Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:11009

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
HAA 20/3932 -
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Verzoek om terugbetaling. Nederlandse douane is bevoegd. De beslissing op bezwaar is niet onbevoegd genomen.

Van vooringenomenheid douane is niet gebleken. Eiseres heeft niet aan de verplichtingen voor de beëindiging van de regeling Uniedouanevervoer voldaan en heeft ook niet op een alternatieve manier het bewijs van de regelmatige beëindiging van deze regeling kunnen leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-12-2020
FutD 2021-0041
NTFR 2021/112
NLF 2021/0090 met annotatie van
NLF 2021/0090 met annotatie van
Douanerechtspraak 2021/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3932

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

hierna te noemen: [X] ,

(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 9 mei 2017 aan [X] een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt van € 520,87, zijnde een bedrag van € 57,49 aan douanerechten op industrieproducten, € 459,25 aan omzetbelasting en € 4,13 aan rente op achterstallen. Tegen deze utb is geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 december 2017 heeft [A] , gevestigd te [Z] (hierna: [A] ), onder overlegging van een machtiging van [X] , een verzoek om terugbetaling gedaan.

Bij beschikking van 22 februari 2018 heeft verweerder het verzoek om terugbetaling afgewezen.

Bij brief van 30 maart 2018 hebben [A] en [X] hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar bij beslissing van 5 november 2018 ongegrond verklaard.

[A] en [X] hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[A] en [X] hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020 te Haarlem.

Namens [X] zijn verschenen [B] (bedrijfsleider van [A] ), [C] (accountmanager van [A] ) en de gemachtigde van [X] , tevens gemachtigde van [A] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
mr. [D] .

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting het onderzoek in de zaak met het nummer HAA 19/24 - waarin [A] en [X] oorspronkelijk gezamenlijk beroep hadden ingesteld – heropend, omdat de rechtbank tot het voorlopig oordeel was gekomen dat de procedure in bezwaar niet goed was verlopen. Bij brief van 11 augustus 2020 heeft de rechtbank verweerder en de gemachtigde van [A] en [X] ter zake het mogelijk niet goed verlopen zijn van de procedure in bezwaar twee vragen gesteld, welke vragen verweerder bij brief van 4 september 2020 heeft beantwoord en de gemachtigde van [A] en [X] bij brief van 8 september 2020. Tevens heeft de rechtbank besloten de zaak met het nummer HAA 19/24 te splitsen in twee zaken, zodat [A] de enige eiseres is gebleven in de zaak met het nummer HAA 19/24 en [X] eiseres werd in de onderhavige zaak.

Overwegingen

Feiten

1. [A] is een logistiek dienstverlener, die zich specifiek bezighoudt met de logistiek rondom het bevoorraden van schepen. Zij besteedt de douanewerkzaamheden uit aan [X] .

2. [X] heeft op 30 november 2016 als toegelaten afzender goederen geplaatst onder de regeling extern Uniedouanevervoer door middel van afgifte van het document [#] . Het kantoor van vertrek is Rotterdam. Het kantoor van bestemming is [E] in Duitsland.

3. Omdat de aangifte niet (elektronisch) is afgemeld in het New Computerised Transit System (NCTS) heeft verweerder - nadat de uiterste vervoerstermijn op 7 december 2016 was verstreken - het nasporingsonderzoek als bedoeld in artikel 310 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie (UVo. DWU) ingeleid bij het kantoor van bestemming. Dit onderzoek heeft geen informatie opgeleverd over de regelmatige beëindiging van de regeling extern Uniedouanevervoer.

4. Op 5 januari 2017 is [X] door verweerder via een geautomatiseerd bericht IE140 (“navraag niet beëindigd vervoer”) ervan in kennis gesteld dat het bewijs van de regelmatige beëindiging van de regeling niet is ontvangen. [X] heeft hierop niet gereageerd.

5. Bij brief van 5 maart 2017 heeft verweerder aan [X] bericht dat hij voornemens is om een utb uit te reiken wegens de niet-zuivering van de aangifte T1 van 30 november 2016. Op deze brief heeft [A] bij e-mail van 7 maart 2017 gereageerd. Naar aanleiding van de in deze e-mail verstrekte informatie heeft verweerder op 15 maart 2017 de Duitse Douane verzocht (via Inlichtingenblad gemeenschappelijk/communautair douanevervoer TC 24) of zij de invordering wil overnemen. Omdat de Duitse douane de invordering niet heeft overgenomen, heeft verweerder de onderhavige zaak voortgezet en de utb met dagtekening 9 mei 2017 vastgesteld.

6. Op 10 maart 2017 heeft [X] [A] schriftelijk voor onbepaalde tijd gemachtigd om namens haar onder meer bezwaar- en beroepschriften en verzoekschriften tot terugbetaling in te dienen in zaken waarin [A] de douaneactiviteiten aan [X] heeft uitbesteed.

7. Bij het op 28 december 2017 ingediende verzoek om terugbetaling zijn onder meer het uitgaand T1-document, een kopie van de CMR vrachtbrief, een kopie van een verklaring van de scheepseigenaar en een kopie van het manifest/pro forma invoice overgelegd.

8. Bij brief van 14 september 2018 hebben [A] en [X] verweerder onder meer verzocht om in de onderhavige zaak (en in negen andere - volgens [A] en [X] vergelijkbare – zaken) in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

Geschil

9.
In geschil is het antwoord op de vraag of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen en zo nee, of [X] recht heeft op terugbetaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen tot een bedrag van € 520,87.

10. [X] stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot terugbetaling van 28 december 2017 (alsnog) behoort te worden toegewezen. Zij voert daarvoor drie gronden aan.

In de eerste plaats is de beslissing op bezwaar onbevoegd genomen, omdat de ambtenaar die het bezwaarschrift heeft behandeld volgens [X] ook betrokken is geweest bij de daaraan voorafgaande procedure in zake het verzoek om terugbetaling. [X] verwijst ter zake naar artikel 10:3, derde3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ECLI:NL:HR:2002:AD9084.

In de tweede plaats stelt [X] dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid (artikel 2:4, eerste lid, Awb). Niet alleen is de ambtenaar die de uitspraak op bezwaar heeft gedaan ook betrokken geweest bij het behandelen van het verzoek om terugbetaling, ook heeft hij het verzoek om rechtstreeks beroep afgewezen zonder onderbouwing waarom er in de bezwaarprocedure niet reeds uitputtend van gedachten zou zijn gewisseld.

Tenslotte stelt [X] dat de douaneschuld is tenietgegaan, omdat de goederen niet in de Europese Unie (EU) zijn verbruikt of gebruikt, de goederen de EU hebben verlaten en zich geen poging tot bedrog heeft voorgedaan (artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k van het Douanewetboek van de Unie, hierna: het DWU) Het betreft goederen zonder handelskarakter en het zijn geen goederen bestemd voor consumentendoeleinden.

[X] concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, het alsnog toewijzen van het verzoek tot terugbetaling en te bepalen dat verweerder het onverschuldigde bedrag van € 520,87 dient terug te betalen. Voorts verzoekt [X] om vergoeding van de griffiekosten en de (forfaitaire) proceskosten in bezwaar en beroep.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen. [X] heeft met de door haar aangedragen argumenten en overgelegde bescheiden niet aangetoond dat haar teveel invoerrechten in rekening zijn gebracht, zoals bedoeld in artikel 116, eerste lid, aanhef en onder a, DWU gelezen in samenhang met artikel 117 DWU. [X] heeft nog altijd niet aangetoond dat de regeling extern Uniedouanevervoer op regelmatige wijze is beëindigd. Zij heeft geen alternatief bewijs overgelegd dat voldoet aan de wettelijke eisen (de door [X] overgelegde bescheiden zijn immers niet gewaarmerkt door de douane van de lidstaat van bestemming) en er is ook anderszins niet aangetoond dat de utb ten onrechte, dan wel tot een hoog bedrag zou zijn vastgesteld. Het beroep van [X] op artikel 124, eerste lid , aanhef en onder k, DWU faalt. Volgens dat artikel gaat een douaneschuld, die overeenkomstig artikel 79 DWU is ontstaan, teniet in geval ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de unie hebben verlaten. [X] stelt weliswaar dat dit het geval is, maar met de door haar overgelegde bescheiden heeft zij niet aangetoond dat de goederen, niet gebruikt of verbruikt, de unie hebben verlaten.

De overige twee door [X] aangevoerde gronden, die zien op gebreken die zouden kleven aan de uitspraak op bezwaar, kunnen eveneens geen doel treffen.

De ambtenaar die de beschikking op het verzoek tot terugbetaling heeft genomen, is een andere dan degene die de uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat de bezwaarbehandelaar aanwezig is geweest bij een informerend gesprek over te volgen procedures bij verzoeken om terugbetaling is volstrekt irrelevant. Op dat moment waren immers nog geen verzoeken tot terugbetaling door [X] ingediend.

De stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het verbod op vooringenomenheid, vanwege de betrokkenheid van de bezwaarbehandelaar bij het eerdere verzoek om terugbetaling en vanwege zijn afwijzing van het verzoek om in te stemmen met rechtstreeks beroep, dient te worden verworpen. Het is pertinent en aantoonbaar onjuist dat de bezwaarbehandelaar betrokken zou zijn geweest bij het verzoek tot terugbetaling. Volgens verweerder is het, in het algemeen, niet logisch om de bezwaarfase over te slaan. De beslissingen in de verschillende dossiers van [X] lijken weliswaar veel op elkaar, maar de beoordeling van de concrete bewijsmiddelen per geval maakt dat het lastig, zo niet onmogelijk is om beslissingen in dossiers te laten afhangen van een beslissing in een ander dossier. In het onderhavige dossier heeft de betrokken ambtenaar de concrete bescheiden getoetst aan de geldende, strikte bewijsregels. Dat heeft niets te maken met vooringenomenheid, maar juist alles met zorgvuldigheid.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het door [X] ingestelde beroep.

12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijk recht

artikel 116 DWU

Algemene bepalingen

1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:

  1. invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;

  2. (...)

artikel 117 DWU

Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht.

  1. Een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt terugbetaald of kwijtgescholden indien het bedrag dat correspondeert met de aanvankelijk meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt of indien de douaneschuld in strijd met artikel 102, lid 1, onder c) of d), aan de schuldenaar was meegedeeld.

  2. (...)

artikel 124 DWU

Tenietgaan

1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:

(...)

k) indien, behoudens lid 6, de douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 79 en ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

(....)

artikel 233 DWU

Verplichtingen van de houder van de regeling Uniedouanevervoer en van de vervoerder en de ontvanger van goederen die krachtens de regeling Uniedouanevervoer worden vervoerd

1. De houder van de regeling Uniedouanevervoer is verantwoordelijk voor al het volgende:

  1. het ongeschonden en met de vereiste gegevens binnen de gestelde termijn aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

  2. het naleven van de douanebepalingen betreffende de regeling;

(...)

2. De houder van de regeling is zijn verplichtingen nagekomen en de regeling douanevervoer is beëindigd, als onder de regeling geplaatste goederen en de vereiste informatie op het douanekantoor van bestemming beschikbaar zijn overeenkomstig de douanewetgeving.

artikel 312 UVo. DWU

Alternatief bewijs van de beëindiging van de regeling Uniedouanevervoer

(Artikel 226, lid 3, onder a), en artikel 227, lid 2, onder a), van het wetboek)

1. De regeling Uniedouanevervoer wordt geacht naar behoren te zijn beëindigd wanneer de houder van de regeling ten genoegen van de douaneautoriteit van de lidstaat van vertrek een van de volgende documenten overlegt, die de goederen identificeren:

a. a) een door de douaneautoriteit van de lidstaat van bestemming gewaarmerkt document aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd en waaruit blijkt dat de betrokken goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht of bij een toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 233, lid 4, onder b, van het wetboek zijn afgeleverd;

b) een document of een registratie van de douane, door de douaneautoriteit van een lidstaat gewaarmerkt, waaruit blijkt dat de betrokken goederen het douanegebied van de Unie fysiek hebben verlaten;

c) een douanedocument dat is afgegeven in een derde land waar de goederen onder een douaneregeling zijn geplaatst;

d) een in een derde land afgegeven document dat is geviseerd of anderszins door de douaneautoriteit van dat land is gewaarmerkt waarin wordt vastgesteld dat de goederen worden geacht zich in dat land in het vrije verkeer te bevinden.

2. In plaats van de in lid 1 bedoelde documenten kunnen kopieën daarvan, mits deze voor conform zijn gewaarmerkt door de instantie die de originele documenten heeft geviseerd, als bewijs worden verstrekt door de autoriteit van het betrokken derde land of een autoriteit van een lidstaat.

3. De kennisgeving van aankomst van de goederen zoals bedoeld in artikel 300 wordt niet beschouwd als bewijs dat de regeling Uniedouanevervoer naar behoren is beëindigd.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep van [X] :

13. [A] en [X] hebben beide bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 22 februari 2018, waarbij verweerder het verzoek om terugbetaling heeft afgewezen. Verweerder heeft op 5 november 2018 het bezwaar van [A] ongegrond verklaard, maar heeft in deze beslissing [X] niet expliciet genoemd.

Gelet hierop was de rechtbank na sluiting van het onderzoek ter zitting, voorlopig van oordeel dat formeel (nog) niet op het bezwaar van [X] is beslist en lag de vraag voor of [X] wel in beroep heeft kunnen komen tegen de uitspraak op bezwaar van 5 november 2018. De rechtbank heeft bij brief van 11 augustus 2020 ter zake vragen gesteld aan partijen. Partijen hebben deze vragen beantwoord.
Uit de reacties van partijen is onder meer gebleken dat [A] het verzoek om terugbetaling heeft ingediend met bijvoeging van een machtiging van [X] en dat verweerder op grond daarvan in de hele procedure (behandeling verzoek terugbetaling, bezwaar en beroep) als uitgangspunt heeft genomen dat [X] de belanghebbende was en [A] de gemachtigde van [X] . In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde voorts vermeld dat zij optreedt voor [X] én [A] en dat zij deze tezamen aanduidt als “ [A] c.s.”. Gemachtigde heeft in het bezwaarschrift opgenomen dat zij namens [A] c.s. bezwaar aantekende.

Het gebruik van “ [A] c.s.” heeft kennelijk voor verwarring bij verweerder gezorgd, want hij heeft in het bezwaarschrift niet gelezen dat zowel [X] als [A] bezwaar hebben aangetekend. Nu ter zitting het standpunt is ingenomen dat [X] formeel de belanghebbende is en [A] (die feitelijk heeft betaald) als materieel belanghebbende is betrokken en gelet op de nadere reacties van partijen is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [X] ontvankelijk is.

Bevoegdheid van de Nederlandse douane tot het uitreiken van de utb

14. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [X] de bevoegdheid van de Nederlandse douane betwist. Volgens [X] blijkt uit inlichtingenblad TC 24 (productie 6 bij het verweerschrift) duidelijk dat de onregelmatigheid zich in Duitsland heeft voorgedaan, waardoor de Duitse douane in de onderhavige zaak bevoegd zou zijn. In voornoemd inlichtingenblad staat immers dat de Nederlandse douane haar verzoek tot overname van de invordering baseert op de volgende feiten: “Ware in DE erhalten”. Dat de Duitse douane de invordering niet heeft opgepakt maakt niet dat de Nederlandse douane dat kan doen, aldus [X] .

Naar het oordeel van de rechtbank treft deze beroepsgrond geen doel.

Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de plaats waar de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, zijnde de plaats waar de goederen aan het toezicht van de douane zijn onttrokken, niet door de Nederlandse douane kon worden vastgesteld. De Nederlandse douane is in die situatie op grond van artikel 87, tweede lid DWU bevoegd. De Nederlandse douane heeft aanleiding gezien om de Duitse douane te verzoeken om de invordering van de douaneschuld over te nemen. Nu de Duitse douane niet binnen 28 dagen heeft gereageerd, was de Nederlandse douane op grond van artikel 311, tweede lid, DWU genoodzaakt en bevoegd om de invordering van de douaneschuld te beginnen.

Bevoegdheid tot het nemen van de beslissing op bezwaar

15. In artikel 10:3, derde lid, Awb is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat ingeval een bevoegdheid niet door degene aan wie die bevoegdheid is geattribueerd, maar krachtens mandaat namens deze wordt uitgeoefend, in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt (vergelijk Kamerstukken II 1994/95, 23700, nr. 3, blz. 171, en nr. 5, blz. 85 en 86). Deze strekking brengt mee dat ook ingeval degene aan wie een bevoegdheid is geattribueerd, de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid, al dan niet op grond van een schriftelijke mandaat, overlaat aan een ander, de heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen.

16. Op 8 november 2017 heeft [X] (samen met [A] ) op haar initiatief een informeel gesprek gevoerd met twee medewerkers van de afdeling bezwaarschriften en verzoeken om terugbetaling, waarbij het onderwerp “problematiek beoordeling bewijsmiddelen bij bezwaar en verzoek” is geweest. De aanleiding van dit gesprek is geweest dat [X] en [A] regelmatig problemen ondervonden bij het op de juiste wijze beëindigen van de regeling extern Uniedouanevervoer en dat zij daarover inmiddels meerdere zaken bij verweerder hadden lopen. Uit het verslag van het informeel overleg blijkt dat met name de scheepsleveringen naar Engelse en/of Schotse bestemmingen aan de orde zijn gekomen en dat niet specifiek is gesproken over de onderhavige zaak. De ene medewerker waarmee het informele gesprek is gevoerd heeft na het informele overleg het verzoek om terugbetaling behandeld en de andere medewerker het bezwaarschrift. Op grond van deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen. Deze grond treft daarom geen doel.

Handelen in strijd met het verbod op vooringenomenheid

17. Van vooringenomenheid van een ambtenaar van de douane is de rechtbank op geen enkele manier gebleken. Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 16 is beschreven en overwogen volgt dat de stelling van [X] , dat de ambtenaar die de uitspraak op bezwaar heeft behandeld, ook betrokken is geweest bij het behandelen van het verzoek tot terugbetaling, naar het oordeel van de rechtbank onjuist is. Dat de ambtenaar die het bezwaar heeft behandeld ook een beslissing op het verzoek om rechtstreeks beroep heeft genomen, valt naar het oordeel van de rechtbank te rechtvaardigen omdat dit verzoek ook in het bezwaarschrift is gedaan. Bij de beslissing op het verzoek om rechtstreeks beroep heeft verweerder de nodige beleidsvrijheid en hij kan met een summiere beoordeling van het verzoek volstaan. Daar komt bij dat [X] er zelf voor gekozen om in de bezwaarfase geen hoorgesprek te hebben.

Desgevraagd heeft [X] ter zake de door haar gestelde vooringenomenheid ter zitting verklaard dat het er voor haar in de kern om gaat dat zij geen “goed gevoel” heeft overgehouden aan de procedurele gang van zaken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze subjectieve beleving van [X] over de procedurele gang van zaken geen grond om vooringenomenheid aan de kant van verweerder aan te nemen. Overigens is het de rechtbank naar objectieve maatstaven bezien ook niet gebleken van enige vorm van vooringenomenheid.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze grond ook geen doel treft.

Douaneschuld is teniet gegaan.

18. Artikel 233 DWU geeft onder meer aan welke verplichtingen de houder van de regeling Uniedouanevervoer heeft. In het tweede lid van dit artikel is bepaald wanneer de regeling is beëindigd. Vast staat dat [X] aan de voor deze beëindiging gestelde verplichtingen niet heeft voldaan. [X] kan in zo’n situatie op een alternatieve manier het bewijs van de regelmatige beëindiging van de regeling aantonen. In artikel 312 UVo. DWU wordt weergegeven welke documenten als alternatief bewijs kunnen worden ingebracht. [X] heeft geen van de in dit artikel genoemde documenten in het geding gebracht. De wel door [X] in het geding gebrachte documenten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als alternatief bewijs voor de regelmatige beëindiging van de regeling dienen. Uit deze documenten blijkt enkel dat de goederen in Duitsland aan boord van een schip zijn gebracht, maar niet dat die goederen, niet gebruikt of verbruikt, de Unie hebben verlaten. Door de goederen niet aan te brengen op het kantoor van bestemming heeft [X] de goederen onttrokken aan douanetoezicht. Door deze onttrekking is op grond van artikel 79 DWU een douaneschuld ontstaan.

Het beroep van [X] op artikel 124, eerste lid 1, aanhef en onder k, van DWU faalt. [X] stelt weliswaar dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de unie hebben verlaten, maar verweerder heeft terecht gesteld dat [X] dit met de door haar overgelegde bescheiden niet ten genoegen van de douaneautoriteiten heeft aangetoond.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de douaneschuld niet teniet is gegaan en dat [X] niet heeft aangetoond dat haar teveel douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen in rekening zijn gebracht.

19. Het beroep van [X] dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [X] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 december 2020 door mr. F. Kleefmann, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en mr. S. Kleij, leden, in aanwezigheid van W.G. van Gastelen, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.