schadevergoeding gedaan.

20. Verweerder bestrijdt de stellingen van eiseres, stelt dat de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen, en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

De informatiebeschikkingen

21. De informatiebeschikkingen zijn genomen omdat eiseres niet zou hebben voldaan aan haar verplichtingen ingevolge artikel 47 van de AWR (inlichtingenplicht). Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

22. Het met ingang van 1 juli 2011 in werking getreden artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover van belang:

“Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag (…) niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, (…), kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).”

Artikel 47, eerste lid, van de AWR luidt:

“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de inspecteur – waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”

Artikel 49, eerste lid, van de AWR luidt:

“De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.”

23. Artikel 47 van de AWR geeft verweerder ruime bevoegdheden om aan een belastingplichtige informatie te vragen. Hierbij is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (HR 8 januari 1986, nr. 23.034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125). Voor het bestaan van de verplichting gevraagde gegevens te verstrekken is voldoende dat verweerder zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige van belang zouden kunnen zijn (HR 18 april 2003, nr. 38.122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 47 van de AWR volgt dat de vragen die de Inspecteur stelt op grond van artikel 47 van de AWR individuele vragen dienen te zijn die om een individueel antwoord vragen (MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, p. 21).

24. Uit de stukken van het geding blijkt dat verweerder de informatiebeschikkingen heeft genomen teneinde feitelijke informatie te verkrijgen om vast te stellen of eiseres voldoet aan de eisen voor een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met betrekking tot haar deelneming in [G] B.V., en met name of eiseres van tenminste 95% van de door [G] B.V. geplaatste aandelen de economische eigendom bezit. Daarnaast zijn de informatiebeschikkingen genomen teneinde feitelijke informatie te verkrijgen om vast te stellen of eiseres – middels de participatie door [H] B.V. in [I] C.V. in aanmerking komt voor de faciliteit van de willekeurige afschrijving. In dat kader wenst verweerder de feiten te verkrijgen teneinde te kunnen vaststellen dat de economische eigendom van de m.s. [F] niet geheel bij een derde ligt. Eiseres heeft uitdrukkelijk betwist dat sprake was van een aanbiedingsplicht of kooprecht van een derde met betrekking tot de aandelen [G] B.V. en stelt voorts dat er geen sprake was van een vooraf afgesproken verkoopprijs van € 1 voor de aandelen.

25. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het voor verweerder vanaf de aanvang van de investering in de m.s. [F] duidelijk is geweest, gelet op de inhoud van het rulingverzoek van 15 november 2011 aan de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen en het memo van 26 oktober 2015 van verweerder (opgesteld door [K] ) gericht aan de toenmalige gemachtigde van eiseres, dat het de bedoeling was dat eiseres slechts tijdelijk in de m.s. [F] zou participeren, dat het belang in het schip na ommekomst van drie jaren hoogstwaarschijnlijk zou overgaan op de reder, en dat de reden voor het aangaan van de structuur was het gebruik maken van de belastingcapaciteit van eiseres voor de faciliteit van de willekeurige afschrijving. Vragen die gesteld zijn om dit (nogmaals) bevestigd te krijgen acht de rechtbank niet van belang voor de belastingheffing van eiseres.

Belang verweerder bij informatiebeschikking

26. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder gestelde vragen individuele vragen die om een individueel antwoord vragen en in zoverre voldoen deze aan de wettelijke eisen. Eiseres heeft gesteld dat verweerder geen belang heeft bij de informatiebeschikkingen omdat de bewijslast dat voldaan is aan de vereisten voor het kunnen vormen van een fiscale eenheid en het in aanmerking komen voor willekeurige afschrijving toch al bij eiseres ligt, en dat eventuele geconstateerde informatieverzuimen niet tot omkering van de bewijslast zullen kunnen leiden, zodat de informatiebeschikkingen in zoverre niet in stand kunnen blijven (vgl. HR 10 februari 2017, nr. 16/02729, ECLI:NL:HR:2017:130). Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

27. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de juridische eigendom van 100% van de aandelen van [G] B.V. bezit. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van

17 april 2015, nr. 14/00486, ECLI:NL:HR:2015:962 kan, indien het economisch belang in een dochtervennootschap vanaf de oprichting bij een derde berust, geen fiscale eenheid tussen een belanghebbende en deze dochtervennootschap worden gevormd. Juridische eigendom impliceert de economische eigendom. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat eiseres de economische eigendom van de aandelen [G] B.V. bezit. Het gaat daarbij met name om afspraken die door eiseres met derden zouden kunnen zijn gemaakt omtrent de ontbinding van de structuur waaruit zou volgen dat eiseres niet de economische eigendom van de aandelen van [G] B.V. heeft verkregen of behouden. Die informatie is essentieel om te kunnen beoordelen of een fiscale eenheid tot stand kan komen of in stand kan blijven. Verweerder kan derhalve worden gevolgd in zijn standpunt dat hij belang heeft bij het nemen van de informatiebeschikkingen.

Is voldoende informatie verstrekt / strijd met evenredigheidsbeginsel

28. Verweerder heeft de onderhavige informatiebeschikkingen genomen omdat eiseres de eerder in vragenbrieven gestelde gelijke vragen naar zijn mening niet, althans onvoldoende, beantwoord zou hebben. De rechtbank zal per vraag behandelen of dit het geval is, waarbij tevens beantwoord wordt of de gestelde vragen in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Immers, bij de uitoefening van de hem op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheid is de inspecteur gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Een met toepassing van artikel 52a AWR in samenhang met artikel 47 AWR vastgestelde informatiebeschikking kan niet in stand blijven indien de inspecteur, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs niet heeft kunnen oordelen dat sprake was van evenredigheid tussen het doel en de gevolgen van het aangewende middel

(vgl. HR 17 april 2020, nr. 19/02346, ECLI:NL:HR:2020:697). Daarbij neemt de rechtbank voorts als uitgangspunt dat het enkele feit dat bij andere scheepvaartstructuren van andere belastingplichtigen bepaalde documenten, zoals een stappenplan, zijn aangetroffen, op zichzelf onvoldoende is om van eiseres te verlangen deze documenten te overleggen indien er geen aanwijzingen zijn dat die documenten ook bij eiseres aanwezig zijn.

Vragen 1 en 2 (2011 tot en met 2013), Vragen 2 en 3 (2014 en 2015)

29. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt niet over het bouwcontract en nadere informatie over hoe de koopprijs van de m.s. [F] is bepaald te beschikken, en evenmin over taxatierapporten, prospectussen en presentaties. Verweerder heeft ook geen, althans onvoldoende, informatie overgelegd waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat eiseres over deze informatie beschikt. De rechtbank acht het vragen hiernaar daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel en zal de informatiebeschikkingen in zoverre vernietigen. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres, die een aanzienlijke investeringsverplichting is aangegaan, moet beschikken over berekeningen ten aanzien van het te verwachten rendement en de begrote resultaten van de C.V., en dat er meer

e-mailcorrespondentie met eiseres moet zijn gewisseld ten aanzien van het aangaan van de investering in m.s. [F] dan thans is overgelegd. Eiseres erkent dat er meer

e-mailcorrespondentie is, maar beroept zich ter zake op het (informele) verschoningsrecht. Voor zover deze e-mailcorrespondentie licht zou kunnen doen schijnen omtrent door eiseres over de exit uit de structuur gemaakte afspraken is deze relevant voor haar belastingheffing, en wordt hierom door verweerder, het (informele) verschoningsrecht waarop de rechtbank afzonderlijk zal ingaan daargelaten, terecht verzocht.

Vraag 3 (2011), Vraag 4 (2012 en 2013), Vraag 5 (2014 en 2015)

30. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de gevraagde informatie verstrekt. Voor zover verweerder stelt dat er meer informatie moet zijn omdat de kapitaal- en agiostortingen van belang zijn voor de werking van de structuur, is de rechtbank van oordeel dat indien dit al zo zou zijn, deze vraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Immers, de hoogte van de kapitaal- en agiostortingen moge relevant zijn voor de werking van de structuur en het verdelen van de belastingbate tussen eiseres en de reder, maar deze is niet relevant voor het beantwoorden van de vraag of eiseres de economische eigendom van de aandelen [G] B.V. heeft en evenmin voor het antwoord op de vraag of aanspraak gemaakt kan worden op de faciliteit van willekeurige afschrijving. De rechtbank zal de informatiebeschikkingen daarom in zoverre vernietigen.

Vragen 4 en 6 (2011), Vragen 5 en 6 (2012 en 2013), Vragen 6 en 7 (2014 en 2015)

31. Eiseres heeft een Concept ‘Term Sheet’ van 2 november 2011 en een concept Leningsovereenkomst van de Deutsche Schiffsbank AG voor een bedrag van US $ 10.5 miljoen aan verweerder verstrekt. Verweerder verzoekt om een definitieve versie van de ‘Term Sheet’ en een getekende leningovereenkomst, alsmede om een stappenplan. Eiseres stelt dat zij deze niet in bezit heeft en dat het stappenplan wellicht ook nooit definitief gemaakt is. De rechtbank acht aannemelijk dat het wat betreft de ‘Term Sheet’ bij een concept is gebleven, althans dat eiseres niet over een definitieve versie beschikte. Betreffende de lening bij de Deutsche Schiffsbank heeft eiseres gesteld dat ook navraag bij de beherend vennoot van [I] C.V. geen definitieve overeenkomst heeft opgeleverd. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee voldaan aan de op haar rustende inspanningsverplichting om voornoemde overeenkomst op te vragen, daar gelaten dat naar het oordeel van de rechtbank de getekende versie van de leningovereenkomst geen informatie betreft die van belang kan zijn voor de belastingheffing van eiseres. Ten aanzien van de vraag naar een voor de investering opgesteld stappenplan heeft eiseres ter zitting bevestigd dat er geen stappenplan is opgesteld. Nu in de vele overgelegde documenten nergens wordt verwezen naar een stappenplan is deze stelling van eiseres naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk. Het stellen van deze vragen is naar het oordeel van de rechtbank derhalve in strijd met het evenredigheidsbeginsel, en de informatiebeschikkingen zullen in zoverre worden vernietigd.

Vraag 5 (2011)

32. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de gevraagde informatie niet langer relevant is en dat deze vraag kan vervallen. De informatiebeschikking 2011 zal in zoverre worden vernietigd.

Vragen 7 en 8 (2011), Vragen 7 en 9 (2012 en 2013), Vragen 8 en 10 (2014 en 2015)

33. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de gevraagde documentatie over de exit uit de structuur en de verkoop van de aandelen [G] B.V. – na het afgeven van de informatiebeschikking 2011 maar voor de informatiebeschikkingen 2012 tot en met 2015 – verstrekt, waaronder een e-mailwisseling waaruit blijkt hoe de prijs van € 1 is bepaald en dat verkoper en koper het hier over eens waren. De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden dat er hieromtrent meer documenten zijn. Ten aanzien van de informatiebeschikking 2011 is op die grond geen reden voor het omkeren en verzwaren van de bewijslast, en de informatiebeschikkingen 2012 tot en met 2015 dienen in zoverre te worden vernietigd. Verweerder stelt echter dat er meer e-mailcorrespondentie moet zijn die met eiseres is gewisseld over de exit uit de structuur en in het algemeen over de investering. Eiseres erkent dat er meer e-mailcorrespondentie is, maar beroept zich ter zake op het (informele) verschoningsrecht. Voor zover deze e-mailcorrespondentie licht zou kunnen doen schijnen omtrent door eiseres over de exit uit de structuur bij het aangaan van de investering gemaakte afspraken is deze relevant voor haar belastingheffing, en wordt hierom door verweerder, het (informele) verschoningsrecht daargelaten waarop de rechtbank afzonderlijk zal ingaan, terecht verzocht.

Vraag 3 (2012 en 2013), Vraag 4 (2014 en 2015)

34. De vraag naar afspraken over het verdelen van het belastingvoordeel van de onderhavige investering is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang voor het verkrijgen van feitelijke informatie ten behoeve van de belastingheffing van eiseres, en is derhalve in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zullen in zoverre worden vernietigd.

Vraag 9 (2014 en 2015)

35. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat nu de bevrachting van m.s. [F] plaatsvond door middel van een combinatie van ladingscontracten en separate op de spotmarkt beschikbare contracten en derhalve geen gebruik gemaakt is van vaste time charters deze vraag kan komen te vervallen. De informatiebeschikkingen zullen in zoverre worden vernietigd.

(Informeel) verschoningsrecht

36. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres interne documenten en

e-mailcorrespondentie die met haar gewisseld is over het aangaan en uittreden uit de structuur dient te overleggen. Eiseres beroept zich ter zake op het (informeel) verschoningsrecht. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

37. Op grond van artikel 53a van de AWR behoren advocaten en notarissen tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hen in die hoedanigheid wordt toevertrouwd. In verband daarmee komt hen tevens het recht toe zich te dien aanzien te verschonen van een eventuele verplichting tot het verschaffen van informatie. In zijn arrest van 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“3.3.1. Hoewel de rechtspersoon zelf zich niet op een afgeleid verschoningsrecht kan beroepen, kan hij niettemin een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren mee te werken aan het onderzoek, voor zover door de onderzoekers inzage wordt verlangd in informatie die hij met zijn advocaat of notaris in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld, en waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon enerzijds en zijn advocaat of notaris anderzijds, verborgen dient te blijven. Het belang dat een ieder de vrijheid heeft om een vertrouwenspersoon te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, zou immers onaanvaardbaar worden geschaad indien degene die een geheimhouder wil raadplegen, niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen vastleggen en bewaren hetgeen hij zelf aan de geheimhouder heeft toevertrouwd en hetgeen de geheimhouder hem heeft meegedeeld.

3.3.2 De vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie kan voor de rechtspersoon dan ook een gegronde reden opleveren om in zoverre niet te voldoen aan zijn plicht om inzage te geven in alle stukken die de onderzoekers nodig achten voor het uitvoeren van het onderzoek. Gelet op het hiervoor in 3.3.1 genoemde belang, kan de rechtspersoon zich ook op de vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie beroepen, indien de advocaat of notaris zich ter zake van deze informatie niet op een verschoningsrecht beroept.”

De vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie kan voor eiseres dan ook een gegronde reden opleveren om in zoverre niet te voldoen aan haar plicht om inzage te geven in de door verweerder gevraagde e-mailcorrespondentie. Eiseres kan zich ook op de vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie beroepen, indien de advocaat of notaris zelf zich ter zake van deze informatie niet op een verschoningsrecht beroept.

38. Daarnaast verzet het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen beginsel van fair play zich ertegen dat een inspecteur van zijn bevoegdheid ex artikel 47 AWR gebruik maakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden voor zover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren. Deze overweging geldt ook voor de onderdelen van die geschriften die met dat doel gegevens van feitelijke of beschrijvende aard bevatten. De resterende (niet op dat doel betrekking hebbende) onderdelen dienen wel – desgevraagd – te worden verstrekt, waartoe het nodig kan zijn dat het document wordt gesplitst of geschoond (HR 23 september 2005, nr. 38.810, ECLI:NL:HR:2005:AU3140).

39. De e-mailwisseling met verschoningsgerechtigden valt onder het verschoningsrecht, en rapporten en/of correspondentie afkomstig van derden-adviseurs hoeven op grond van het fair-playbeginsel niet te worden verstrekt voor zover deze de fiscale positie van eiseres belichten of daaromtrent adviseren, daaronder begrepen gegevens van feitelijke of beschrijvende aard die met dat doel zijn opgenomen. Wat betreft andere

(e-mail)correspondentie, zoals e-mails verzonden door de in-house tax counsel de heer Post, is de rechtbank van oordeel dat eiseres zich niet met een beroep op het fair-playbeginsel tegen het verstrekken van deze informatie kan verzetten, omdat in-house tax counsels ten opzichte van eiseres geen derden zijn. Hetzelfde geldt voor interne documenten van eiseres. Slechts indien deze (e-mail)correspondentie of interne documenten een weergave van met een verschoningsgerechtigde uitgewisselde informatie bevatten, kan een beroep op geheimhouding vanwege dit verschoningsrecht worden gedaan (HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600). Het vorenstaande heeft ook te gelden voor

(e-mail)correspondentie waarbij de verschoningsgerechtigden of derden-adviseurs slechts in c.c. zijn vermeld en waarin niet de weergave van met een verschoningsgerechtigde uitgewisselde informatie is opgenomen. Deze interne documenten en

(e-mail)correspondentie dient eiseres derhalve aan verweerder te verstrekken.

40. Voor zover de e-mailwisseling en interne documenten van eiseres vanwege het verschoningsrecht c.q. het fair-playbeginsel niet verstrekt behoeven te worden aan verweerder, dient verweerder wel in staat te zijn de stelling van eiseres dat informatie op grond van het verschoningsrecht of fair-playbeginsel niet verstrekt behoeft te worden, op aannemelijkheid te kunnen toetsen. In zijn arrest van 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, heeft de Hoge Raad hieromtrent het volgende overwogen:

“3.5.3 Het vorenstaande neemt niet weg dat de belastingplichtige mag weigeren te voldoen aan de verplichtingen die art. 47 AWR hem oplegt met een beroep op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met de door hem benaderde geheimhouder. Het is immers van groot belang dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een vertrouwenspersoon te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd. Dit belang, dat voor de geheimhouder erkenning vindt in het hiervoor in 3.5.1 bedoelde verschoningsrecht, zou onaanvaardbaar worden geschaad indien ieder die een geheimhouder wil raadplegen niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking kopieën zou kunnen bewaren van hetgeen hij aan de geheimhouder heeft toevertrouwd en hetgeen de geheimhouder hem heeft meegedeeld (vgl. HR 19 november 1985, LJN AC9105, NJ 1986/533). Derhalve moet worden aangenomen dat ook de belastingplichtige in zoverre mag weigeren aan de verplichtingen van art. 47 AWR te voldoen met een beroep op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met een geheimhouder. De belastingdienst moet wel in de gelegenheid zijn het noodzakelijke te doen om de bewering van de belastingplichtige, dat het om zodanige contacten gaat, op aannemelijkheid te toetsen (HR 19 november 1985 voornoemd).”

41. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres van (fysieke en/of elektronische) documenten en e-mails waarvoor zij een beroep op het (informele) verschoningsrecht doet, aan verweerder dient te verstrekken:

- de datum en de tijdsaanduiding;

- de afzender(s);

- de geadresseerde(n);

- het onderwerp van de documenten of e-mails;

- een globale aanduiding van de inhoud.

Indien verweerder zou stellen dat hij op basis van die verstrekte informatie niet kan verifiëren of eiseres terecht een beroep op het (informele) verschoningsrecht doet, kan dit opnieuw aan de orde worden gesteld in de procedure over de aanslagen vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2015 van eiseres, waarbij eiseres deze stukken met een beroep op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht bij de rechtbank kan indienen.

42. Het vorenoverwogene betekent dat de rechtbank de informatiebeschikkingen 2011 tot en met 2015 partieel zal vernietigen, en handhaven voor zover het de volgende vragen betreft:

Informatiebeschikking 2011

“1) Welke activiteiten heeft [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering [in de MS [F] ] rendabel zou zijn? In dit kader verzoek ik u begrotingen van te verwachten opbrengsten te overleggen.

2) Ik verzoek u alle schriftelijke documenten die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij [J] N.V., zoals brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

3)

4)

5)

6)

7) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u de verkoopovereenkomst, de leveringsakte, en alle overige brief- en email-verkeer en bescheiden die zien op deze verkoop toe te sturen.

8) Ik verzoek u alle overige brief- en e-mailverkeer die zien op deze investering toe te sturen.”

Daarbij merkt de rechtbank op dat vraag 7 behoudens het brief- en e-mailverkeer naar haar oordeel beantwoord is en er in zoverre geen reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

Informatiebeschikkingen 2012 en 2013

“1) Welke activiteiten heeft de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? In dit kader verzoek ik u begrotingen van te verwachten opbrengsten te overleggen.

2) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V., zoals brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

3)

4)

5)

6)

7) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u overige documenten/informatie (zoals bijvoorbeeld alle brief- en email-verkeer) die zien op deze verkoop, toe te sturen.

8)

9) Ik verzoek u mij alle overige documenten/informatie (daaronder begrepen fysieke en/of elektronische documenten/informatie) die zien op deze investering toe te sturen.”

Informatiebeschikking 2014

“1)

2) Welke activiteiten heeft de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? In dit kader verzoek ik u begrotingen van te verwachten opbrengsten te overleggen.

3) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V., zoals brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

4)

5)

6)

7)

8) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u alle overige documenten/informatie (zoals bijvoorbeeld alle brief- en email-verkeer) die zien op deze verkoop, toe te sturen.

9)

10) Ik verzoek u mij alle overige documenten/informatie (daaronder begrepen fysieke en/of elektronische documenten/informatie) die zien op deze investering toe te sturen.”

Informatiebeschikking 2015

“1)

2) Welke activiteiten heeft de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V. verricht om te bepalen of de investering rendabel zou zijn? In dit kader verzoek ik u begrotingen van te verwachten opbrengsten te overleggen.

3) Ik verzoek u mij alle documenten/informatie die betrekking hebben op het aanbrengen van deze investering bij de rechtsvoorganger van uw cliënte [J] N.V., zoals brief- en e-mailverkeer betreffende het aanbod tot investeren en informatie over de investering toe te sturen.

4)

5)

6)

7)

8) U heeft tijdens een bespreking op 18 juni 2015 aangegeven dat de aandelen in [G] B.V. en daarmee de aandelen in [H] B.V. begin 2015 zijn verkocht. Ik verzoek u alle overige documenten/informatie (zoals bijvoorbeeld alle brief- en email-verkeer) die zien op deze verkoop, toe te sturen.

9)

10) Ik verzoek u mij alle overige documenten/informatie (daaronder begrepen fysieke en/of elektronische documenten/informatie) die zien op deze investering toe te sturen.”

43. Voor zover eiseres zich ten aanzien van documenten en (e-mail)correspondentie als bedoeld in bovenstaande vragen in de informatiebeschikkingen beroept op het verschoningsrecht of het fair-playbeginsel geldt hetgeen de rechtbank hiervoor onder 39 tot en met 41 heeft overwogen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

44. Eiseres heeft betoogd dat de geconstateerde schendingen van haar verplichtingen op grond van artikel 47 van de AWR onvoldoende ernstig zijn om omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen. Dit betoog wordt door de rechtbank, behoudens voor vraag 7 van de informatiebeschikking 2011 voor zover deze alsnog na het geven van de informatiebeschikking beantwoord is, zoals hiervoor onder 42 door de rechtbank is overwogen, niet aanvaard. De gestelde vragen strekken er toe de feiten vast te stellen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat eiseres de economische eigendom heeft van ten minste 95% van de aandelen [G] B.V. en dus een fiscale eenheid kan vormen met deze entiteit, en of eiseres het economisch belang bij de MS [F] niet geheel heeft afgestaan aan een derde. Deze feiten zijn van doorslaggevend belang voor op het juiste bedrag kunnen vaststellen van het belastbaar bedrag van eiseres. Verweerder heeft derhalve alle belang bij de gestelde vragen, en indien eiseres weigert de vragen in de informatiebeschikkingen, zoals beperkt en vastgesteld door deze rechtbank, te beantwoorden, is naar het oordeel van de rechtbank omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd.

Nieuwe termijn

45. De rechtbank stelt aan eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR, een termijn van zes weken na de datum van deze uitspraak om alsnog aan de informatiebeschikkingen te voldoen.

Slotsom

46. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

47. Geschillen over de heffing van belastingen behoren binnen een redelijke termijn te worden beslecht. Daarvoor geldt als uitgangspunt voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen een termijn van twee jaar (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.

48. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Bij samenhangende zaken wordt slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd, gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerste bezwaarschrift (HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540). Gelet op het feit dat het bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking 2011 op 17 mei 2016 door verweerder is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 27 november 2020, is een periode van afgerond 55 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 31 maanden is overschreden. Eiseres heeft echter ter zitting gesteld dat de periode van 14 oktober 2016, de datum waarop deze rechtbank uitspraak heeft gedaan betreffende het beroep van eiseres tegen het niet tijdig uitspraak doen op bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2011, tot 3 juli 2020, de datum van het arrest van de Hoge Raad in het in die zaak ingestelde cassatieberoep, als bijzondere omstandigheid die een langere behandelingsduur dan de voormelde twee jaren rechtvaardigt dient te worden aangemerkt en buiten beschouwing dient te blijven, zodat van de hiervoor genoemde 55 maanden, 44 maanden buiten aanmerking dienen te blijven.

49. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Dat betekent dat de procedure in eerste aanleg niet te lang heeft geduurd en dat geen aanspraak gemaakt kan worden op een immateriële schadevergoeding.

Proceskosten

50. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572, te weten 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525, 1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor de hoorzittingen met een waarde per punt van € 261 en een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaken en een factor 1 voor minder dan vier samenhangende zaken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    handhaaft de informatiebeschikkingen, maar uitsluitend voor zover vermeld onder overwegingen 42 en 43 hiervoor;

  • -

    stelt eiseres een termijn van zes weken, te rekenen vanaf de datum waarop deze uitspraak is gedaan, om verweerder alsnog die informatie te verstrekken;

  • -

    vernietigt de informatiebeschikkingen voor het overige;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.572;

  • -

    gelast dat verweerder aan eiseres vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 1.033 (€ 334 + € 345 + € 354).

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en

mr. P.A. Caljé, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 november 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.