Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11137

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
15/231769.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake mishandeling.

Niet voldaan aan criteria opleggen ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/231769.20

Uitspraakdatum: 24 december 2020

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 december 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie,

mr. M. Kubbinga en van hetgeen door verdachte en mr. M. Berbee, raadsman van verdachte, naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en van de toelichting hierop door mr. J.J. Jorna, raadsman van de benadeelde partij.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 14 september 2020 te Den Helder, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een hand en/of elleboog tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan;
Feit 2
hij op of omstreeks 14 september 2020 te Den Helder, althans in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant 1], belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en/of een
onderzoek van speeksel, hieraan geen gevolg te geven.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de afdoening van de zaak heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat vanaf de aanhouding van verdachte is ingestoken op de mogelijke vordering van een ISD-maatregel. Gelet echter op het feit dat de voorwaardelijke gevangenisstraf, opgelegd door de politierechter op 10 april 2018, niet is ten uitvoer gelegd, is er, met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad, in de visie van de officier van justitie niet voldaan aan de criteria om de ISD-maatregel op te leggen. De officier van justitie vordert daarom dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van voorarrest en vordert gelet hierop tevens de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier te veel twijfels oproept of verdachte aangever heeft geslagen. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat aangever het letsel aan zijn lip heeft opgelopen bij de sprong van het balkon, kan niet worden uitgesloten.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman gewezen op het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]. Op bladzijde 12 en 13 van dat proces-verbaal staat vermeld dat aan verdachte is gevraagd aan een blaas- en drugstest mee te werken. Een vraag kan niet gelijk gesteld worden aan een bevel of een vordering ex artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van dezelfde verbalisant [verbalisant 1], dat hij alleen heeft opgemaakt en waarin hij meldt dat hij verdachte tot twee keer toe bevolen heeft mee te werken, lijkt in strijd te zijn met het proces-verbaal dat hij samen met [verbalisant 2] over dezelfde gebeurtenis heeft opgemaakt.

4 Vrijspraak feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op 14 september 2020 in hun op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal hebben geverbaliseerd dat op 14 september 2020 om 19.16 uur aan verdachte is gevraagd om mee te werken aan een blaastest en drugstest, waarop verdachte heeft aangegeven dat niet nodig te vinden. Dezelfde verbalisant [verbalisant 1] tekent in een door hem op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal op dat hij verdachte op 14 september 2020 om 19.14 uur en om 19.15 uur heeft bevolen om mee te werken aan een onderzoek uitgeademde lucht, respectievelijk een onderzoek van speeksel. De inhoud van deze twee processen-verbaal strookt niet met elkaar waardoor bij de rechtbank twijfel bestaat of er daadwerkelijk een bevel of vordering is gedaan zoals bedoeld in artikel 55d, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Dit leidt ertoe dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

5 Bewijs

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

5.1

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 14 september 2020 te Den Helder, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] tegen het hoofd te slaan.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangever, die te hulp was geschoten nadat de hond van verdachte een ander, kleiner, hondje had gebeten en nog in zijn bek vast had. Nadat aangever aangaf dat hij de politie zou bellen, omdat verdachte zijn hond had geschopt, voelde hij een klap tegen zijn mond. Hieraan heeft verdachte een pijnlijke, dikke lip overgehouden. Van het incident waren diverse omstanders getuige. Door zo te handelen heeft verdachte aangever niet alleen pijn en letsel toegebracht, maar heeft hij ook gevoelens van onrust en onveiligheid bij aangever in het bijzonder en bij de omstanders in het algemeen aangewakkerd. Uit het voegingsformulier van de benadeelde partij blijkt dat hij nog last heeft van het incident.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 10 november 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor onder meer vermogens-/gewelds en opiumdelicten onherroepelijk is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 26 november 2020 van [reclasseringswerker] als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Fivoor Haarlem, waarin - samengevat weergegeven - wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen;

- een emailbericht van [betrokkene], directeur en psychosociaal therapeut van verslavingskliniek Lumaheerd te Uithuizen, gericht aan de raadsman van verdachte waarbij een uitnodiging is ingesloten voor opname van verdachte per 15 december 2020 in Lumaheerd.

Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij al enige tijd op vrijwillige basis bezig is om te worden opgenomen in Lumaheerd, een verslavingskliniek in het noorden van het land. Een eerdere geplande opname werd doorkruist door het uitzitten van een niet verrichtte taakstraf. Verdachte heeft verklaard dat hij aan zichzelf wil werken en dat hij zal meewerken aan opname en behandeling in Lumaheerd.

De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat niet is voldaan aan de criteria voor de door Fivoor geadviseerde ISD-maatregel. Oplegging van een dergelijke maatregel is dus niet aan de orde. Een verplicht klinisch behandeltraject zoals door Fivoor is geadviseerd kan niet aan verdachte worden opgelegd, nu de rechtbank gelet op de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geen ruimte meer ziet voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel waaraan een dergelijke voorwaarde zou kunnen worden gekoppeld.

De rechtbank is, al het voorgaande afwegende, van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf, namelijk een gevangenisstraf van 4 weken, met aftrek van voorarrest, moet worden opgelegd.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 446,52 ingediend tegen verdachte, bestaande uit € 96,52 aan materiële schade (reiskosten, loonderving) en € 350,- aan immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot de post loonderving en met betrekking tot de reiskosten naar de psycholoog, nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd tot een bedrag van € 150.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de door hem bepleitte vrijspraak niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de reiskosten naar een psycholoog en de post loonderving onvoldoende zijn onderbouwd zodat benadeelde partij voor zover het die posten betreft niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1,12, zijnde de reiskosten in verband met het doen van aangifte, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit en dus voor toewijzing in aanmerking komt.

Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank vindt de grondslag voor toekenning van de immateriële schade in het opgelopen lichamelijk letsel, zoals genoemd in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Aan benadeelde is een klap op zijn mond gegeven met letsel aan de lip tot gevolg. Gelet hierop komt de rechtbank een bedrag van € 150 billijk voor.

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover het de gevorderde reiskosten naar de psycholoog en de gevorderde loonderving betreft. Enige onderbouwing van de post reiskosten psycholoog ontbreekt immers. Ook voor de post loonderving ter hoogte van € 66 ontbreekt een deugdelijke onderbouwing, zodat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade daadwerkelijk heeft geleden. De gemaakte reiskosten in verband met een bezoek aan de advocaat tot een bedrag van € 3,92 zullen worden aangemerkt als proceskosten. Tot slot zal de rechtbank de benadeelde partij tevens niet-ontvankelijk verklaren in de door hem gevorderde reiskosten naar de rechtbank voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten komen op grond van het bepaalde in de artikelen 238 lid 1, 239 en 241 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering niet voor toewijzing in aanmerking aangezien de benadeelde met een gemachtigde procedeert.

Dit alles leidt ertoe dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van

€ 151,12, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, door de benadeelde partij opgevoerd als reiskosten, worden vastgesteld op € 3,92.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 5.1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 6. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 151,12 (éénhonderd éénenvijftig euro en twaalf cent), bestaande uit € 1,12 als vergoeding voor de materiële en € 150 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 3,92, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 151,12 (éénhonderd éénenvijftig euro en twaalf cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2020.

mr. Francke en mr. Affourtit-Kramer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.