Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10794

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20_2222
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2222

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2020 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser, inzake de invorderingskosten op de aanslag inkomstenbelasting 2015, gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft het beroep bij brief van 2 september 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

De rechtbank heeft bij brief van 3 september 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft niet gereageerd.

Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. De rechtbank is van oordeel dat de reactie van verweerder in het verweerschrift van 26 augustus 2020 als een aanvullend besluit moet worden gekwalificeerd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de reactie van 26 augustus 2020. De rechtbank stelt daarom vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat eiser tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 26 augustus 2020 op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding voor het beroep waarbij aan de zaak een gewicht dient te worden toegekend van 0,5 punt.

5. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toewijzen.

6. De kosten die eiser vergoedt wenst te zien, hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5 aangezien het beroep uitsluitend is gericht tegen het niet nemen van een beslissing inzake de proceskostenvergoeding).

7. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht van € 48 te worden vergoed door verweerder.

Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.