Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10865

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
8433345 \ CV EXPL 20-1439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanneming van werk, regiebasis/urengeld, toepasselijkheid algemene voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8433345 \ CV EXPL 20-1439 TB

Uitspraakdatum: 9 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Installatiebedrijf Vosse B.V.

gevestigd te Heemstede

eiseres

verder te noemen: Vosse

gemachtigde: mr. O.J. Boeder

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] )

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: [XX]

1 Het procesverloop

1.1.

Vosse heeft bij dagvaarding van 19 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Vosse heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Op 15 april 2019 om 09.46 uur heeft [gedaagde] , na telefonisch contact met Vosse, Vosse de volgende e-mail gestuurd:

“Hierbij een aantal foto’s van de situatie. De kraan mag naar de ruimte met de geregelde wand verplaatst worden en aangesloten op de gele gasleiding.

(…) Is het ook mogelijk om de kosten te begroten?”

2.2.

Op 15 april 2019 om 10.28 uur heeft Vosse gereageerd op de e-mail van [gedaagde] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“De gele gasleiding is gemaakt van kunststof en mag niet in het zicht worden aangelegd. Dat mag wel wanneer deze in een mantelbuis zit en weggewerkt is. (…)

Wij doen dit op urengeld.

Hoe werk urengeld in de praktijk:

Wij voeren de werkzaamheden uit in zogenaamd regiewerk/urengeld tegen een manuurtarief van € 85,= incl. 21% BTW. De reisuren (uit en thuis) worden eveneens doorberekend (lees: dit is een half uur).

(…)

De gebruikte materialen worden allen genoteerd.

De werkbon wordt door u ondertekend waarna de uren, parkeerkosten en materialen aan u gefactureerd worden. (…)

2.3.

Op 18 april 2019 is Vosse bij [gedaagde] langs geweest. [gedaagde] was niet aanwezig. Vervolgens heeft Vosse op 25 april 2019 werkzaamheden verricht bij [gedaagde] en is op 26 april 2019 de opdracht afgerond.

2.4.

Vosse heeft op 3 juni 2019 een factuur met nummer 19701733 aan [gedaagde] gestuurd van € 770,17 inclusief BTW.

2.5.

[gedaagde] heeft op 6 juni 2019 per e-mail een specificatie van de werkzaamheden opgevraagd bij Vosse. Vosse reageert op 7 juni 2019 met een specificatie van de factuur.

2.6.

Bij e-mail van 11 juni 2019 heeft [gedaagde] geprotesteerd tegen de hoogte van de factuur.

2.7.

Tussen partijen heeft een mailwisseling plaatsgevonden waarna [gedaagde] , ondanks herhaalde herinnering en aanmaning door Vosse, de factuur onbetaald heeft gelaten. De vordering is vervolgens ter incasso uit handen gegeven aan de gemachtigde van Vosse.

2.8.

Nadat de gemachtigde van Vosse [gedaagde] had aangeschreven tot betaling van het totaalbedrag is tussen de gemachtigde van Vosse en [gedaagde] verschillende keren via de e-mail gecorrespondeerd.

2.9.

Op 2 januari 2020 is door [gedaagde] een betaling gedaan van € 394,00.

3 De vordering

3.1.

Vosse vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 499,72, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Vosse legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht met bijlevering van de benodigde materialen, conform factuur 19701733. Zoals overeengekomen heeft Vosse afgerekend voor de daadwerkelijke arbeidstijd, materiaalkosten en reistijd. Vosse heeft de werkzaamheden deugdelijk en naar behoren verricht, zoals blijkt uit de ondertekening van de werkbon door [gedaagde] . Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om terstond te klagen en/of de werkbon niet voor akkoord te tekenen. [gedaagde] heeft Vosse niet deugdelijk in gebreke gesteld en [gedaagde] heeft de overeenkomst niet buitengerechtelijk ontbonden. [gedaagde] is in gebreke gebleven met tijdige betaling en is door het verstrijken van de betalingstermijn in verzuim geraakt.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de in rekening gebrachte uren te hoog zijn, de werkzaamheden niet deugdelijk zijn verricht en dat de prijs voor het in rekening gebrachte materiaal te hoog is. [gedaagde] voert verweer tegen de in rekening gebrachte arbeidstijd voor het tevergeefs bezoek op 18 april 2019 en voor het ophalen van het juiste gereedschap op 25 april 2019. [gedaagde] merkt op dat met ondertekening van de werkbon zij niet akkoord is gegaan met hetgeen in rekening is gebracht.

5 De beoordeling

5.1.

Bij repliek heeft Vosse er op gewezen dat de conclusie van antwoord niet afkomstig is van [gedaagde] , maar van haar vertegenwoordiger [XX] . Uit het niets blijkt dat [gedaagde] [XX] gemachtigd heeft om haar in deze gerechtelijke procedure bij te staan. Bovendien is de conclusie van antwoord niet ondertekend door [gedaagde] of een gemachtigde. De kantonrechter mag volgens Vosse dan ook geen acht slaan op de conclusie van antwoord. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Bij dupliek heeft [gedaagde] aangevoerd dat [XX] door [gedaagde] gemachtigd is. Door [gedaagde] wordt een volmacht overgelegd. De gemachtigde van [gedaagde] heeft weliswaar, in strijd met het bepaalde in artikel 83 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de conclusie van antwoord niet ondertekend, maar de conclusie van dupliek heeft hij wel ondertekend. Nu [gedaagde] bij dupliek heeft bevestigd dat ook de conclusie van antwoord door hem is opgesteld en Vosse niet in haar belangen is geschaad, ziet de kantonrechter in dit geval geen aanleiding om de conclusie van antwoord buiten beschouwing te laten. Betreffende het verweer van [gedaagde] dat niet is gebleken dat de gemachtigde van Vosse door Vosse is gemachtigd, geldt op grond van artikel 80 lid 3 Rv dat van een deurwaarder geen schriftelijke machtiging wordt verlangd in kantonzaken. [gedaagde] heeft nagelaten te onderbouwen dat de deurwaarder Vosse niet in deze procedure vertegenwoordigt, zodat het verweer verder geen bespreking behoeft.

5.2.

[gedaagde] beroept zich op de algemene voorwaarden van Vosse waarin staat dat een offerte zal worden gemaakt indien het werk naar verwachting een bedrag van € 650,00 te boven zal gaan. Toepasselijkheid van de algemene voorwaarden moet worden overeengekomen. Vosse heeft onderbouwd dat partijen dit niet zijn overeengekomen en dit is door [gedaagde] onvoldoende betwist. [gedaagde] komt dan ook geen beroep toe op de algemene voorwaarden van Vosse. Bovendien staat aan haar beroep daarop in de weg dat [gedaagde] , ondanks dat zij geen begroting van de kosten had ontvangen, het aanbod van Vosse dat tegen een uurtarief zal worden gefactureerd heeft aanvaard. Aan dit verweer van [gedaagde] , waaraan zij overigens geen conclusies heeft verbonden, wordt voorbij gegaan.

5.3.

Verder voert [gedaagde] aan dat zij een overeenkomst met Vosse heeft gesloten en haar niet bekend was dat deze zou worden uitbesteed aan een derde. Nu partijen in hun overeenkomst deze mogelijkheid niet hebben uitgesloten, zal ook dit verweer van [gedaagde] worden gepasseerd.

5.4.

Vast staat dat [gedaagde] opdracht aan Vosse heeft gegeven in verband met uit te voeren loodgieterswerkzaamheden in de woning van [gedaagde] . Voorts staat vast dat de werkzaamheden op regiebasis zijn uitgevoerd, met bijleveren van materialen. De kern van het verweer ziet op de hoogte van de factuur van Vosse. Bij e-mail van 11 juni 2019 heeft [gedaagde] laten weten niet akkoord te zijn met de hoogte van de factuur van Vosse.

Bezoek 18 april 2019

5.5.

[gedaagde] voert verweer tegen de in rekening gebrachte arbeidstijd van een uur. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de arbeidstijd voor het eerste bezoek onterecht in rekening is gebracht. Zij heeft op 17 april 2019 om 22.07 uur een e-mail aan Vosse gestuurd – dit betreft een reactie op een eerdere e-mail van Vosse – met het verzoek om op 18 april 2019 twintig tot dertig minuten voor aankomst van de loodgieter een bericht te ontvangen, zodat zij ervoor kon zorgen dat er iemand thuis was op het moment dat de loodgieter langs kwam. Vosse betwist de ontvangst van het e-mailbericht. Daarnaast stelt zij dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om meer zorgvuldigheid te betrachten op het moment dat zij niet tijdens het afgesproken tijdsblok thuis kon zijn. Met Vosse is de kantonrechter het eens dat [gedaagde] meer zorgvuldig had moeten zijn bij het maken van de afspraak en het aanwezig zijn op locatie tijdens het afgesproken tijdsblok. Voorts had [gedaagde] er niet van uit mogen gaan dat de e-mail nog tijdig gelezen zou worden. Nu [gedaagde] geen reactie op haar verzoek had ontvangen, had het op haar weg gelegen om tijdens het afgesproken tijdsblok op de locatie aanwezig te zijn, ofwel ervoor te zorgen dat er iemand aanwezig was. Partijen zijn overeengekomen dat de reistijd wordt doorberekend, zodat Vosse terecht een uur in rekening heeft gebracht.

Het werk

5.6.

Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de opdracht heeft verstrekt onder de nadrukkelijke voorwaarde dat Vosse een specifieke perstang mee zou nemen. Tijdens de werkzaamheden bleek dat de loodgieter niet beschikte over de juiste perstang waardoor hij deze moest ophalen op de werkplaats. Door Vosse is deze tijd in rekening gebracht. Vosse betwist dat zij de loodgieter niet goed heeft geïnstrueerd over de opdracht en voert aan dat zij de e-mailcorrespondentie (inclusief foto’s) van [gedaagde] heeft doorgestuurd naar de loodgieter. Daarnaast merkt Vosse op dat bij aankomst bleek dat de vorige leidingen zodanig slecht waren aangelegd dat er aanpassingen uitgevoerd moesten worden. Aanpassingen die op foto’s niet te zien waren. [gedaagde] betwist dit en is niet bekend met een complexe situatie. Nu voorafgaand aan de werkzaamheden uitdrukkelijk is gesproken over een perstang, komt het naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van Vosse dat de door haar ingeschakelde loodgieter niet beschikte over de juiste perstang. De in rekening gebrachte reis/arbeidstijd voor het ophalen van de juiste perstang van een uur, zoals door [gedaagde] gesteld, komt daarom voor rekening van Vosse.

5.7.

De stellingen van [gedaagde] dat het werk voor het overige in een korter tijdsbestek had kunnen worden uitgevoerd en dat onnodig en ondeugdelijk werk is verricht, heeft zij gelet op de betwisting van Vosse onvoldoende onderbouwd met feiten en omstandigheden en treffen daarom geen doel.

Gebruikte materialen

5.8.

Met betrekking tot de materialen overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde] voert aan dat de gebruikte materialen bij een professioneel en gerenommeerd bedrijf kunnen worden gekocht voor € 37,00 exclusief BTW, waarvoor nu € 215,00 exclusief BTW in rekening is gebracht. [gedaagde] heeft haar verweer onderbouwd met verkoopprijzen van de gebruikte materialen. Vosse heeft niet adequaat op dit verweer gereageerd, terwijl aan de zijde van [gedaagde] al in een e-mail van 6 juni 2019 om een specificatie van de materiaalprijzen wordt gevraagd. Het overzicht in de e-mail van 7 juni 2019 naar aanleiding van dit verzoek is zeer algemeen en daarin worden geen prijzen genoemd. Vosse heeft de in rekening gebrachte prijzen dan ook onvoldoende gemotiveerd, zodat de materiaalkosten niet zijn komen vast te staan en de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de prijzen zoals door [gedaagde] zijn onderbouwd, zijnde € 53,95 inclusief BTW.

5.9.

De conclusie is dat op de factuur van € 770,17 inclusief BTW een uur reis-/arbeidstijd van € 85,00 inclusief BTW in mindering wordt gebracht en dat wordt uitgegaan van materiaalkosten van € 53,95 in plaats van € 260,15 inclusief BTW. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een factuur van € 478,97. [gedaagde] heeft € 394,00 betaald. Het restantbedrag bedraagt € 84,97. [gedaagde] zal worden veroordeelt tot betaling van dat bedrag.

5.10.

Vosse vordert verder een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij voornoemd bedrag van € 478,97. De brief van 5 december 2019 voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen en de betaling door [gedaagde] is na de in die brief vermelde termijn gedaan. Dit betekent dat aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen een bedrag van € 71,85.

5.11.

[gedaagde] is in verzuim met betaling van de hoofdsom, zodat de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is over de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld.

5.12.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Vosse van € 156,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 84,95 vanaf 19 maart 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter