Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10873

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
8194713 \ CV EXPL 19-9136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zorgverzekering, eigen risico, achterstallige premie, afwijzing vordering, artikel 6:43 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8194713 \ CV EXPL 19-9136 TB

Uitspraakdatum: 16 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de naamloze vennootschap FBTO Zorgverzekeringen N.V.

gevestigd te Leeuwarden

eiseres

verder te noemen: FBTO

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

1 Het procesverloop

1.1.

FBTO heeft bij dagvaarding van 26 oktober 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

FBTO heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] bij dupliek een mondelinge reactie heeft gegeven, aangevuld met een schriftelijke reactie. Daar heeft FBTO bij akte op gereageerd.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft bij FBTO een verzekering afgesloten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van de verzekeringsovereenkomst, de Zorgverzekeringswet en het tussen partijen geldende verzekeringsreglement is [gedaagde] gehouden om bij vooruitbetaling premie te betalen aan FBTO.

2.2.

Tot en met augustus 2017 waren in het kader van de zorgverzekeringsovereenkomst twee meerderjarige personen verzekerd bij FBTO: [gedaagde] en mevrouw [XX] . In 2016 bedroeg de maandpremie € 188,50 en van januari tot en met augustus 2017 bedroeg de maandpremie € 207,00. Met ingang van 1 september 2017 is alleen [gedaagde] verzekerd in het kader van de zorgverzekeringsovereenkomst. De maandpremie bedroeg vanaf september 2017 tot en met december 2017 € 103,50.

3 De vordering

3.1.

FBTO vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 296,77, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

FBTO legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen FBTO en [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft FBTO van [gedaagde] opeisbaar te vorderen gekregen een totaalbedrag van € 231,49 aan periodieke premie. Ondanks (herhaalde) aanmaning en aanzegging van kostenverhogende incassomaatregelen, heeft FBTO van [gedaagde] geen (volledige) betaling kunnen verkrijgen.

3.3.

Naar aanleiding van het verweer en in reactie op de betaalbewijzen die [gedaagde] heeft overgelegd, heeft FBTO bij conclusie van repliek een specificatie overgelegd van de openstaande vorderingen tot en met februari 2020. FBTO heeft in de specificatie alle openstaande bedragen en betalingen waar het in deze procedure over gaat, gemarkeerd met dossiernummer 351679458. Bij akte uitlating producties heeft FBTO uitgelegd dat een bericht van 28 november 2019 waar [gedaagde] bij dupliek aan refereert niet ziet op onderhavige vordering, maar betrekking heeft op een ander dossier.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat alle premies aan FBTO zijn voldaan en dat geen sprake is van een achterstand. Het is onduidelijk waar de achterstand op ziet, volgens [gedaagde] is er zelfs een bedrag te veel betaald. [gedaagde] legt bankafschriften over waaruit naar zijn mening blijkt dat hij de verschuldigde premie steeds volledig heeft voldaan.

5 De beoordeling

5.1.

Vast staat dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst is afgesloten op grond waarvan tot en met augustus 2017 maandelijks premie was verschuldigd voor twee verzekerden.

5.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is van een achterstand. Hij stelt dat tot en met augustus 2017 voor [gedaagde] en [XX] alle premie is betaald, terwijl voor zorgkosten van € 385,00 een betalingsregeling met FBTO is getroffen.

5.3.

De kantonrechter stelt vast dat uit het dossier blijkt dat geen sprake is van een wanbetaler. [gedaagde] heeft blijkens de door FBTO verstrekte overzichten regelmatig en iedere maand het premiebedrag betaalt. De kantonrechter en de griffier hebben hun uiterste best gedaan te achterhalen waaruit de vordering van FBTO bestaat. Dat is niet volledig gelukt. Duidelijk is geworden dat het grotendeels gaat om een deel van de genoemde zorgkosten (eigen risico) dat nog niet is betaald. Daarnaast blijkt dat een deel van het bedrag bestaat uit premie. Uit de overzichten van FBTO lijkt te volgen dat dit premie is die door [XX] verschuldigd is. Nu FBTO haar vordering baseert op de stelling dat het gaat om achterstallige premie en op dat punt geen duidelijkheid verschaft, niet stelt dat [gedaagde] verantwoordelijk zou zijn voor het betalen van deze premie en evenmin duidelijk is of dit bedrag ook bij [XX] wordt gevorderd, zal de kantonrechter de vordering afwijzen. Daarbij spelen naast het voorgaande de volgende overwegingen een rol.

5.4.

FBTO stelt dat [gedaagde] geen duidelijke betalingskenmerken bij zijn overschrijvingen vermeldt. Voor FBTO was niet altijd even duidelijk op welke nota de betaling precies betrekking had. FBTO heeft daardoor, zoals blijkt uit het overgelegde overzicht een aantal betalingen – gelijk aan het premiebedrag – afgeboekt op zorgkostennota’s en niet (altijd) op de openstaande premie. FBTO had de betalingen op grond van artikel 6:43 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) echter eerst in mindering moeten brengen op de openstaande premies. Een achterstand in de betaling van premie kan er immers, anders dan een achterstand in de betaling van zorgkosten, toe leiden dat [gedaagde] wordt aangemeld bij het Zorginstituut Nederland. De verbintenis tot voldoening van premie heeft daarom als meest bezwarende verbintenis te gelden.

5.5.

FBTO heeft bovendien betalingen van 25 april 2017 van € 21,43 en 27 september 2017 van € 100,00 aan [gedaagde] teruggestort. FBTO had naar het oordeel van de kantonrechter de betalingen conform het bepaalde in artikel 6:43 lid 2 BW eerst als premiebetaling en daarna als zorgkosten c.q. eigen risico moeten afboeken en niet moeten terugstorten. In dat geval was de vordering € 110,06 geweest en was de vordering [gedaagde] wellicht duidelijk geweest en was hij bereid en in staat geweest deze ineens te betalen.

5.6.

Ten slotte overweegt de kantonrechter dat Syncasso en FBTO blijkens de correspondentie wel hun best hebben gedaan de vordering helder te krijgen, zowel voor henzelf als voor [gedaagde] . Maar vervolgens wordt aan [gedaagde] een standaard dagvaarding uitgereikt, waarin niet duidelijk is hoe het gevorderde bedrag is opgebouwd, en wordt gesteld dat het gaat om achterstallige premies, terwijl zoals uit het voorgaande blijkt, de achterstand grotendeels ziet op het eigen risico en bovendien deels is ontstaan door onterechte terugbetalingen door FBTO. Als vervolgens daarnaast nog een ander dossier loopt bij de deurwaarder, is het niet verrassend dat [gedaagde] het overzicht kwijt raakt en zich afvraagt of de vordering juist is. De aanmaning van 28 november 2019 is per e-mail aan [gedaagde] verzonden en vermeldt niet meer dan: In de zaak FBTO ZORGVERZEKERINGEN heeft u nog niet alles voldaan. U moet nog een bedrag betalen van € 389,08. (…).

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van FBTO, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt FBTO tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter