Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10959

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
15.023409.20 en 15.252760.18 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft van dichtbij met een vuurwapen gericht op het slachtoffer geschoten. Hierdoor is het slachtoffer in de buikstreek getroffen en later die nacht overleden aan zijn verwondingen. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag. Daarnaast heeft verdachte een doorgeladen vuurwapen voorhanden gehad.

De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer en noodweerexces.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ELF JAAR EN ZES MAANDEN (11 jaar en 6 maanden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15.023409.20 en 15.252760.18 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 22 december 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 en 8 december 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Admiraal, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 januari 2020 te Haarlem [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door in de buikstreek, althans in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] te schieten;

2.

hij op of omstreeks 22 januari 2020 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk: Narinco NP 28 en/of kaliber 9 mm), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of een of meer stuks munitie (kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op 22 januari 2020 omstreeks 21:00 uur komt er een melding binnen van een schietpartij bij de Jopenkerk gelegen aan de Gedempte Voldersgracht 2 te Haarlem. Ter plaatse treft men een man aan die op zijn rug op de grond ligt. Hij blijkt een schotwond in zijn buik te hebben en is overgebracht naar het VU medisch centrum te Amsterdam, waar hij later die nacht is overleden. Verdachte bekent het slachtoffer (hierna ook: [slachtoffer] ) te hebben neergeschoten, maar verklaart te hebben gehandeld uit zelfverdediging.

4. Beoordeling van het bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde doodslag heeft zij aangevoerd dat er op zijn minst genomen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, nu verdachte op zeer korte afstand met een vuurwapen op het bovenlichaam van het slachtoffer heeft geschoten. De kans dat een persoon daardoor komt te overlijden is aanmerkelijk te noemen, en door te schieten heeft verdachte die kans bewust aanvaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde doodslag, nu het opzet van verdachte op het doden van het slachtoffer niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte uitsluitend met het wapen wilde dreigen en dat het nooit zijn bedoeling is geweest om [slachtoffer] van het leven te beroven. Wat het voorwaardelijk opzet op het doden van het slachtoffer betreft meent de verdediging dat er bij het schieten met een kogel op een zeer korte afstand weliswaar sprake is van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood, maar dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze kans ook bewust aanvaard heeft. In dit kader acht de raadsman in het bijzonder van belang het zeer korte tijdsbestek van enkele tientallen seconden waarbinnen alles zich heeft voltrokken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat en de volgende bewijsoverweging.

4.3.2

Bewijsoverweging feit 1

Feitelijke toedracht

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte wordt op 22 januari 2020 door [slachtoffer] gebeld. [slachtoffer] wil cocaïne van verdachte afnemen. Zij spreken af om elkaar te ontmoeten. Omstreeks 21:00 uur treffen verdachte, het slachtoffer en [getuige] elkaar bij de Gedempte Voldersgracht te Haarlem. Tijdens deze ontmoeting wordt verdachte vastgepakt door [slachtoffer] . Terwijl de afstand tussen hen op dat moment een armlengte bedraagt trekt verdachte een doorgeladen pistool. Vervolgens richt verdachte dit en haalt de trekker over. [slachtoffer] wordt in de buikstreek getroffen en overlijdt later die nacht aan zijn verwondingen.

Opzet

Voor een bewezenverklaring van doodslag dient vast te staan dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte ‘vol opzet’ heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Bij de beoordeling of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende voorop te worden gesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Hieronder moet worden verstaan: “de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid” (vgl. HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718).

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van algemene ervaringsregels worden aangenomen dat wanneer iemand na of tijdens een worsteling of handgemeen een doorgeladen pistool richt op een andere persoon die zich op een armlengte afstand bevindt en de trekker van het doorgeladen pistool vervolgens wordt overgehaald, er sprake is van een aanmerkelijke kans op het getroffen worden door de afgevuurde kogel in enig vitaal orgaan of lichaamsdeel en daardoor ook het overlijden van het slachtoffer. Dat deze kans aanmerkelijk is te noemen is door de verdediging ook niet bestreden en wordt ook bevestigd door het feit dat het slachtoffer daadwerkelijk is overleden.

Wat betreft de vraag of verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard (of anders gezegd: op de koop heeft toegenomen), omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij het wapen gericht heeft en de trekker heeft overgehaald. De rechtbank trekt uit deze verklaring de conclusie dat verdachte bewust heeft geschoten en dat het doorgeladen wapen dus niet per ongeluk is afgegaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet - in voorwaardelijke vorm - heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 22 januari 2020 te Haarlem [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door in de buikstreek van die [slachtoffer] te schieten;

2.

hij op 22 januari 2020 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool merk: Narinco NP 28 en kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en meer stuks munitie kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting – overeenkomstig zijn pleitnota – subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de ten laste gelegde doodslag, nu hij heeft gehandeld uit (putatief) noodweer(exces). Hij heeft hiertoe – samengevat – aangevoerd dat verdachte zich moest verweren tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, nu het uiteindelijke slachtoffer en [getuige] hem probeerden te rippen van zijn drugs en verdachte zich daartegen moest verdedigen, dan wel meende zich daartegen te mogen verdedigen.

[slachtoffer] pakte verdachte vast, terwijl [getuige] verdachte in zijn rug duwde en klem zette. Tijdens het vasthouden van verdachte maakte [slachtoffer] op enig moment een beweging met zijn hand naar zijn jaszak. Verdachte raakte hierdoor in paniek, en dacht dat het slachtoffer een mes zou grijpen. Er was dan ook niet alleen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het goed en het lijf van verdachte door het vastpakken en duwen, maar ook van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van zijn lijf doordat verdachte dacht dat het slachtoffer een mes zou pakken. Volgens de raadsman is niet gebleken dat verdachte met zijn verdediging de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, en is dus sprake van noodweer.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden, stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging en dat sprake is van noodweerexces.

Voor zover de rechtbank niet meegaat in het voorgaande heeft de raadsman tot slot betoogd dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar van het mes heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden en dat het beroep op (putatief) noodweer(exces) om die reden verworpen dient te worden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er ten tijde van het schieten door verdachte al geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daarvoor. De officier van justitie gaat er namelijk vanuit dat verdachte weliswaar is vastgepakt door [slachtoffer] , maar dat ze vervolgens uit elkaar zijn gehaald door [getuige] en dat verdachte daarna pas heeft geschoten.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er wél sprake was van een noodweersituatie heeft de officier van justitie aangevoerd dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het vastpakken en duwen en in de tweede plaats het gestelde onmiddellijk dreigende gevaar voor een aanranding met een mes. Ten aanzien van de eerstgenoemde aanranding is de officier van justitie van mening dat verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden. Ten aanzien van het tweede element geldt volgens de officier van justitie dat er geen sprake is van objectieve omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer op het punt stond om daadwerkelijk tot de aanval over te gaan. Dat betekent dat er in zoverre geen sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer dient volgens de officier van justitie dan ook te worden verworpen.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces heeft de officier van justitie – samengevat – het standpunt ingenomen dat niet is voldaan aan de vereisten van de dubbele causaliteit. Volgens de officier van justitie is het moeilijk voor te stellen dat een relatief beperkte wederrechtelijke aanranding – die bestaat uit het vastpakken van de kleding en de pols van verdachte en het door het slachtoffer met zijn hand naar zijn jaszak gaan – een zodanig hevige gemoedsbeweging bij verdachte heeft veroorzaakt dat hij daardoor op het slachtoffer is gaan schieten. Temeer nu geen sprake is geweest van ruzies of conflicten tussen verdachte en [slachtoffer] in het verleden. Ook is er volgens de officier van justitie geen causaal verband tussen de hevige gemoedsbeweging en het overschrijden van de proportionaliteit, nu de emotie waar verdachte zich op beroept niet invoelbaar is. Het beroep op noodweerexces dient dus eveneens te worden verworpen.

Met betrekking tot het beroep op putatief noodweer(exces) heeft de officier van justitie betoogd dat het op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] een wapen bij zich droeg. Op het enkele feit dat het slachtoffer met zijn hand richting zijn jaszak ging heeft verdachte dan ook niet redelijkerwijze de veronderstelling kunnen baseren dat hij werd aangevallen en hij zichzelf daartegen mocht verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Het beroep op putatief noodweer(exces) dient dan ook te worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen in het dossier zijn dat het uiteindelijke slachtoffer verdachte wilde beroven van zijn drugs. Het slachtoffer heeft een afspraak gemaakt met verdachte om drugs af te nemen bij de Gedempte Voldersgracht te Haarlem, terwijl hij geen geld bij zich had. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer aldaar verdachte heeft vastgepakt. De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte.

Gebleken is dat het slachtoffer niet beschikte over wapens of andere goederen die geschikt zijn voor afdreiging. Voor de enkele verklaring van verdachte dat het slachtoffer met zijn hand naar zijn jaszak is gegaan en dat verdachte dacht dat hij een wapen zou pakken bevinden zich geen aanknopingspunten in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank is deze lezing van verdachte dan ook niet aannemelijk geworden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte op dit punt ook wisselend heeft verklaard. Bij de politie heeft hij immers verklaard dat hij zijn vuurwapen had getrokken omdat het slachtoffer met zijn hand naar zijn jaszak ging, en op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn wapen al eerder had getrokken om mee te dreigen en pas heeft geschoten omdat hij het slachtoffer met zijn hand naar zijn jaszak zag gaan.

Het voorgaande betekent dat aannemelijk is dat de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding uitsluitend bestond uit het vastpakken met blote handen.

Verdachte heeft op dit punt verklaard dat hij door het slachtoffer is vastgepakt, terwijl [getuige] hem in de rug heeft geduwd en heeft belet om weg te komen. Zelfs wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van die verklaring leidt dat niet tot een geslaagd beroep op noodweer. De reactie van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank namelijk disproportioneel. Het gericht schieten met een doorgeladen vuurwapen staat naar het oordeel van de rechtbank immers niet in een redelijke verhouding tot een aanranding met de blote handen. Bovendien neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het in het kader van noodweer te verdedigen rechtsgoed bolletjes cocaïne betrof met een waarde van circa € 20,-.

Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Noodweerexces

Het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte zou hebben gehandeld uit noodweerexces wordt eveneens verworpen. Behalve de verklaringen van verdachte zelf biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de conclusie dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging, terwijl er in het dossier veeleer sprake is van contra-indicaties voor een dergelijke hevige gemoedsbeweging. Zo is verdachte direct na de schietpartij bij [naam] in de auto gestapt. [naam] verklaart hierover dat verdachte rustig was en dat hij niets aan verdachte heeft gemerkt. Vervolgens heeft verdachte volgens zijn eigen verklaring samen met anderen het vuurwapen ‘schoongemaakt’ en begraven. Uit de analyse van de historische telecomgegevens blijkt dat het telefoonnummer van verdachte zich op 22 januari 2020 omstreeks 21:54 uur – slechts 54 minuten na de schietpartij – in de omgeving bevindt van de plaats waar hij het vuurwapen heeft begraven. Daarna heeft verdachte zich kennelijk onder een andere naam verschuild in een hotel in Amsterdam. De voorgaande feiten en omstandigheden duiden naar het oordeel van de rechtbank eerder op een vrij gecontroleerd handelen door verdachte en een berekenende werkwijze. Dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden.

Putatief noodweer(exces)

Van putatief noodweer(exces) is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Het gaat er in dit geval om of verdachte niet alleen kon, maar ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zichzelf moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar van het mes heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent het (dreigende) gevaar van een mes. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte mocht veronderstellen dat er een zodanig onmiddellijk dreigend gevaar van het slachtoffer uitging, dat verdachte heeft mogen menen dat hij zich daartegen op deze wijze moest verdedigen. Daarbij hecht de rechtbank ook nog belang aan de verklaring van verdachte dat hij in de weken voorafgaand aan het schietincident meerdere keren zonder problemen drugs heeft verkocht aan het slachtoffer. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweer en noodweerexces.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet kan beroepen op enige rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond, zodat het bewezenverklaarde feit strafbaar is en verdachte een strafbare dader is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bij het formuleren van haar eis is de rol van het slachtoffer door de officier van justitie enigszins in het voordeel van verdachte meegewogen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met alle persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft hij de rechtbank verzocht om rekening te houden met de rol van het slachtoffer en om in ieder geval geen langere gevangenisstraf op te leggen dan een gevangenisstraf van 8 jaren.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de avond van 22 januari 2020 met het slachtoffer afgesproken om drugs aan hem te verkopen. Dit heeft hij in het verleden vaker zonder problemen gedaan. Op 22 januari 2020 werd hij echter door het slachtoffer vastgepakt. Vervolgens heeft verdachte van dichtbij met een vuurwapen gericht op het slachtoffer geschoten. Hierdoor is het slachtoffer in de buikstreek getroffen en later die nacht overleden aan zijn verwondingen. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag. Dit is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft het slachtoffer hiermee het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen: het recht op leven. De dood van het slachtoffer laat bovendien diepe sporen na in het leven van de nabestaanden en andere mensen in de nabijheid van het slachtoffer. De gevolgen zijn op de zitting duidelijk naar voren gebracht door de moeder en de destijds 12-jarige dochter van het slachtoffer en namens zijn broer.

Feiten als deze zorgen bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Temeer nu het schietincident zich heeft afgespeeld op de openbare weg, in het uitgaanscentrum van Haarlem.

Daarnaast heeft verdachte een doorgeladen vuurwapen voorhanden gehad. Illegaal wapenbezit vormt een onaanvaardbare bedreiging voor een veilige samenleving en dient daarom met kracht bestreden te worden. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan.

Vanwege de aard en de ernst van de gepleegde feiten kan daarop uitsluitend worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 november 2020, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld, maar niet ter zake van soortgelijke feiten.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, gedateerd 8 juni 2020 en opgemaakt door [naam] , die als reclasseringswerker verbonden is aan Inforsa. Hierin wordt geadviseerd om aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag in positieve zin te beïnvloeden.

De rechtbank zoekt bij de strafbepaling aansluiting bij de straffen die worden opgelegd in vergelijkbare gevallen. Verder heeft de rechtbank met betrekking tot de overtreding van de Wet wapens en munitie aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij als strafverzwarende factor wordt meegewogen dat het aangetroffen vuurwapen doorgeladen was.

De rechtbank laat bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf in enigszins matigende zin nog meewegen dat de eerste daad van agressie van het slachtoffer uitging.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is.

7 Beslissing omtrent in beslag genomen, niet teruggegeven goederen

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen en niet teruggegeven:

240 EUR

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 in beslag genomen voorwerp wordt teruggegeven aan verdachte.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

240 EUR

dient te worden teruggegeven aan verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat er een verband bestaat tussen dit voorwerp en de bewezen verklaarde feiten.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

In de onderhavige zaak zijn door vier (4) benadeelde partijen vorderingen tot

schadevergoeding ingediend. De vorderingen zullen in het navolgende worden besproken.

[benadeelde partij 1]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (moeder van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr. R. Korver als haar gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 37.500,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit toekomstige medische (reis)kosten

(€ 2.500,- in totaal). De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van

€ 15.000,- wegens primair shockschade en een bedrag van € 20.000,- wegens affectieschade. Het gevorderde bedrag wegens shockschade wordt subsidiair gevorderd op de grondslag van aantasting in de persoon op andere wijze.

Daarnaast wordt een bedrag van € 4.140,56 aan proceskosten gevorderd. Deze kosten bestaan uit kosten voor juridische bijstand (€ 4.004,04 in totaal) en reiskosten (€ 136,52 in totaal). De kosten voor juridische bijstand worden tevens gevorderd voor de minderjarige dochter van [slachtoffer] , [dochter slachtoffer] .

Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het om toekomstige kosten gaat en dat de vordering voor het overige dient te worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze post onvoldoende is onderbouwd dan wel omdat deze kosten op dit moment nog niet zijn gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu onvoldoende is gebleken dat de gediagnosticeerde PTSS het directe gevolg is geweest van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het onder 1 ten laste gelegde misdrijf en een nader onderzoek naar de schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien is de benadeelde niet direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het overlijden van het slachtoffer. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag sterk te matigen tot een bedrag tussen

€ 3.000,- en € 10.000,-.

Voor wat betreft de gevorderde proceskosten meent de raadsman dat slechts het liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor het overige heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de toekomstige medische (reis)kosten. Deze kosten zijn op dit moment nog niet gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade overweegt de rechtbank als volgt.

Shockschade – psychische schade die optreedt bij een ander dan het directe slachtoffer van (in dit geval) een misdrijf – komt in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking indien:

(i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden,

(ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, wat zich met name kan voordoen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het misdrijf is gedood of gewond geraakt, en

(iii) uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn als er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Wat betreft voorwaarde (i) heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad in zijn arrest van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) geoordeeld dat de opvatting dat is vereist dat de betrokkene direct betrokken is geweest bij het misdrijf, niet als juist kan worden aanvaard. “Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden”, aldus de Hoge Raad.

In dit geval is de benadeelde partij door de politie in kennis gesteld van het feit dat [slachtoffer] was neergeschoten. Vervolgens zijn beide ouders en de broer van het slachtoffer door de politie naar het ziekenhuis gebracht, waar zij [slachtoffer] hebben gezien. Uit het schouwverslag van 23 januari 2020 blijkt dat het slachtoffer een fors gezwollen aangezicht had, waaronder oogleden en lippen. Daarnaast was hij geïntubeerd en kwamen er twee slangen uit zijn borstholte. Omdat het slachtoffer veel bloed had verloren en toegediend heeft gekregen was de bloedsamenstelling dusdanig veranderd dat het bloed niet meer goed stolde. Hierdoor kwam er bloed uit de diverse lichaamsopeningen in het gelaat. Dit alles heeft de moeder, vader en broer van het slachtoffer hevig geschokt en psychische klachten veroorzaakt.

Uit een in het geding gebrachte verklaring van PsyQ van 2 december 2020 blijkt dat de benadeelde partij lijdt aan een persisterende complexe rouwstoornis en een depressieve stoornis, wat in de psychiatrie erkende ziektebeelden zijn.

De rechtbank is van oordeel, ook gezien de verdere onderbouwing van de vordering, dat het causaal verband tussen de hevige schok en het geestelijk letsel in voldoende mate vaststaat en de benadeelde partij daarom in aanmerking komt voor toewijzing van vergoeding van shockschade. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom geheel toewijzen, nu de omvang van de schade kan worden begroot op het gevorderde bedrag.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht tot vergoeding van affectieschade aan de in lid 4 van dat artikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer de ouders van de overledene. De bedragen die voor deze schade kunnen worden toegekend staan vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan deze schadevergoeding in het strafproces worden gevorderd. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering ad € 20.000,- geheel toewijzen.

Samenvattend zal de vordering dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 35.000,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet in de aard van de zaak geen aanleiding om ten aanzien van de proceskostenvergoeding af te wijken van het liquidatietarief, waarbij twee punten toegekend worden (één punt voor het indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting). Gelet op de hoogte van de vordering staat één punt gelijk aan een bedrag van € 695,-. De gevorderde reiskosten zullen eveneens worden toegewezen. Daarom zal de rechtbank de tot op heden gemaakte proceskosten begroten op € 1.390.

[benadeelde partij 2]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] (vader van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr. R. Korver als zijn gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 44.652,15 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit toekomstige medische (reis)kosten

(€ 2.500,- in totaal), kosten voor lijkbezorging en medische kosten ten behoeve van zijn overleden zoon (€ 7.152,15 in totaal). De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 15.000,- wegens primair shockschade en een bedrag van € 20.000,- wegens affectieschade. Het gevorderde bedrag wegens shockschade wordt subsidiair gevorderd op de grondslag van aantasting in de persoon op andere wijze.

Daarnaast wordt een bedrag van € 2.002,02 aan proceskosten gevorderd. Deze kosten bestaan uit kosten voor juridische bijstand.

Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de gevorderde toekomstige medische (reis)kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het om toekomstige kosten gaat. De vordering dient voor het overige te worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de toekomstige medische (reis)kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze post onvoldoende is onderbouwd dan wel omdat deze kosten op dit moment nog niet zijn gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu onvoldoende is gebleken dat de gediagnosticeerde PTSS het directe gevolg is geweest van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het onder 1 ten laste gelegde misdrijf en een nader onderzoek naar de schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien is de benadeelde niet direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het overlijden van het slachtoffer. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag sterk te matigen tot een bedrag tussen

€ 3.000,- en € 10.000,-.

Voor wat betreft de gevorderde proceskosten meent de raadsman dat slechts het liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor het overige heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade ten aanzien van de kosten lijkbezorging (€ 6.902,15) en de medische kosten ten behoeve van de overleden zoon (€ 250,-) rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de post die ziet op toekomstige medische (reis)kosten. Deze kosten zijn op dit moment nog niet gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , en stelt vast dat uit een in het geding gebrachte e-mail van PsyQ van 26 november 2020 blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is.

De rechtbank is van oordeel, ook gezien de verdere onderbouwing van de vordering, dat het causaal verband tussen de hevige schok en het geestelijk letsel in voldoende mate vaststaat en de benadeelde partij daarom in aanmerking komt voor toewijzing van vergoeding van shockschade. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom geheel toewijzen, nu de omvang van de schade kan worden begroot op het gevorderde bedrag.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] , zal de rechtbank ook de gevorderde affectieschade toewijzen.

Samenvattend zal de vordering dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 42.152,15 wegens materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de proceskostenvergoeding af te wijken van het liquidatietarief , waarbij twee punten toegekend worden (één punt voor het indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting). Gelet op de hoogte van de vordering staat één punt gelijk aan een bedrag van € 1.074-. Daarom zal de rechtbank de tot op heden gemaakte proceskosten begroten op € 2.148,-.

[benadeelde partij 3]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] (broer van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr. R. Korver als zijn gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 35.000,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit toekomstige medische (reis)kosten

(€ 2.500,- in totaal). De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van

€ 15.000,- wegens shockschade en een bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade. Het gevorderde bedrag wegens shockschade wordt subsidiair gevorderd op de grondslag van aantasting in de persoon op andere wijze.

Daarnaast wordt een bedrag van € 2.002,02 aan proceskosten gevorderd. Deze kosten bestaan uit kosten voor juridische bijstand.

Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het om toekomstige kosten gaat en dat de vordering voor het overige dient te worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze post onvoldoende is onderbouwd dan wel omdat deze kosten op dit moment nog niet zijn gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van affectieschade voor broers en zussen en niet van een uitzonderlijke situatie is gebleken.

Bovendien is de benadeelde niet direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het overlijden van het slachtoffer en is niet gebleken dat er bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zodat ook geen grond bestaat voor toekenning van shockschade. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag sterk te matigen tot een bedrag tussen € 3.000,- en € 10.000,-.

Voor wat betreft de gevorderde proceskosten meent de raadsman dat slechts het liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking komt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de post die ziet op toekomstige medische (reis)kosten. Deze kosten zijn op dit moment nog niet gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , en stelt vast dat uit een in het geding gebrachte brief van zorgbedrijf Youz van 30 november 2020 blijkt dat bij de benadeelde partij een depressieve stoornis is vastgesteld, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is.

De rechtbank is van oordeel, ook gezien de verdere onderbouwing van de vordering, dat het causaal verband tussen de hevige schok en het geestelijk letsel in voldoende mate vaststaat en de benadeelde partij daarom in aanmerking komt voor toewijzing van vergoeding van shockschade. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom geheel toewijzen, nu de omvang van de schade kan worden begroot op het gevorderde bedrag.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Zussen en broers van de overledene komen ingevolge de wet in beginsel niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW). Daarvan kan sprake zijn wanneer zij in een bepaalde zorgrelatie tot elkaar stonden of wanneer zij, als volwassenen, een langdurige gemeenschappelijke huishouding voerden.

Uit de ingediende vordering en de ter terechtzitting voorgedragen verklaring van de benadeelde partij blijkt dat hij een hechte band had met zijn broer en dat hij zich zeer om hem bekommerde. De dood van [slachtoffer] heeft zijn broer diep getroffen en de rechtbank ziet zijn enorme verdriet om dit verlies. Ondanks de hechte band die zij met elkaar hadden, is niet gebleken dat de verhouding tussen de benadeelde partij en zijn broer zodanig was dat sprake was van een in de wet bedoelde uitzonderingssituatie. Dit maakt dat de benadeelde partij als broer van het slachtoffer geen aanspraak kan maken op affectieschade, althans dat dit thans onvoldoende is onderbouwd.

Samenvattend zal de vordering dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 15.000,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de proceskostenvergoeding af te wijken van het liquidatietarief , waarbij twee punten toegekend worden (één punt voor het indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting). Gelet op de hoogte van de vordering staat één punt gelijk aan een bedrag van € 695,-. Daarom zal de rechtbank de tot op heden gemaakte proceskosten begroten op € 1.390,-.

[benadeelde partij 4]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] (dochter van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr. R. Korver als haar gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 37.500,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit toekomstige medische (reis)kosten

(€ 2.500,- in totaal). De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van

€ 15.000,- wegens primair shockschade en een bedrag van € 20.000,- wegens affectieschade. Het gevorderde bedrag wegens shockschade wordt subsidiair gevorderd op de grondslag van aantasting in de persoon op andere wijze.

Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het om toekomstige kosten gaat en dat de vordering voor het overige dient te worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze post onvoldoende is onderbouwd dan wel omdat deze kosten op dit moment nog niet zijn gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de benadeelde niet direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het overlijden van het slachtoffer en niet is gebleken dat er bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vordering van de immateriële schade op de grondslag van aantasting in de persoon op andere wijze dient om diezelfde reden niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu hiervoor is vereist dat geestelijk letsel wordt aangetoond. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag sterk te matigen tot een bedrag tussen € 3.000,- en € 10.000,-.

Voor wat betreft de gevorderde proceskosten meent de raadsman dat slechts het liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de affectieschade is geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de posten die zien op toekomstige medische (reis)kosten. Deze kosten zijn op dit moment nog niet gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , en stelt vast dat er bij de benadeelde partij tot op heden geen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De gevorderde immateriële schade komt als shockschade om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen meebrengen dat van bedoelde aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In dit geval heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij, door haar vader opzettelijk van het leven te beroven. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dit voor de benadeelde partij aanzienlijke nadelige gevolgen te hebben gehad.

Het voorgaande maakt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Gelet op de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval, acht de rechtbank een bedrag van € 15.000,- billijk. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom geheel toewijzen.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] , zal de rechtbank ook de gevorderde affectieschade toewijzen.

Samenvattend zal de vordering dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 35.000,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal die kosten ambtshalve begroten ziet daarbij geen aanleiding om ten aanzien van de proceskostenvergoeding af te wijken van het liquidatietarief, waarbij twee punten toegekend worden (één punt voor het indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting). Gelet op de hoogte van de vordering staat één punt gelijk aan een bedrag van € 695,-. Daarom zal de rechtbank de tot op heden gemaakte proceskosten begroten op € 1.390,-.

Schadevergoedingsmaatregel en gijzeling

De rechtbank zal aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f Sr de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De toe te passen gijzeling zal worden gemaximeerd op één jaar (art. 60a juncto 24c lid 3 Sr) en zal verhoudingsgewijs over de verschillende op te leggen schadevergoedingsmaatregelen worden verdeeld.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 4 juli 2019 in de zaak met parketnummer 15.252760.18 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland verdachte ter zake van overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op 2 jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de gevorderde tenuitvoerlegging zal afwijzen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen en overweegt als volgt. De voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is opgelegd voor het verlaten van de plaats van een verkeersongeval. In onderhavige zaak is verdachte schuldig bevonden aan doodslag en verboden wapenbezit. Aangezien er geen enkel verband bestaat tussen deze feiten en het feit waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd zal de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f, 57, 60a, 287 van het Wetboek van Strafrecht en

artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven;

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ELF JAAR EN ZES MAANDEN (11 jaar en 6 maanden);

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 35.000,- (vijfendertigduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 1.390,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 35.000,- (vijfendertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 42.152,15,- (tweeënveertigduizend honderdtweeënvijftig euro en vijftien cent), bestaande uit € 7.152,15 als vergoeding voor de materiële en € 35.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 2.148,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.152,15, (tweeënveertigduizend honderdtweeënvijftig euro en vijftien cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 15.000,- (vijftienduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 1.390,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,- (vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 35.000,- (vijfendertigduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 1.390,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 35.000,- (vijfendertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

240 EUR

Vordering tot tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15.252760.18 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,

mr. W.J. van Andel en mr. H. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.F. Pomper,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2020.

mr. Pomper is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.