Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11146

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
C/15/297759 / HA ZA 20-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tekortkoming in de nakoming van de verplichting tot het opzetten van een pilot voor samenwerking? Uitleg vaststellingsovereenkomst. Niet gebleken dat de door eisers beoogde samenwerking is overeengekomen. Voorstel tot samenwerking van gedaagde levert geen tekortkoming op. Onrechtmatig handelen of schending precontractuele goede trouw evenmin gebleken. Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/297759 / HA ZA 20-8

Vonnis van 16 december 2020

in de zaak van

1 [eiser1],

2. [eiser2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POSTNL PAKKETTEN BENELUX B.V.,

statutair gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. O.G. Trojan te Den Haag.

Eisers zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiser1] en [eiser2], en gezamenlijk als [eiser1] c.s. Gedaagde zal PostNL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 december 2019 met producties 1 tot en met 33 van de zijde van [eiser1] c.s.;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12 van de zijde van PostNL;

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    de akte overlegging producties met producties 33a tot en met 45 van de zijde van [eiser1] c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 oktober 2020, waarbij door beide partijen pleitaantekeningen zijn voorgedragen.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De eenmanszaak van [eiser2] heeft vanaf 2011 werkzaamheden verricht voor het Autobedrijf van PostNL. Het Autobedrijf is een afdeling van PostNL, die zich bezig houdt met het ophalen, vervoeren en distribueren van hoofdzakelijk briefpost en kleinere pakketten (pakketpost) van zakelijke klanten. Daarbij maakt het Autobedrijf van PostNL onder meer gebruik van onderaannemers (subcontractors), waaronder de eenmanszaak van [eiser2]. Het ophalen, vervoeren en distribueren van grote(re) pakketten is binnen PostNL ondergebracht bij een andere afdeling, te weten PostNL Pakketten.

2.2.

De eenmanszaak van [eiser2] verrichtte voor het Autobedrijf van PostNL vooral werkzaamheden in de regio Zuid-Limburg, onder meer vanuit de locatie [woonplaats], en de sub-locaties (ook wel dislocaties genoemd) in Valkenburg en Kerkrade. Contactpersonen voor [eiser2] bij het Autobedrijf van PostNL waren [A.] en [B.].

2.3.

In of omstreeks maart 2013 hebben [eiser1] c.s. een vennootschap onder firma opgericht met de naam [eiser1] Sneltransport (hierna: PST). De eenmanszaak van [eiser2] is ingebracht in PST.

2.4.

PST heeft omstreeks augustus 2013, althans begin 2014 een plan bedacht om de postbezorging door PST voor PostNL, te combineren met een eigen pakkettenvervoerdienst van PST voor het ophalen en bezorgen van pakketten in de regio Zuid-Limburg (hierna: het PST-concept). Daarbij zou PST zelf met de verzender van pakketten een contract sluiten. Het ophalen en bezorgen van de pakketten in de regio Zuid-Limburg zou PST door middel van haar eigen infrastructuur verzorgen. De bezorging van pakketten die waren opgehaald door PST in die regio, en die bezorgd moesten worden op een adres buiten de regio, zou door PostNL worden uitgevoerd als onderaannemer/leverancier van PST.

2.5.

Op 21 januari 2014 heeft PST aan [C.] (projectmanager van PostNL) een e‑mail gestuurd met in de bijlage een concept voor een samenwerking. Op 29 januari 2014 heeft PST voorts aan [C.], met CC aan [D.] van PostNL, een e-mail gestuurd met (voor zover hier van belang) de volgende inhoud:

[D.] is vanochtend langs geweest en heeft ook zijn akkoord gegeven.

We hebben hem beloofd, op het moment dat een klant van PostNL wil overstappen, wij altijd met [D.] in overleg zullen treden om zo het gevoel zuiver te houden dat we geen klanten van PostNL wegpakken.

Het spel word zeer leuk, op dit moment is meer briefpost en minder 12.00 uurs pakketten en over ongeveer ?? jaar, meer 12.00 uurs pakketten en minder post.

Daardoor kunnen we elkaars minderen aanbod goed opvangen en zo een nog mooiere samenwerking krijgen en aan de prijs blijven uitkomen.

Wilt u ons helpen om een Frankkeermachine (BUPO) te krijgen, bij wie we moeten zijn en zo?

Volgende week dinsdag gaan we in opleiding met de eerste lopen en zijn met [A.] al aan het mailen hierover. (…)

2.6.

Op diezelfde dag heeft [C.] hierop als volgt geantwoord:

Mooi, dat is goed nieuws. (…)

2.7.

In februari 2014 heeft PST een frankeermachine besteld bij NEOpost.

2.8.

Op 7 maart 2014 heeft [E.] (Sales Representative zakelijke markt van PostNL) per e-mail aan PST - voor zover hier van belang - het volgende geschreven:

Dank voor het leuke gesprek en de lekkere vlaai. Zoals afgesproken stuur ik jullie hierbij mijn interpretatie van het proces en de mogelijke knelpunten.

Na jullie controle zal ik op basis hiervan + jullie conceptstukken overleg plegen met mijn leidinggevende over hoe dit in het vat te gieten.

Proces:

(…)

Zendingen worden geclusterd aangeboden op brievendepot in Sittard of [woonplaats], zoals gebruikelijk bij PST

PST rijdt zendingen binnen Zuid Limburg, PostNL rijdt de overige zendingen.

Aandachtspunten:

PostNL werkt niet meer op basis van stapelcontracten, in principe alleen rechtstreekse contracten met de ondernemer. (…)”

2.9.

In een e-mail van 10 maart 2014 heeft [F.] (manager inkoop van PostNL) als aandachtspunt vermeld: “Opschakelen Sales voor ondersteuning pakketten idee (is reeds gedaan) PST Pakketten”. [F.] heeft PST voorts in een e-mail van 15 maart 2014 gefeliciteerd met het binnenhalen van een klant.

2.10.

Op enig moment heeft [A.] van PostNL aan PST medegedeeld, dat het PST niet is toegestaan om poststukken of pakketten die vervoerd worden voor PostNL, te vermengen (dat wil zeggen: in één auto/bus vervoeren) met andere poststukken of pakketten, die niet voor PostNL werden vervoerd.

2.11.

In april 2014 heeft PST circa 200.000 poststukken van PostNL gegijzeld. Tussen PST en de heer [G.] (destijds Director Sourcing & Sustainability van PostNL) hebben vervolgens op 28 en 29 april 2014 gesprekken plaatsgevonden. Bij het gesprek op 29 april 2014 was tevens de heer [H.] van SubcoPartners aanwezig. Van dit gesprek is door PST een geluidsopname gemaakt. In het door [eiser1] c.s. vervaardigde transcript van de geluidsopname, is onder meer en voor zover hier van belang, het navolgende vermeld:

6:49:40 [G.] [[G.], toevoeging rechtbank]: naar je toekomst toe heb ik nu gekeken wat is wat kan ik nu over de bupo het enige wat ik nu wel te weten heb gekregen is dat we de bupo’s vrij beperkt houden ,het gebeur[t] ook niet zo heel veel dus ook over de frankeer machine ik kreeg daar ook niemand meer over te pakken.

Maar wat ik begreep over bupo’s daarom ben ik ook terughoudend dat zijn dingen die ik ook hier niet kan toezeggen Maar goed wat ik op basis van vanmiddag wat ik je al zei heb ik wel iets over het pakjes aannemen pakjes collecteren maar dan gewoon voor een fee per pakje zonder dat je zelf onze klant wordt niet via een stapellaars concept maar wel via een soort connectie concept ik kan dat niet …ik moet even een slag om de arm dan kan ik in mijn eigen naam al zeggen… dat ik dat met mijn collega probeer hier als pilot neer te zetten binnen afzienbare tijd

[eiser1] [[eiser1], toevoeging rechtbank]: Dat gaat lukken?

[G.]: Of dat gaat lukken, ja ik denk het ik moet alleen ik moet wel even zeggen ik heb geen idee hoe dat precies dan gaat lopen

[eiser1]: Maar er komt wel zoiets aan

[G.]: Ja!! Ik kan zeggen en ik denk en dat vond ik ook wel treffend wat je zelf ook z[ei] dat je zelf ook erg kijkt naar de toekomst toe en dat daarom volgens mij de kansen zitten

(…)

6.53.40

[G.] : Ik ga mij hard maken….

6.54.40

[G.]: Ik noem het even slalesagent [bedoeld zal zijn: salesagent, toevoeging rechtbank] dat is mijn werk titel altijd geweest Dat klinkt heel mooi en sjiek Engels maar het gaat er gewoon om dat je pakjes weet binnen te halen

En dat is voor mij een punt dat ik denk dat ook onze pakketten subcontractors daarmee extra handel

Dat die klacht die ik van jullie heb van een lokaal netwerk dan gaat de gun factor spelen Daarom ook dat van die communicanten bij ons heel erg zitten te worstelen met dat stapellaars verhaal wat dus jullie klanten worden en dat jullie dus een inkoop combinatie worden maar als je gewoon een fee constructie maakt maar jo ik zorg dat ik lokaal klanten binnen haal na daar moeten we iets mee kunnen doen

Dus ik zet het streven naar 1 juni een pilot dus ik kan natuurlijk niet helemaal ik heb nog geen idee hoeveel handel er zit en hoe het gaat lopen

[eiser1]: Nee dat uiteraard niet maar we weten gewoon dat we per 1 juni gaan starten

[G.]: Ja Ja Dus ik denk ook dat daar met name de sleutel zit naar de toekomst toe dat was voor [eiser1] belangrijk dus daar heb ik ook veel tijd aan besteed

[eiser1]: [G.] nu heb ik een vraagje, de grootste directeur zit hier toevallig

[G.]: Nee niet de grootste

[eiser1]: Komt nog, wij gaan die PST toch ook doen hé want PST gans zuid Limburg Mogen wij voor PST

[G.] : PST ?

[eiser1]: [eiser1] Sneltransport pakketten zuid Limburg

[G.]: Ja, ja..

[eiser1]: Daar hebben wij containers voor nodig om de overslag te doen mogen we daar jullie container ook voor gebruiken we hebben ze toch hier, het zijn pakketjes

[G.]: ja….

[eiser1] en [G.] praten door elkaar heen

6.56:46 [G.]: Over hoeveel containers hebben we het dan?

[eiser1]: 10 a 15 dat we de PST pakketten niet los in het schap hoeven te zetten Maar dat wij containers zetten met dit is Margraten, dit is Maastricht, want [I.] moet ze ook rollen Want [I.] neemt ze aan…..

7:01:06 [eiser1]: …. Nee [eiser2] de Bupo komt er…..

[eiser2] en [eiser1] gaan buiten overleggen

7:07:11 [eiser1] : Ik heb nog een vraagje anders moet je weer bellen als laatste

[G.]: Nee nee gooi maar op tafel

[eiser1]: Op het moment dat we een goeie deal hebben kom ik naar Den [H]aag, ik weet de weg, nee dat ken ook in het zuiden dan wil ik hier de vlaggenmast neerzetten van Pretoria met de vlag van PostNL erin

Dan ziet iedereen van Yes

[G.]: Dat vind ik een heel mooi gebaar…. ik ga even…

We hebben van 7:07:50 tot 7:18:38 weggelaten ivm (…) [G.] buiten aan het bellen is met Den haag.

7:20:00

[G.]: Het lastige is aan leningen , dat is een structuur , kunnen we anders creatiefs verzinnen ? kunnen we het cash gedeelte omhoog schroeven ? en gewoon op 70 k zetten . en dat kan ik gewoon binnen een paar dagen in orde maken .. dus het verhaal van de toekomst deal … en omdat het zo laat is, heb ik het ultieme recht… ga ik niet nog een keer naar buiten lopen, dan verhoog ik het bedrag tot 75 000…

[eiser1]: 75000 , wacht wacht wacht , ben bijna klaar, ik wel morgen de vlag halen . 75000 en zet me de creditnota 2 maanden op 8000 netto of aanvullen tot 8 . zodat twee maanden doorkom , ik wat crediteuren kan weg werken, dat ik de bupo rustig kan opstarten . zodat ik van die 75000 meteen 60000 aan crediteuren kan betalen ,want ik wil de druk van de ketel hebben. En ik wil niet binnen een maand zeggen , onze creditnota’s zijn zo laag

[G.]: dus dat ik een garantie geef . dat de creditnota 8 is , ja en als ik hem niet zo uit het systeem kom dat ik hem aanvul tot 8 . …. ex btw

[eiser1]: ja ex btw, zullen we dat afspreken?

Is dat een goede,?

[G.]: we hebben een deal.

[G.]: DEAL

[eiser1]: Super !!! Dan zijn we morgen in den haag voor de vlag”

2.12.

Op basis van het gesprek van 29 april 2014, is op 10 mei 2014 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen tussen PostNL (handelend namens het Autobedrijf van PostNL) en PST, waarin - voor zover hier van belang - het navolgende is opgenomen (hierna: de vaststellingsovereenkomst):

Overwegingen

(…)

8. In maart zijn er escalatiegesprekken geweest waarbij [eiser1] verschillende voorstellen heeft gedaan voor andere vormen van samenwerking om de kosten van het pand te dragen (BUPO, frankeermachine, stapelcontract pakketten).

9. In maart is wel het probleem opgelost t.a.v. de extra ritten, maar zijn de overige voorstellen voor samenwerking met PostNL op niets uitgelopen.(…)

(…)

14. Vervolgens heeft er op 29 april overleg plaatsgevonden tussen partijen met een vertegenwoordiger van Subcopartners. Vanuit PostNL dhr. [G.], (directeur Sourcing & Sustainability), de heren [eiser1] en [eiser2] en [H.] vanuit Subcopartners.

15. Het overleg is op constructieve wijze gevoerd waarbij PostNL ook de intentie heeft uitgesproken met [eiser1] verder te willen werken als kwalitatief goede partij.

16. PostNL heeft geconstateerd dat PostNL verantwoordelijkheid moet dragen voor de verwachtingen die gewekt zijn t.a.v. het “regelen van een pand” en is bereid (een deel van) de schade (de huur van het pand) en gevolgschade te betalen als gevolg van het intrekken van het oorspronkelijke plan (op en neer rijden etc). (…)

17. Partijen zijn het erover eens om met één bedrag een streep achter het verleden te zetten (en bovenstaande claims) om vervolgens met enkele concrete afspraken de samenwerking naar de toekomst toe te versterken. Vervolgens is het aan [eiser1] om naar de toekomst toe de onderneming verder uit te bouwen.

18. PostNL constateert dat [eiser1] een enthousiaste ondernemer is die wellicht soms iets te snel nieuwe kansen oppakt zonder dat de business case volledig duidelijk is.

19. PostNL wil echter ook graag gebruikmaken van het creatief ondernemerschap en samen met [eiser1] werken aan de groei van het pakkettenbedrijf door middel van een duidelijk omschreven pilot om te kijken of er meer lokale pakketten kunnen worden gecollecteerd voor het netwerk van PostNL, zonder “stapelcontract”.

(…)

Partijen komen met inachtneming van het voorgaande het volgende overeen:

1. PostNL betaalt eenmalig een vergoeding van € 75.000 voor de geleden schade t.a.v. het aanhuren van een pand t.b.v. processen van PostNL die vervolgens zijn gewijzigd inclusief de vervolgschade zoals hierboven beschreven. (…)

2. PostNL vult de omzet van de vaste ritten te rekenen vanaf 28 april de komende 8 weken aan tot €8000 (thans geschat op €7200) via een aparte factuur rechtstreeks te sturen naar de crediteurenadministratie (…)

3. PostNL zal in samenwerking met [eiser1] voor 1 juni 2014 een pilot opstarten volgens duidelijke kaders waarbij het uitgangspunt is dat pakketten kunnen worden gecollecteerd door [eiser1] tegen een fee per pakket zonder dat er sprake is van een stapelcontract. Hierover zal op korte termijn iemand worden toegewezen vanuit PostNL om hierover nadere afspraken te maken.

4. [eiser1] krijgt 10-15 rolcontainers in bruikleen van PostNL.

5. De routes die worden gereden door [eiser1] zullen binnen 2 maanden opnieuw worden bekeken en zonodig aangepast indien werkelijke routes niet overeenkomen met de afspraken in het contract.

6. PostNL vergoedt alsnog de rekening van de geleverde catering in januari 2014 (€1600) via een factuur die rechtstreeks kan worden verzonden naar dhr. [G.].

7. PostNL stuurt z.s.m. een officiële vlag van PostNL zodat de samenwerking ook symbolisch zichtbaar kan worden gemaakt bij het pand van [eiser1].

(…)

10. Deze overeenkomst geldt tegen finale kwijting waarbij u en PostNL Pakketten geheimhouding van deze overeenkomst en de inhoud daarvan overeenkomen en afspreken dat deze overeenkomst niet in de openbaarheid wordt gebracht op straffe van terugvordering van bovenstaande vergoeding. (…)

2.13.

PST heeft vervolgens bij PostNL aangedrongen op het tot stand komen van de pilot zoals genoemd in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst. Op 2 juni 2014 hebben de heer P.P.M. [K.] (Sales Director Zuid-Nederland van PostNL) en W. Kamsma van PostNL het bedrijfspand van PST in Valkenburg bezocht.

2.14.

Tevens heeft een bespreking plaatsgevonden op 16 juni 2014 tussen PST, [J.] (de financieel adviseur van PST), [H.], [K.] en [L.] van PostNL. Ook van dit gesprek hebben [eiser1] c.s. een geluidsopname gemaakt. In het door hen vervaardigde transcript van die opname is, onder meer en voor zover hier van belang, het navolgende vermeld:

[K.]: (…) [G.] die op gesprek is geweest bij jullie…toen ben ik opgetrommeld .. dan ga ik samen met iemand kijken hoe je dat samen kan inkleden en inkleuren. We hebben een beleid binnen PostNL .. gaat over stapelen …. Kan werkelijk geen ruimte bieden in de markt voor partijen en pakjes gaan ophalen bij de klant. Of… die wij zelf bewerken vanuit sales die wij met 28 man van het zuiden… onder contract aanbieden door PostNL.

Doen we niet. We zijn marktleider, beursgenoteerd; op het moment dat dat gebeurd.. dat we aan onze eigen ruiten gaan tornen. Dus dat hebben we op die manier vorm te geven. Willen gaan opschalen naar salesagentschap. Nieuwe business gaan ontwikkelen samen.

(…)

00:20:48

[L.] : Wij hebben de vaststellingsovereenkomst ook gekregen en ik heb deze tot mij genomen. Wat zij nu de open… dan beginnen we … (…)

[eiser1] : … Dan is het tweede verhaal: de PST Pakketten. Met [G.] was dus PST mogelijk.. in combinatie met sales. Wat ik van [K.] nu begrepen heb, is dat ik PST vaarwel moet zeggen...(…)

In de hele overeenkomst was duidelijk van [G.] uit dat PST pakketten bleven bestaan. Dus en nou moeten we kijken als salesagents? Ik sta er .. open voor, absoluut [K.]. Maar of dat kostendekkend genoeg is?

00:24:01
[K.]: Dat ligt eraan. Zullen we dat salesagentschap even inkleuren. Dan hebben we daarvan in ieder geval de parameters even helder. (...)

Uhhm, de PST pakketservice, zeg maar, die nu met de frankeermachine werd ingekleurd. Die kennen jullie? Het businessmodel dat er lag was dat [eiser1] en zijn mensen heel graag pakjes wilde gaan ophalen door lokaal als een soort sorteerunit te gaan werken in de distributie van die pakketten en dan ook de eigen pakketten mee te nemen. Omdat ze toch door de straten heen te rijden. Maar daarvan hebben we gezegd: dat is voor ons directe concurrentie, daar kunnen we geen contract voor opmaken en daar is de frankeermachine niet voor gemaakt.

Aanpalend aan dat verhaal hebben we gezegd: dan willen we een salesagentschap doen waarin we samen gaan optrekken met mijn salesmensen. Betekent dat wij als PostNL de regie houden in de contracting sfeer. Dus wij maken de contracten met de opdrachtgever (…)

00:29:03
[eiser1] : Dus dat betekent: ik zeg PST vaarwel, wat ik met [G.] heb afgesproken en dat PST kon blijven bestaan? En ik haal een hele hoop klanten voor jullie binnen voor 2 jaar. En dat is het belang?

(…)

1:13:48

[J.]: Nu hebben we punt 3: per 1 juni ...een pilot opstarten, waarin duidelijke kaders en uitgangspunten zijn dat de pakketten kunnen worden gecollecteerd door [eiser1]. Wordt dat nu eigenlijk afgeschoten?

[K.]: Nee, het wordt niet afgeschoten. Het wordt in een ander vat gegoten wat salesagentschap heet, waarin ze nog steeds kunnen collecteren, er ligt een contract onder met PostNL regie…

(…)

1:16:57
[eiser1] : Het totaalconcept wordt afgeschoten door jou.

[K.]: Het wordt niet afgeschoten. Ik zeg: goh, dat element sales in dat totaalconcept dat is nog steeds een onderdeel en met een ander karakter. Aanpalend aan dat verhaal, want dat salesconcept was tot oktober vorig jaar helemaal niet in vrage. Toen zou jij de totale business gaan draaien vanuit de meelkant. Vanuit zijn tak van sport. En toen daar de wereld veranderde, met de Heerlerbaan en het opschalen, toen kwam het pakkettenverhaal pas in beeld.

(…)

2:28:42

[eiser1] : … En ik mis nog steeds een aantal punten bij die 5 punten

[K.]: wat mis je dan?? Volgens mij hebben we alles…

[eiser1] : Mijn eigen pakkettendienst die in de afsprakenlijst staan.

[K.]: PST gaat niet gebeuren. Dan kunnen we sluiten. (…)

2.15.

Per e-mail van 17 juni 2014 heeft [K.] PST als volgt bericht:

Zoals beloofd zou je de parameters voor onze samenwerking aangaande het Salesagentschap nog op de mail zetten. Dit zullen we vervolgens officieel vastleggen in een samenwerkingsovereenkomst.

Zoals ik heb aangegeven is er binnen PostNL geen ruimte voor jullie Businesspropositie aangaande de lokale pakkettendistributie. Het stapelen is daarmee uitgesloten.

Op hoofdlijnen ziet het Salesagentschap er als volgt uit:

  • -

    De samenwerking wordt lokaal opgetuigd ten aanzien van New Business in de regio.

  • -

    Het betreft louter het (terug)winnen van nieuwe klanten, waarbij in de afgelopen 6 maanden geen salesactiviteit namens PostNL heeft plaatsgevonden.

  • -

    Registratie wordt bijgehouden in het CRM-systeem van PostNL (SalesForce).

  • -

    PostNL Pakketten sluit op “eigen regie” marktconforme contracten met de aangeleverde prospects/leads.

  • -

    De aanleverfee bestaat uit €0,25 per gesorteerd pakketten op NLI, en nog een variabel €0,25 per gecollecteerd pakket door [eiser1] (indien van toepassing).

  • -

    Gecollecteerde pakketten worden direct aangeleverd op onze NLI vestiging in Born (sorteercentrum).

  • -

    Fee blijft van kracht gedurende de looptijd van het eerste contract en eindigt derhalve bij verlening/einde van de desbetreffende vervoersovereenkomst (einde looptijd eerste contract). (…)”

2.16.

Per e-mail van 18 juni 2014 heeft [J.] (de financieel adviseur van PST) aan [K.] medegedeeld dat PST er van uit gaat dat de omzet van het PST‑concept niet zal wegvallen, gelet op eerder gedane toezeggingen. Tevens heeft PST per e‑mail van 27 juni 2014 aan [K.] gemeld dat het salesagentschap voor haar niet haalbaar is zonder het PST-concept. Daarop heeft [K.] dezelfde dag geantwoord dat PostNL het PST‑concept niet ondersteunt en dat het salesagentschap het enige alternatief is voor PST om met pakketdienstverlening actief te kunnen zijn.

2.17.

Op 22 september 2015 is PST in staat van faillissement verklaard.

2.18.

[eiser1] c.s. hebben PostNL per brieven van 26 april 2017, 13 februari 2018, en 25 februari 2019 aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade.

2.19.

Op 21 juni 2018 heeft de curator in het faillissement van PST de vorderingen van PST op PostNL uit hoofde van de uitvoering van de tussen PostNL en PST gesloten vervoersovereenkomst(en) en hieromtrent overeengekomen minnelijke regelingen, overgedragen aan [eiser1] c.s., waarbij aan de curator finale kwijting is verleend.

2.20.

Het faillissement van PST is in juli 2018 opgeheven bij gebrek aan baten.

2.21.

[eiser1] c.s. worden aangesproken door de schuldeisers van PST. Met enkele schuldeisers is een betalingsregeling getroffen. De woning van [eiser1] c.s. is verkocht door de hypotheekhouder (een bank).

2.22.

In het kader van een door [eiser1] c.s. verzocht voorlopig getuigenverhoor zijn ten overstaan van een rechter-commissaris van deze rechtbank op 5 september 2019 vier getuigen gehoord, te weten [G.], [D.], [C.] en [B.]. Tijdens de voortzetting van dat voorlopig getuigenverhoor op 26 september 2019 zijn [K.], [J.] en [H.] tevens als getuigen gehoord. De processen-verbaal van de voorlopig getuigenverhoren zijn in het geding gebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser1] c.s. vorderen samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat PostNL jegens PST en/of [eiser1] c.s. toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld en/of heeft gehandeld in strijd met de precontractuele goede trouw;

  2. voor recht verklaart dat [eiser1] c.s. jegens PostNL vanwege vorenbedoelde normschending een vordering tot vergoeding van schade hebben, met veroordeling van PostNL om die schade aan [eiser1] c.s. te vergoeden;

  3. de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure ter bepaling van de schade van [eiser1] c.s. en ter vereffening volgens de wet;

  4. PostNL veroordeelt tot betaling aan ieder van eiseres van een voorschot op een schadevergoeding ter grootte van € 125.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de betekening van dit vonnis;

een en ander met veroordeling van PostNL in de proceskosten, alsook de kosten in verband met de voorlopige getuigenverhoren, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Hieraan leggen [eiser1] c.s. zakelijk weergegeven het volgende ten grondslag. PostNL is jegens PST tekortgeschoten in de nakoming van artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst, door tijdens het gesprek op 16 juni 2014 het PST-concept alsnog van de hand te wijzen. De in artikel 3 overeengekomen pilot is daardoor niet gestart en evenmin heeft PostNL zich voldoende ingespannen om die pilot te laten aanvangen. Tevens heeft PostNL onrechtmatig gehandeld jegens [eiser1] c.s., door aan de gemaakte afspraken met PST geen (voldoende) uitvoering te geven, terwijl PostNL zich ervan bewust was dat dit tot schade van derden ([eiser1] c.s.) zou leiden (vgl. Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355). Indien de op 29 april 2014 gemaakte afspraak niet kan worden aangemerkt als een bindende afspraak tot een duurzame samenwerking, geldt dat PostNL bij PST zodanige verwachtingen heeft gewekt op een duurzame samenwerking, dat PostNL die verwachtingen diende te honoreren en de onderhandelingen niet mocht afbreken (vgl. artikel 6:2 BW en Hoge Raad 18 juni 1982, NJ 1983/723, Plas/Valburg), aldus nog steeds [eiser1] c.s.

3.3.

PostNL voert verweer, dat hierna - voor zover van belang - zal worden besproken.

4 De beoordeling

primaire grondslag: tekortkoming, uitleg van de vaststellingsovereenkomst

4.1.

Aan de rechtbank ligt in de kern de vraag voor of PostNL jegens PST is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst van 10 mei 2014. Partijen zijn het er over eens dat met de vaststellingsovereenkomst, waarin partijen elkaar in artikel 10 finale kwijting hebben verleend, een streep is gezet onder de periode die vooraf was gegaan aan de vaststellingsovereenkomst. Die voorgeschiedenis is daarmee enkel nog van belang in het kader van de uitleg van de vaststellingsovereenkomst.

4.2.

Bij de beoordeling wordt voorts voorop gesteld dat (de curator van) PST de vorderingen op PostNL uit hoofde van de gestelde tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst heeft gecedeerd aan [eiser1] c.s., zodat [eiser1] c.s. deze rechten van PST kunnen uitoefenen.

4.3.

Om het beroep op een tekortkoming te kunnen beoordelen, moet worden vastgesteld wat PST en PostNL zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst. Volgens [eiser1] c.s. is daarin afgesproken dat PostNL het PST-concept omarmde en daaraan (eerst in het kader van een pilot, met het oog op een duurzame samenwerking) uitvoering zou geven. Dat overeengekomen PST-concept bestaat er volgens [eiser1] c.s. uit dat PST pakketten zou gaan ophalen in de regio Zuid-Limburg en met die verzenders zelf een contract zou sluiten. De bezorging van de pakketten binnen die regio zou PST zelf verzorgen, en voor de bezorging van de pakketten buiten de regio zou PostNL als leverancier (onderaannemer) van PST optreden. PostNL betwist dat zij in de vaststellingsovereenkomst met PST heeft afgesproken dat zij aan dit PST-concept haar medewerking zou verlenen.

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag wat partijen hebben afgesproken, komt het aan op de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Daarvoor moet niet enkel gekeken worden naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar wat partijen (PST en PostNL) over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Het gaat daarbij om de gerechtvaardigde verwachtingen die partijen op grond van de omstandigheden van het geval over en weer mochten hebben (vgl. het standaardarrest HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)).

4.5.

Hierbij is van belang dat de vaststellingsovereenkomst een vastlegging vormt van de afspraken die tijdens het gesprek op 29 april 2014 tussen [G.] van PostNL enerzijds, en PST anderzijds, zijn gemaakt. Voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst zijn daarom in de eerste plaats de verklaringen over en weer tijdens dat gesprek van belang. Aangezien van dat gesprek een geluidsopname beschikbaar is en [eiser1] c.s. zelf daarvan een transcript hebben vervaardigd, en óók PostNL zich beroept op de tekst van dit transcript, zal de rechtbank er vanuit gaan dat partijen de verklaringen hebben afgelegd, zoals weergegeven in 2.11 van dit vonnis. Die verklaringen, evenals de tekst van de vaststellingsovereenkomst (zie 2.12 van dit vonnis), zullen daarom in het navolgende steeds tot uitgangspunt worden genomen.

stapelcontract

4.6.

Vast staat dat tijdens het gesprek van 29 april 2014 is gesproken over de wens van PST om pakketten te gaan collecteren in de regio Zuid-Limburg. Ook staat vast dat ([G.]) [G.] tijdens dat gesprek heeft aangegeven dat PostNL niet akkoord wenste te gaan met een “stapelcontract” (ook wel stapelconstructie of stapelaar genoemd).

4.7.

Partijen geven ieder een verschillende uitleg aan het begrip stapelcontract. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat, anders dan [eiser1] c.s. menen, niet zozeer van belang is welke objectieve definitie moet worden toegekend aan de term stapelcontract, bijvoorbeeld op basis van wat hierover in jurisprudentie of een rapport van de ACM (uit 2017) is bepaald. Partijen waren immers ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 10 mei 2014 niet bekend met die jurisprudentie en het latere rapport van de ACM. Van belang is welke betekenis partijen ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan het gebruik van deze term mochten toekennen, op basis van de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer. Uit het door [eiser1] c.s. gemaakte transcript van het gesprek van 29 april 2014 blijkt dat [G.] hierover het volgende heeft gezegd (onderstreping door de rechtbank):

“het pakjes aannemen pakjes collecteren maar dan gewoon voor een fee per pakje zonder dat je zelf onze klant wordt niet via een stapellaars concept maar wel via een soort connectie concept” (…)

“Daarom ook dat van die communicanten bij ons heel erg zitten te worstelen met dat stapellaars verhaal wat dus jullie klanten worden en dat jullie dus een inkoopcombinatie worden maar als je gewoon een fee constructie maakt maar jo ik zorg dat ik lokaal klanten binnen haal na daar moeten we iets mee kunnen doen”

4.8.

De rechtbank concludeert dan ook dat toen op 29 april 2014 de afspraken werden gemaakt die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, voor PST duidelijk moet zijn geweest dat PostNL niet wilde meewerken aan een constructie waarbij PST een klant zou worden van PostNL. [G.] heeft dat bezwaar van PostNL blijkens de voormelde citaten uit het gesprek van 29 april 2014 direct gekoppeld aan de term stapelcontract.

4.9.

Deze boodschap van [G.] tijdens het gesprek op 29 april 2014 was bovendien niet nieuw voor PST. Ook voorafgaand aan het gesprek van 29 april 2014 moet bij PST al duidelijk zijn geweest, dat PostNL niet instemde met een stapelcontract waarbij zij niet met de eindklant contracteerde, maar met PST een contract sloot. De Graaf van PostNL had immers in zijn e-mail van 7 maart 2014 (zie 2.8 van dit vonnis) in reactie op een voorstel van PST reeds duidelijk gemaakt dat PostNL niet meer werkt met stapelcontracten, omdat zij in principe alleen werkt met rechtstreekse contracten met de ondernemer (de verzender van de pakketten).

4.10.

Het betoog van [eiser1] c.s. in deze procedure, inhoudende dat van een stapelcontract pas sprake is als het doel (uitsluitend) is om korting te bedingen bij PostNL en geen sprake is van een eigen netwerk/infrastructuur van de aanbieder, kan niet slagen. Op geen enkel moment tijdens de onderhandelingen of bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft PST aan PostNL duidelijk gemaakt dat zij de term stapelcontract aldus opvatte. Daar staat tegenover dat PostNL haar definitie van het begrip stapelcontract - PostNL wil uitsluitend contracteren met de eindklant en zij wil niet dat PST haar klant wordt - bij herhaling kenbaar heeft gemaakt aan PST. De e-mailcorrespondentie in maart 2014 en het gesprek op 29 april 2014 tussen partijen zijn op basis van die definitie gevoerd. Bij de interpretatie van de afspraken tussen partijen, is die definitie daarom leidend.

4.11.

Partijen hebben in nummer 19 van de considerans en artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk vastgelegd dat de afgesproken pilot niet de vorm zal hebben van een stapelcontract. Daarom mocht PST gezien het voorgaande niet verwachten dat onderdeel van de afgesproken pilot zou zijn, dat PST klant van PostNL zou worden en PostNL als leverancier/onderaannemer van PST zou optreden.

4.12.

De vraag of PostNL elders of voorheen wél stapelcontracten accepteerde, zoals [eiser1] c.s. betogen, is niet relevant. Vast staat immers dat PostNL in de onderhandelingen met PST in maart 2014, op 29 april 2014, en in de tekst van de vaststellingsovereenkomst, in niet mis te verstane bewoordingen heeft duidelijk gemaakt dat zij met PST geen stapelcontract wenste te sluiten. [eiser1] c.s. hebben verder tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er sinds 2017 op PostNL een plicht rustte om medewerking te verlenen aan dergelijke stapelcontracten, gelet op een marktanalysebesluit van de ACM over de belemmering van de mededinging door PostNL. Aan de beoordeling hiervan wordt verder niet toegekomen, omdat [eiser1] c.s. zelf stellen dat van een dergelijke verplichting van PostNL in 2014 in ieder geval nog geen sprake was.

4.13.

Tussen partijen staat vast dat van het PST-concept onderdeel uitmaakt dat PST klant wordt van PostNL en PostNL optreedt als onderaannemer/leverancier van PST, namelijk voor pakketten die door PST worden opgehaald in de regio Zuid-Limburg en moeten worden bezorgd buiten die regio. Het voorgaande leidt dan ook tot de tussenconclusie dat het betoog van [eiser1] c.s. dat in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat PostNL het PST-concept zou omarmen en uitvoeren, niet kan worden gevolgd. Voor PST moet ook duidelijk zijn geweest dat PostNL het PST-concept aanmerkte als stapelcontract. PST wist immers dat het PST-concept betekende dat PST klant zou worden van PostNL. De opmerking van De Graaf in de e-mail van 7 maart 2014 dat PostNL niet meer werkt met stapelcontracten, was bovendien een directe reactie op het door PST voorgestelde PST-concept. Ook had PST moeten begrijpen dat [G.] tijdens het gesprek van 29 april 2014 de bezwaren van PostNL tegen stapelcontracten besprak naar aanleiding van de eerder door PST gedane voorstellen tot samenwerking.

fee per pakket / salesagent (artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst)

4.14.

Vervolgens dient de vraag zich aan wat partijen dan wel zijn overeengekomen in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst. Uit het transcript van het gesprek op 29 april 2014 blijkt daarover het volgende (onderstreping door de rechtbank):

“Maar goed wat ik op basis van vanmiddag wat ik je al zei heb ik wel iets over het pakjes aannemen pakjes collecteren maar dan gewoon voor een fee per pakje zonder dat je zelf onze klant wordt niet via een stapellaars concept maar wel via een soort connectie concept ik kan dat niet …ik moet even een slag om de arm dan kan ik in mijn eigen naam al zeggen… dat ik dat met mijn collega probeer hier als pilot neer te zetten binnen afzienbare tijd (…)

maar als je gewoon een fee constructie maakt maar jo ik zorg dat ik lokaal klanten binnen haal na daar moeten we iets mee kunnen doen

Dus ik zet het streven naar 1 juni een pilot dus ik kan natuurlijk niet helemaal ik heb nog geen idee hoeveel handel er zit en hoe het gaat lopen”

4.15.

Hieruit leidt de rechtbank af dat partijen hebben afgesproken per 1 juni 2014 een pilot te starten, waarbinnen PST op basis van een fee per pakket pakketten gaat collecteren en daarnaast tegen een fee lokaal klanten gaat binnenhalen, en gaat optreden als een salesagent van PostNL.

4.16.

Het betoog van [eiser1] c.s. dat de naam “salesagent” door [G.] uitsluitend is opgeworpen om te vermijden dat de afspraken in strijd zouden komen met het beleid van PostNL om geen stapelcontracten meer te sluiten, maar dat feitelijk het PST-concept toch werd omarmd, vindt geen steun in het transcript van het gesprek van 29 april 2014. Uit geen enkele aangehaalde passage blijkt dat PostNL die indruk bij PST heeft gewekt. In tegendeel: PostNL heeft juist benadrukt dat zij niet wilde dat PST haar klant zou worden.

4.17.

De afspraken over de pilot zijn vervolgens als volgt vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst (onderstreping door de rechtbank). In nummer 19 van de considerans: “[PostNL wil] samen met [eiser1] werken aan de groei van het pakkettenbedrijf door middel van een duidelijk omschreven pilot om te kijken of er meer lokale pakketten kunnen worden gecollecteerd voor het netwerk van PostNL, zonder “stapelcontract”. En in artikel 3: “PostNL zal in samenwerking met [eiser1] voor 1 juni 2014 een pilot opstarten volgens duidelijke kaders waarbij het uitgangspunt is dat pakketten kunnen worden gecollecteerd door [eiser1] tegen een fee per pakket zonder dat er sprake is van een stapelcontract.”

4.18.

Tijdens de voorlopig getuigenverhoren heeft [H.] (van SubcoPartners) verklaard dat in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst in het kader van het PST-concept is geregeld wat er moet gebeuren met pakketten die buiten de regio (Zuid-Limburg) moeten worden bezorgd (proces-verbaal van 26 september 2019, pag. 9). Aan deze getuigenverklaring kent de rechtbank echter geen betekenis toe. Dit betreffen immers de herinneringen van [H.] van ruim vijf jaar na de datum van het gesprek op 29 april 2014, terwijl deze verklaring van [H.] niet te rijmen is met het door [eiser1] c.s. zelf opgestelde transcript van de geluidsopname van dat gesprek. Noch het transcript van het gesprek van 29 april 2014, noch de tekst van de vaststellingsovereenkomst biedt steun aan de uitleg die [H.] in zijn getuigenverklaring aan artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst geeft, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.19.

[eiser1] c.s. hebben verder betoogd dat de “fee” die in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is genoemd, betrekking heeft op de tarieven die PST in het kader van het PST-concept in rekening zou brengen bij haar klanten. Dat zou dus betekenen dat niet PostNL, maar PST een contract sluit met de eindklant, en dat PST vervolgens een klant wordt van PostNL (een stapelcontract). Voor deze uitleg bieden het gesprek op 29 april 2014 en de tekst van de vaststellingsovereenkomst geen enkel aanknopingspunt. Daarbij komt dat deze uitleg van het woord “fee” in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst strijdig is met de onmiddellijk daaropvolgende zinsnede dat geen sprake zal zijn van een stapelcontract (“zonder dat sprake is van een stapelcontract”), hetgeen [G.] in het gesprek van 29 april 2014 heeft uitgelegd als een constructie waarbij PST klant wordt van PostNL. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor zover PST het woord “fee” in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk heeft opgevat op de wijze zoals [eiser1] c.s. in deze procedure verdedigen, en PST werkelijk dacht dat artikel 3 een weergave vormde van het PST-concept, die verwachting kennelijk uitsluitend is gegrond op de sterke wens daartoe van PST, maar die verwachting niet is gerechtvaardigd door de gedragingen en verklaringen van PostNL ([G.]). Daarom kan PST aan die verwachting geen rechten ontlenen.

4.20.

Daarbij komt nog dat [eiser1] c.s. betogen dat voor de mogelijkheid om het PST-concept uit te voeren voornamelijk van belang was dat PST van PostNL toestemming zou krijgen om pakketten die voor PostNL werden vervoerd, tegelijk (in dezelfde auto/bus) te mogen vervoeren met pakketten die niet voor PostNL werden vervoerd (het betoog over de ‘zwarte bende’ van PostNL). Vast staat echter dat hierover in het gesprek van 29 april 2014 en in de vaststellingsovereenkomst geen afspraken zijn gemaakt, hetgeen er eveneens op duidt dat PST er niet op mocht vertrouwen dat het PST-concept was overeengekomen.

4.21.

Slotsom van het voorgaande is dat op basis van het gesprek van 29 april 2014 en de tekst van de vaststellingsovereenkomst, de afspraak tussen partijen over de pilot aldus moet worden uitgelegd, dat partijen niet hebben afgesproken dat PostNL het PST-concept zou uitvoeren, maar (slechts) hebben afgesproken dat 1 juni 2014 een pilot zou worden gestart, waarbinnen PST op basis van een fee per pakket pakketten zou gaan collecteren, voor het netwerk van PostNL. Tevens zou PST salesagent van PostNL worden en tegen een fee lokaal klanten gaan binnenhalen.

4.22.

Voor zover [eiser1] c.s. zich er op beroepen dat uit de e-mailwisseling met [D.] van 29 januari 2014 (en de verklaringen van [B.], [C.] en [D.] hierover in het voorlopig getuigenverhoor) blijkt dat PostNL in januari-maart 2014 wel heeft ingestemd met het PST-concept, kunnen zij daarin evenmin worden gevolgd. Uit nummers 8 en 9 van de considerans blijkt immers dat het in maart 2014 door PST voorgestelde stapelcontract op niets is uitgelopen. Dat geldt ook voor de stellingen van [eiser1] c.s. over de frankeermachine die in februari 2014 door PST is aangeschaft (zie eveneens nummers 8 en 9 van de considerans van de vaststellingsovereenkomst). Daarbij komt dat partijen met de vaststellingsovereenkomst een streep hebben gezet onder de voorgeschiedenis en elkaar finale kwijting hebben verleend. Uitsluitend het antwoord op de vraag of PostNL heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst is daarom beslissend.

“PST” en rolcontainers (artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst)

4.23.

[eiser1] c.s. hebben verder betoogd dat voor zover de overeenstemming over het PST-concept niet blijkt uit artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst, die afspraak in ieder geval volgt uit het feit dat PostNL in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst aan PST heeft toegezegd om 10 tot 15 extra rolcontainers in bruikleen te geven.

4.24.

Uit het transcript van het gesprek van 29 april 2014 blijkt hierover dat [eiser1] heeft gevraagd of PostNL “die PST toch ook doen”, waarop [G.] heeft gevraagd wat [eiser1] bedoelde (“PST ?”). Daarop heeft [eiser1] de naam toegelicht (“ Sneltransport pakketten zuid Limburg”, waarop [G.] heeft geantwoord met “Ja, ja..”. Vervolgens heeft [eiser1] toegelicht dat hij 10 tot 15 extra containers nodig had “om de overslag te doen” en zodat zij “de PST pakketten niet los in het schap hoeven te zetten”.

4.25.

Anders dan [eiser1] c.s. hebben bepleit, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat PST met PostNL is overeengekomen dat (in aanvulling op de eerder besproken pilot voor het collecteren van pakketten tegen een fee, en het binnenhalen van klanten tegen een fee) PostNL ook zou meewerken aan het PST-concept. [eiser1] heeft in dat gesprek onduidelijk gelaten wat hij bedoelde met zijn vraag of “PST” ook doorging (waarbij een rol kan hebben gespeeld dat het PST-concept deels dezelfde naam droeg als PST, de vennootschap onder firma van [eiser1] c.s.). Dat [G.] niet wist wat [eiser1] bedoelde, blijkt reeds uit het feit dat hij vroeg om een uitleg (“PST ?”). Voor zover [eiser1] medewerking vroeg van PostNL aan het PST-concept, waarbij PST een klant zou worden van PostNL, en wat dus een afwijking zou betekenen van de duidelijke afwijzing van een dergelijke constructie door [G.] in datzelfde gesprek, heeft [eiser1] dat niet kenbaar gemaakt aan [G.]. De vraag om toelichting van [G.] heeft hij immers enkel beantwoord met “[eiser1] Sneltransport pakketten zuid Limburg”.

4.26.

Uit de reactie van [G.] (“Ja, ja…”) en de opmerking van [eiser1] dat hij de extra rolcontainers wilde gebruiken voor “PST pakketten” mocht PST daarom niet afleiden dat [G.] van zijn eerdere uitdrukkelijke bezwaren tegen een constructie waarbij PST de klant zou worden van PostNL (een stapelcontract) is teruggekomen en hij daarmee alsnog heeft ingestemd. Dat is immers niet besproken en dat mocht PST gezien hetgeen op 29 april 2014 verder is gezegd, niet uit de verklaringen en gedragingen van [G.] afleiden. In de latere vastlegging van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst is de afwijzing van een dergelijk stapelcontract bovendien nog eens uitdrukkelijk (en tweemaal) herhaald, zodat voor PST duidelijk was dat daarop geen uitzondering was gemaakt. Evenmin blijkt uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst dat naast de pilot van artikel 3 (collecteren van pakketten tegen een fee en het als salesagent binnenhalen van klanten tegen een fee) een tweede of andere samenwerkingsvorm is afgesproken, zoals [eiser1] c.s. in deze procedure stellen.

4.27.

Daarbij komt dat de afspraak dat PostNL 10 tot 15 extra rolcontainers in bruikleen zou verstrekken aan PST, in aanvulling op de reeds bij PST aanwezige voorraad rolcontainers, zoals PostNL heeft betoogd, een voor de hand liggende andere aanleiding heeft. Onderdeel van de wel overeengekomen pilot was immers dat PST (in plaats van het uitsluitend bezorgen of ‘uitrijden’ van pakketpost) ook pakketten zou gaan ophalen/collecteren, waarvoor zij afzonderlijke rolcontainers nodig had. [eiser1] c.s. hebben hun betoog dat de rolcontainers bestemd waren voor het PST-concept onderbouwd door te verwijzen naar een verklaring van A. van Zandbeek van 29 september 2020 en een e-mail van [G.] van 13 mei 2014. In de verklaring is echter slechts te lezen dat PST al beschikte over 30 tot 60 rolcontainers, en in de bedoelde e-mail van [G.] staat uitsluitend dat de 10 tot 15 rolcontainers aan PST geleverd zullen worden. Uit de enkele afspraak dat extra rolcontainers door PostNL worden verstrekt, valt echter niet af te leiden dat die rolcontainers bestemd zijn voor de uitvoering van het PST-concept.

4.28.

Verder hebben [eiser1] c.s. aangevoerd dat [G.] tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, dat de 10 tot 15 extra containers zijn verstrekt ten behoeve van de in artikel 3 van die vaststellingsovereenkomst afgesproken pilot (proces-verbaal van 5 september 2019, pag. 4). Dit betekent echter niet dat de rolcontainers zijn verstrekt in verband met de uitvoering van het PST-concept. In artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is immers niet het PST-concept overeengekomen, maar de pilot voor het collecteren van pakketten tegen een fee en het als salesagent binnenhalen van klanten. Op de vraag of de rolcontainers bedoeld waren voor de uitvoering van het PST-concept heeft [G.] tijdens de voorlopig getuigenverhoren bovendien geantwoord dat hij zich daar niets van kan herinneren (proces-verbaal van 5 september 2019, pag. 4, laatste zin).

tekortkoming?

4.29.

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of PostNL is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst. Nu vast staat dat PostNL de extra rolcontainers aan PST heeft verstrekt en uit artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst geen andere verplichtingen van PostNL voortvloeien, spitst die vraag zich toe op artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst (de pilot).

4.30.

Ter uitvoering van die afspraak heeft op 16 juni 2014 een gesprek plaatsgevonden tussen PST en [K.] van PostNL. [eiser1] c.s. hebben in deze procedure met name betoogd dat het voorstel dat [K.] toen heeft gedaan (en heeft bevestigd in zijn e-mail van 17 juni 2014) niet in overeenstemming is met het PST-concept dat PST voor ogen stond. Dat is echter niet de vraag die in deze procedure ter beantwoording voorligt. Uit het voorgaande volgt immers dat in de vaststellingsovereenkomst niet is afgesproken dat PostNL zou meewerken aan het PST-concept, maar in plaats daarvan een pilot zou opstarten voor het collecteren van pakketten tegen een fee en het als salesagent binnenhalen van klanten tegen een fee. De vraag die ter beantwoording voorligt, is of PostNL aan die verplichting heeft voldaan.

4.31.

Uit het transcript van het gesprek op 16 juni 2014 en de e-mail van [K.] van 17 juni 2014 (zie 2.14 en 2.15 van dit vonnis) blijkt dat [K.] toen aan PST heeft aangeboden dat PST als salesagent klanten voor PostNL gaat binnenhalen en tevens pakketten gaat collecteren. PST zou voor iedere nieuw aangebrachte klant een fee krijgen van € 0,25 per pakket, en tevens per opgehaald pakket een extra fee van € 0,25. Tussen partijen staat vast dat deze samenwerking nooit daadwerkelijk is gestart, omdat PST meende dat PostNL daarmee niet voldeed aan de afspraken in de vaststellingsovereenkomst.

4.32.

Uit het transcript van het gesprek van 16 juni 2014 blijkt verder dat [K.] daarbij heeft gezegd dat stapelcontracten onacceptabel zijn voor PostNL (“Doen we niet.”). Anders dan [eiser1] c.s. veronderstellen, is dat geen schending van de vaststellingsovereenkomst, maar slechts een herhaling van de afspraken die daarin zijn gemaakt. Dat [K.] een nadere toelichting heeft gegeven op de reden waarom geen medewerking wordt verleend aan een stapelcontract (omdat PostNL zichzelf dan concurrentie zou aandoen), maakt dat niet anders. Uit het transcript volgt daarnaast dat [K.] het PST-concept, zoals dat PST voor ogen stond, heeft afgewezen. Daarmee heeft hij echter niet in strijd gehandeld met de vaststellingsovereenkomst, omdat daarin niet is afgesproken dat PostNL zou meewerken aan het PST-concept. Tijdens het gesprek met [K.] heeft [eiser1] gesteld dat hij met [G.] had afgesproken dat het PST-concept (althans de “eigen pakkettendienst” van PST) uitgevoerd zou worden, en dat dit ook in de “afsprakenlijst” staat. Dat is echter niet in overeenstemming met (het transcript van) het gesprek met [G.] op 29 april 2014 en de vaststellingsovereenkomst. Dat [K.] tijdens het gesprek van 16 juni 2014 daarop niet verder is ingegaan, levert daarom evenmin een tekortkoming van PostNL op.

4.33.

De vraag of de door [K.] voorgestelde samenwerking voor PST rendabel was, althans de kosten van de overige werkzaamheden van PST voor PostNL kon dekken, hetgeen [eiser1] c.s. betwisten, kan in het midden blijven. Noch in het gesprek van 29 april 2014, noch in de vaststellingsovereenkomst, heeft PostNL garanties gegeven over de winstgevendheid van de pilot. Weliswaar heeft [H.] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat het doel van de pilot was om andere verliezen te compenseren (proces-verbaal van 26 september 2019, pag. 9), maar hij verklaart niet dat PostNL daarover toezeggingen heeft gedaan. Daarbij komt dat uit het transcript van het gesprek op 29 april 2014 juist volgt dat [G.] over de winstgevendheid toen een voorbehoud heeft gemaakt (“… ik heb nog geen idee hoeveel handel er zit en hoe het gaat lopen…”). Voor de in het verleden geleden verliezen heeft PostNL blijkens de vaststellingsovereenkomst bovendien een vergoeding aan PST betaald van € 75.000. Het kan zijn dat PST bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst de inschatting heeft gemaakt dat zij met de pilot haar toekomstige kosten kon dekken, maar dat (ondernemers)risico ligt bij PST en niet bij PostNL. Weliswaar ligt voor de hand dat het PST-concept voor PST winstgevender zou zijn dan de door [K.] voorgestelde samenwerking, maar dat is niet relevant, omdat PostNL zich niet aan het PST-concept heeft gecommitteerd. Daarom kon PST daaraan geen aanspraken of gerechtvaardigde verwachtingen over de winstgevendheid van de pilot ontlenen.

4.34.

[eiser1] c.s. hebben verder aangevoerd dat onderdeel van de door [K.] op 16 juni 2014 voorgestelde samenwerking was, dat PostNL de klanten van PST zou afpakken, hetgeen volgens [eiser1] c.s. niet is besproken door [G.] op 29 april 2014. De rechtbank begrijpt het aanbod van [K.] echter aldus, dat PostNL niet zozeer de klanten van PST afpakt, maar dat ondernemingen die door de inspanningen van PST pakketpost gaan verzenden via PostNL, geen klant zouden worden van PST, maar klant werden van PostNL. Dat is ook het uitvloeisel van de herhaaldelijk door [G.] op 29 april 2014 besproken wens van PostNL dat PST geen klant zou worden van PostNL, maar dat PostNL rechtstreeks wenst te contracteren met de eindklant (de discussie over de stapelcontracten). Het voorstel van [K.] hield ook in dat PST voor het aldus binnenhalen van eindklanten voor PostNL, een fee zou ontvangen van PostNL. Dit is in overeenstemming met hetgeen [G.] heeft besproken op 29 april 2014 met PST (vgl. de opmerking van [G.] over het salesagentschap en het “lokaal klanten binnen ha[a]l[en]” in het transcript van het gesprek op 29 april 2014). Ook in de vaststellingsovereenkomst is dit vastgelegd, in nummer 19 van de considerans, waar staat dat PST voor “het netwerk van PostNL” pakketten gaat collecteren. Gezien het voorgaande was het aanbod van [K.] niet in strijd, maar juist in lijn met de afspraken die PST met [G.] had gemaakt en die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst.

4.35.

Het voorgaande betekent dat PostNL met het aanbod van [K.] op 16 en 17 juni 2014 heeft voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst. De enkele omstandigheid dat [K.] de voorgestelde samenwerking geen “pilot” heeft genoemd, doet daaraan niet af, omdat de inhoud van de door hem voorgestelde samenwerking valt binnen de kaders die in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen. [eiser1] c.s. hebben tegen die door [K.] voorgestelde samenwerking geen andere bezwaren aangevoerd, dan de bezwaren die in het voorgaande zijn besproken en ongegrond zijn bevonden. De omstandigheid dat die samenwerking niet van de grond is gekomen, omdat PST daaraan geen medewerking heeft verleend, komt daarom voor rekening en risico van PST. De vraag of artikel 3 moet worden aangemerkt als een resultaatsverbintenis tot het opstarten van een pilot, zoals [eiser1] c.s. primair betogen, kan in het midden blijven. Zelfs indien daarvan sprake is, heeft PostNL aan haar verplichtingen voldaan, omdat de omstandigheid dat PST niet aan de door [K.] voorgestelde samenwerking wilde meewerken, niet voor haar rekening komt.

conclusie primaire grondslag

4.36.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van [eiser1] c.s. op een tekortkoming van PostNL in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst, faalt. De primair aangevoerde grondslag van de vorderingen van [eiser1] c.s. slaagt dus niet.

4.37.

Aan verdere bewijslevering door [eiser1] c.s., op wie de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast rusten, wordt niet toegekomen. Daartoe is redengevend dat [eiser1] c.s. niet aan de stelplicht hebben voldaan. Gelet op de inhoud van het door henzelf opgestelde transcript van het gesprek op 29 april 2014, hebben zij onvoldoende concreet toegelicht dat (en wanneer) het PST-concept met PostNL is overeengekomen. Daarbij komt nog dat over het betreffende feitencomplex door [eiser1] c.s. reeds getuigen zijn gehoord in het voorlopig getuigenverhoor en in het door [eiser1] c.s. gedane bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd dat en waarom zij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen (vgl. HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677).

subsidiaire grondslag: onrechtmatig handelen

4.38.

Voor zover [eiser1] c.s. betogen dat PostNL onrechtmatig heeft gehandeld tegenover PST wordt dat betoog niet gevolgd. [eiser1] c.s. hebben hieraan immers geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd, dan aan het beroep op een tekortkoming. Nu uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat PostNL heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst met PST, kunnen haar gedragingen niet als onrechtmatig tegenover PST worden aangemerkt.

4.39.

Het betoog van [eiser1] c.s. strekt er met name toe dat PostNL onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser1] c.s., die geen partij zijn bij de vaststellingsovereenkomst en daarom moeten worden aangemerkt als derden, aldus [eiser1] c.s. Daarbij hebben [eiser1] c.s. zich beroepen op een arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1355). In dit arrest is - kort samengevat - beslist dat wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden kunnen worden verbonden, hij onder omstandigheden zijn gedrag ter zake van de overeenkomst waarbij hij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde. In de zaak die speelde bij de Hoge Raad had de contractspartij ingestemd met een beëindiging van een contract, hetgeen tot schade van een derde had geleid.

4.40.

Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [eiser1] c.s. zijn geen derden (in de zin van dit arrest), omdat de vaststellingsovereenkomst niet is aan te merken als een schakel in een keten waarmee de belangen van [eiser1] c.s. zijn verbonden. Daarbij komt dat PostNL haar verplichtingen jegens PST uit de vaststellingsovereenkomst reeds is nagekomen, zodat het onderhavige geval ook in die zin afwijkt van het arrest van de Hoge Raad. Het arrest van de Hoge Raad heeft betrekking op de belangen van een derde bij de behoorlijke nakoming van een contract waarbij die derde geen partij is. Het arrest biedt geen steun aan het kennelijke betoog van [eiser1] c.s. dat hoewel PostNL jegens PST heeft voldaan aan de vaststellingsovereenkomst, op PostNL andere of verdergaande verplichtingen rustten, gelet op de belangen van [eiser1] c.s.

4.41.

Het voorgaande betekent dat ook de subsidiaire grondslag faalt.

meer subsidiaire grondslag: precontractuele goede trouw

4.42.

Bij de beoordeling van het beroep op de precontractuele goede trouw wordt vooropgesteld dat het PostNL te allen tijde vrijstond de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van PST in het tot stand komen van een overeenkomst tot het uitvoeren van het PST-concept, of in verband met de andere omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar zou zijn. Van schade is voorts pas sprake indien aannemelijk is dat bij voortzetting van de onderhandelingen een overeenkomst tot het uitvoeren van het PST-concept tot stand gekomen zou zijn (vgl. HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 (Plas/Valburg), en HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1017 (VSH/Shell)).

4.43.

Enerzijds voeren [eiser1] c.s. aan dat voor zover op 29 april 2014 geen afspraken zijn gemaakt tot een duurzame samenwerking (conform het door PST beoogde PST-concept) PostNL de onderhandelingen daarover niet mocht afbreken. Dit betoog kan echter niet worden gevolgd, omdat de onderhandelingen hebben geleid tot overeenstemming in de vaststellingsovereenkomst (zij het met een andere inhoud dan [eiser1] c.s. in deze procedure betogen). Daarmee is de precontractuele fase geëindigd. Daarbij komt dat PostNL iedere samenwerking waarbij PST zou optreden als klant van PostNL (een stapelcontract), waaronder het PST-concept, in ieder geval vanaf maart 2014 consequent heeft afgewezen. Ook daarom slaagt het beroep op de precontractuele goede trouw niet.

4.44.

Anderzijds betogen [eiser1] c.s. dat PostNL na de vaststellingsovereenkomst de onderhandelingen over (de invulling van) de pilot niet had mogen afbreken. Ook dit betoog kan niet slagen, omdat PST aan PostNL heeft medegedeeld dat zij uitsluitend wenste in te stemmen met het PST-concept (vgl. de e-mail van 27 juni 2014, zie 2.16), terwijl PostNL daartoe niet verplicht was. Bij die stand van zaken kon niet van PostNL worden gevergd dat zij in nadere onderhandeling zou treden met PST over de inhoud van de pilot.

4.45.

Dit betekent dat ook de meest subsidiaire grondslag de vorderingen niet kan dragen.

slotsom en proceskosten

4.46.

De vorderingen van [eiser1] c.s. zullen daarom worden afgewezen.

4.47.

[eiser1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van PostNL worden begroot op € 8.935, waarvan € 4.131 aan griffierecht en € 4.804 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 2.402).

4.48.

De gevorderde kosten van PostNL voor het voorlopig getuigenverhoor worden toegewezen en begroot op € 3.603 aan salaris advocaat (1,5 punt x tarief € 2.402). Gesteld noch gebleken is dat PostNL overige kosten heeft gemaakt in het kader van de voorlopige getuigenverhoren (bijvoorbeeld griffierecht heeft betaald of getuigentaxen heeft voldaan).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser1] c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van PostNL tot op heden begroot op € 8.935, en op € 3.603 voor de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. E. de Vries en mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.1

1 type: 1538 coll: