Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10700

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
15/145882-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in een restaurant van een hotel, in de nacht, waar op dat moment 31 hotelgasten lagen te slapen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van 2C-B, MDMA en cocaïne. De rechtbank volgt de deskundigen en de verdediging en veroordeelt verdachte conform het jeugdstrafrecht. Verdachte heeft gehandeld met een zekere mate van voorbereiding en professionaliteit. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat – met name gelet op de ernst van het feit – niet kan worden volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. De rechtbank veroordeelt verdachte daarom tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden en bepaalt daarbij dat een gedeelte van zes maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank verbindt hieraan een proeftijd van twee jaren. Verplicht contact met Reclassering Nederland, het meewerken aan hulpverlening en het hebben van een dagbesteding worden als bijzondere voorwaarden noodzakelijk geacht. Gelet op de ernst van het feit, de justitiële documentatie van verdachte en het feit dat verdachte geen inzicht en openheid heeft verschaft, maakt dat de rechtbank de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/145882-20

Uitspraakdatum: 17 december 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 december 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. de Vries en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 24 april 2019 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht in (het restaurant van) [hotel] , gelegen aan [adres] , door met een hamer een toegangsdeur in te slaan om het hotel te betreden, en/of binnenin het restaurant open vuur in aanraking te brengen met een explosief bestaande uit (knal)vuurwerk en/of een of meer plastic flessen met motorbenzine, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan in het restaurant een explosie plaatsvond en/of dit restaurant geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor het pand en/of de inventaris van het hotel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor 31 in het hotel verblijvende (slapende) gasten, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor 31 in het hotel verblijvende (slapende) gasten, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Feit 2:

hij op of omstreeks 2 juni 2020 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

-ongeveer 5 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), en/of

-ongeveer 5 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en/of

-ongeveer 1,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en/of

ongeveer 0,42 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde (telkens) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en ten aanzien van feit 1 te bepalen dat er sprake is van eendaadse samenloop.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om verdachte vrij te spreken van feit 1. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Partiële vrijspraak feit 1 (medeplegen)

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen feit 1 heeft gepleegd. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het medeplegen van dit feit.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die als bijlage I aan dit vonnis zijn gehecht.

De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke

vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de

daaraan bij wet gestelde eisen.

3.5.

Bewijsoverweging feit 1 (veroorzaken ontploffing/brandstichting)

De verdediging heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om verdachte te veroordelen voor feit 1. De rechtbank stelt echter vast dat er in het dossier meerdere bewijsmiddelen voorhanden zijn die duiden op betrokkenheid van verdachte bij het teweegbrengen van de ontploffing en de daaropvolgende brand en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van drie met de ontploffing in verband te brengen voorwerpen is sprake van een DNA-match met verdachte. Allereerst is er sprake van een DNA-match op zowel de buitenzijde van een blauwe dop als op de buitenzijde van een oranje dop. Beide doppen hebben onderdeel uitgemaakt van het explosief dat in de nacht van 23 op 24 april 2019 op de bar van het restaurant in [hotel] is geplaatst en is aangestoken. Voorts is sprake van een DNA-match op de steel van de aangetroffen hamer. Uit de camerabeelden blijkt dat de dader gebruik heeft gemaakt van een hamer om de ruit van de toegangsdeur van dit restaurant in te slaan. Na het plaatsen en aansteken van het explosief op de bar in het restaurant, is de dader naar buiten gerend en heeft deze hamer in de Zaan gegooid. Deze hamer is korte tijd later uit de Zaan gehaald en onderzocht op DNA-materiaal.

De verdediging heeft aangevoerd dat er op één van de doppen eveneens een DNA-match is aangetroffen met een onbekende. Uit het NFI-rapport van 25 juni 2019 blijkt op dossierpagina 193 dat de DNA-match met “minimaal één man” doelt op het bestaan van een DNA-profiel dat onvoldoende informatief is om te kunnen beoordelen of verdachte donor kan zijn geweest van het DNA in deze bemonstering. Mede gelet op de overige onderzoeksresultaten is aanvullend DNA-onderzoek daarom niet aangeboden. Er is dus geen sprake van een door het NFI vastgestelde DNA-match met een onbekende derde.

Hier staat tegenover dat op een van de doppen (de blauwe dop) het DNA is aangetroffen van de moeder van de verdachte, op grond waarvan de rechtbank aanneemt dat de desbetreffende dop uit de woning van verdachte afkomstig is. Op de camerabeelden was voorts een specifiek loopje van de dader zichtbaar waarna besloten is een vergelijkingsonderzoek te doen. Uit de afgenomen looppatroonanalyse (forensische gangbeeld analyse), waarbij het looppatroon van de dader is vergeleken met dat van verdachte, is de deskundige tot het oordeel gekomen dat het “veel waarschijnlijker” is dat de onderzoeksresultaten worden verkregen onder de hypothese dat de dader van de aanslag en verdachte dezelfde persoon zijn, dan onder de hypothese dat de dader een andere persoon betreft. Hoewel door de raadsman punten zijn aangevoerd die volgens hem de betrouwbaarheid van deze looppatroonanalyse hadden kunnen verhogen, doet dit naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de door de desbetreffende deskundigen vastgestelde “likelihood ratio” of bewijskracht.

Verder blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , pagina 267 en volgende van het dossier, dat er meerdere foto’s op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen waarop een persoon of personen te zien zijn die witte maskers dragen. Deze foto’s zijn als bijlagen bij het proces-verbaal gevoegd. De rechtbank merkt hierbij op dat het signalement van de persoon op de linker foto in ieder geval bij het uiterlijk van verdachte past. De rechtbank constateert verder dat de dader van de explosie – zo blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de camerabeelden die ter zitting zijn getoond – tijdens de bewuste nacht witte gezichtsbedekking of een wit gezichtsmasker droeg.

Verdachte heeft ter terechtzitting geen aannemelijke of verifieerbare verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op de doppen én/of de steel van de hamer. De door verdachte geopperde mogelijkheid dat een onbekende derde een door verdachte weggegooid flesje heeft gevonden en opgeraapt en de dop daarvan vervolgens heeft gebruikt om het explosief te maken waarmee de ontploffing is veroorzaakt, is niet aannemelijk. De rechtbank overweegt hiertoe dat het DNA van verdachte niet op één, maar op twee verschillende doppen is aangetroffen en bovendien op de steel van de hamer waarmee de deur van het restaurant is ingeslagen.

De rechtbank concludeert dan ook dat de beschreven bewijsmiddelen tezamen, en in onderlinge samenhang bezien, maken dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om verdachte te veroordelen voor het onder 1 ten laste gelegde feit.

3.6.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van [naam] en [naam] van 18 juni 2020 (dossierpagina’s 271 tot en met 275);

  • -

    een verslag van een deskundige, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met nummer 2020.06.18.050 (aanvraag 002) van 8 juli 2020, opgemaakt door [deskundige] (dossierpagina’s 279 en 280).

3.7.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 24 april 2019 te [plaats] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in het restaurant van [hotel] , gelegen aan [adres] , door met een hamer een toegangsdeur in te slaan om het hotel te betreden en binnenin het restaurant open vuur in aanraking te brengen met een explosief bestaande uit knalvuurwerk en plastic flessen met motorbenzine ten gevolge waarvan in het restaurant een explosie plaatsvond en dit restaurant gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor het pand en de inventaris van het hotel en levensgevaar voor 31 in het hotel verblijvende (slapende) gasten te duchten was;

Feit 2:

hij op 2 juni 2020 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 5 pillen van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), en

- 5 pillen van een materiaal bevattende MDMA en

- ongeveer 1,55 gram van een materiaal bevattende MDMA, en

- ongeveer 0,42 gram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: eendaadse samenloop van:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte met toepassing van het volwassenenstrafrecht zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het meewerken aan hulpverlening en het hebben van een dagbesteding. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard, gelet op de ernst van feit 1 en de kans op recidive.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd om, indien de rechtbank niet zou besluiten tot toepassing van het volwassenstrafrecht, verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij voornoemde bijzondere voorwaarden. Ook in dat geval zouden de bijzondere voorwaarden dienen te worden opgedragen aan Reclassering Nederland en dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich verzet tegen toepassing van het volwassenenstrafrecht en bepleit om verdachte, indien de rechtbank toch tot een veroordeling mocht komen voor het eerste feit, met toepassing van het jeugdstrafrecht te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van het voorarrest met daarbij primair een voorwaardelijke werkstraf en subsidiair een voorwaardelijke jeugddetentie, met daaraan gekoppeld de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de avondklok.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in een restaurant van een hotel, in de nacht, waar op dat moment maar liefst 31 hotelgasten lagen te slapen. Dit is een ernstig gevaarzettend feit dat in het algemeen leidt tot indringende gevoelens van angst en onveiligheid bij de personen die in het desbetreffende pand aanwezig waren. Het mag een wonder heten dat er niemand gewond is geraakt. Uit het dossier blijkt dat meerdere puien uit het pand zijn geslagen door de luchtdruk die met de explosie gepaard ging en dat door de ontploffing meerdere brandhaarden zijn ontstaan in het restaurant. Het is slechts te danken aan het kordate optreden van meerdere hotelgasten dat de brandhaarden in het restaurant snel zijn geblust en de branden zich niet hebben kunnen uitbreiden. De economische gevolgen voor de uitbater, de beheerder en de eigenaar van het pand zijn hiernaast groot. Het restaurant is zwaar beschadigd geraakt en is op last van de burgemeester ook enige tijd gesloten geweest. Verdachte heeft blijkens zijn handelen in het geheel geen oog gehad voor de gevaren waar hij de hotelgasten aan bloot stelde noch rekening gehouden met de belangen van de vele anderen die hij schade heeft toegebracht.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van 2C-B, MDMA en cocaïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade kan berokkenen aan de gebruikers ervan en dat het gebruik kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaat het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld tot (voorwaardelijke) werkstraffen.

- het over verdachte uitgebrachte psychologisch onderzoek Pro Justitia door
[klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog, gedateerd 15 oktober 2020. Uit dit rapport blijkt onder meer dat er bij verdachte geen stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan worden vastgesteld. Daarom wordt geadviseerd verdachte het tenlastegelegde volledig toe te rekenen. Voorts zie de psycholoog een matig risico op herhaling. Geconcludeerd wordt dat verdachte baat heeft bij externe structurering waardoor enige vorm van toezicht en/of begeleiding wenselijk zou zijn. De rapporteur adviseert een deels voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht. Dit is van belang voor de ontwikkeling en opvoeding van verdachte en bij eventueel te nemen beslissingen.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.

- de over verdachte uitgebrachte evaluatie gedateerd 27 november 2020 van [gezinsmanager] , als gezinsmanager verbonden aan Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), hierna te noemen de jeugdreclassering. Deze evaluatie houdt onder meer in dat indien verdachte schuldig wordt bevonden, de jeugdreclassering adviseert om verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke straf en het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden te beleggen bij Reclassering Nederland.

Ter terechtzitting heeft [gezinsmanager] bovenstaande evaluatie onderschreven en zich aangesloten bij het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad). [gezinsmanager] , eveneens gezinsmanager bij de jeugdreclassering, heeft de rechtbank in overweging gegeven de op te leggen straf geen belemmering te laten zijn voor de schoolgang. De jeugdreclassering is uitgegaan van de toepassing van het jeugdstrafrecht, gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten.

- Ter terechtzitting heeft [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad, geadviseerd verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Nederland, het hebben van een dagbesteding en het meewerken aan hulpverlening van Levvel (R&B programma) zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Deze bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Als deze straf onvoldoende wordt geacht, kan daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd, hoewel een werkstraf vanuit pedagogisch oogpunt weinig meerwaarde heeft. De Raad ziet geen meerwaarde in een avondklok, omdat verdachte een goede dagbesteding heeft en al een half jaar een avondklok heeft gehad. Mocht de reclassering menen dat het toch minder zou gaan met verdachte, kan eventueel een avondklok als aanwijzing worden toegevoegd. De Raad acht toepassing van het volwassenenstrafrecht niet aangewezen, omdat verdachte tijdens het plegen van het feit nog jong was en het psychologische onderzoek hiervoor geen aanwijzingen geeft.

Toepassing volwassenenstrafrecht

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen conform het volwassenenstrafrecht gelet op de ernst van feit 1. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte 16 jaar oud was ten tijde van feit 1. Nu het psychologisch onderzoek geen argumenten aandraagt om het volwassenenstrafrecht toe te passen en zowel de Raad als de jeugdreclassering hebben geadviseerd om verdachte conform het jeugdstrafrecht te veroordelen, acht de rechtbank geen redenen voor toepassing van het volwassenstrafrecht aanwezig. De rechtbank ziet ook op basis van eigen waarneming daartoe geen aanknopingspunten en volgt daarom de deskundigen en de verdediging op dit punt en zal verdachte conform het jeugdstrafrecht veroordelen.

Straftoemeting

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte. Hier staat echter tegenover dat sprake is van een zeer ernstig en gevaarzettend feit. De rechtbank constateert bovendien dat uit de handelwijze van verdachte – ondersteund door de camerabeelden – een zekere mate van voorbereiding en professionaliteit kan worden afgeleid. Verdachte heeft zijn scooter bij het parkeren dusdanig gedraaid en neergezet dat hij zo snel mogelijk kon wegkomen. Het kenteken van deze scooter was hierbij niet zichtbaar op de camerabeelden. Verdachte droeg bovendien een gezichtsmasker. Verdachte is over de heg gesprongen bij het hotel, heeft vervolgens een geprepareerd explosief uit een tas gepakt en is daarna doelgericht en zonder enige aarzeling naar de toegangsdeur van het restaurant aan de andere zijde van het terras gelopen. Hij heeft met een hamer de ruit van deze toegangsdeur ingeslagen, waarna hij het explosief op de bar heeft geplaatst, dit explosief alleen nog maar hoefde aan te steken en vervolgens naar buiten is gerend. Terug op het terras heeft verdachte de hamer in de Zaan gegooid en is hij terug gerend naar zijn scooter om vervolgens weg te rijden. Dit handelen heeft slechts anderhalve minuut in beslag genomen en uit de handelwijze van verdachte maakt de rechtbank op dat verdachte zeer doelgericht te werk is gegaan. De rechtbank houdt tot slot rekening met het feit dat verdachte door zijn proceshouding geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en geen enkel inzicht heeft verschaft over het waarom van zijn daad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat – met name gelet op de ernst van het feit –niet kan worden volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. De rechtbank acht een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden op zijn plaats. De rechtbank bepaalt hierbij dat een gedeelte van deze straf, namelijk zes maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank acht verplicht contact met Reclassering Nederland, het meewerken aan de hulpverlening van Levvel (R&B programma) en het hebben van een dagbesteding noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Dadelijk uitvoerbaar

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten de 31 hotelgasten die in de nacht van 23 op 24 april 2019 in [hotel] verbleven. Gelet op de ernst van feit 1, de justitiële documentatie van verdachte en het feit dat verdachte geen inzicht en openheid heeft verschaft, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 2, 10 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot zes maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • -

    veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland, gevestigd te Wibautstraat 12, 1091 GM Amsterdam zo lang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland

  • -

    veroordeelde medewerking verleent aan hulpverlening van Levvel (R&B programma) of een soortgelijke instantie, zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    veroordeelde een passende dagbesteding zal hebben.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland, gevestigd te Wibautstraat 12, 1091 GM Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel

77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. N. Cuvelier en mr. G.A.M. van Dijk, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Sinnige,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2020.

BIJLAGE I

De bewijsmiddelen, behorende bij het vonnis van 17 december 2020 van de rechtbank Noord-Holland, ten name van verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

( [adres] .

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende – zakelijk weergegeven – bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben:

- het proces-verbaal van camerabeelden [hotel] , inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 5 mei 2019 (dossierpagina’s 41 tot en met 53):

Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte op 24 april 2019 arriveert bij [hotel] , gelegen aan [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ) [adres] te [plaats] . Verdachte houdt een object vast van onder andere plastic flessen. Verdachte loopt in de richting van een deur die toegang geeft tot het restaurant van het hotel. Verdachte houdt een hamer vast en draagt een gezichtsmasker. Verdachte slaat met de hamer het raam van de toegangsdeur in. Verdachte stapt door de opening van de toegangsdeur, ontstaan door het stuk slaan van het glas en plaatst het object van onder andere plastic flessen op de bar van het restaurant. Verdachte houdt een vlam nabij het object dat hij zojuist op de bar heeft geplaatst en het object vat vlam. Het lijkt alsof er in of op het object een lont is aangebracht die aangestoken wordt. Het object gaat heviger branden. Verdachte werpt de hamer in het kanaal de Zaan. Het object ontploft en het beeld wordt zwart. Enkele seconden later is brand zichtbaar in het restaurant. Door de ontploffing wordt het raamkozijn aan de oostelijke zijde van het hotel ontzet en wordt deze door de luchtdruk enkele meters naar buiten gedrukt. Door de ontploffing wordt het raamkozijn aan de zuidelijke zijde van het hotel ontzet en wordt deze door de luchtdruk naar buiten gedrukt.

- het proces-verbaal van bevindingen van [naam] van 12 februari 2020 (dossierpagina’s 54 tot en met 68):

Hieronder een overzicht van screenshots waarop de impact van de explosie te zien is en wat dit heeft veroorzaakt bij de bezoekers.

Doordat het explosief afgaat ontstaat er een mistwolk waardoor er verminderd zicht op de camera is. Mensen komen uit hun kamers en zoeken een weg om het pand te verlaten. Sommige bezoekers verlaten het pand in hun nachtgoed. De bezoekers verlaten het pand via de nooduitgang. Door de explosie is de luxaflex naar beneden gekomen. Mensen komen in hun nachtgoed naar buiten en zoeken een veilige plaats om te verzamelen.

Op het moment dat de hotelgasten het hotel verlieten was er een aantal hotelgasten bezig om de ontstane brandhaarden te blussen met emmers water. De eerste man probeert om de brandhaard van de bar te vegen.

- het proces-verbaal van forensisch onderzoek bedrijf, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] van 22 juli 2019 (dossierpagina’s 69 tot en met 82):

Na de explosie werden 31 gasten die op dat moment in het hotel verbleven geëvacueerd.

Het voorwerp dat verdachte in de Zaan heeft geworpen betrof een hamer. De hamer werd bemonsterd op de aanwezigheid van DNA-sporen (SIN: [xxx] ).

De zuidgevel van het hotel bleek gedeeltelijk beschadigd. Het kozijn met de raamsponning en het glas was geheel losgekomen uit de gevel. Nagenoeg het gehele terras was voorzien van vele glasresten. Het kozijn van de achterpui van het hotel was uit de achtergevel gekomen en lag half op het terras. De ruiten waren uit het kozijn gebroken. Links naast deze pui was een deur, waarvan de ruit geheel verbroken was. De voordeur, ter hoogte van de uitzetijzers van het slotmechanisme in de sluitnaad was beschadigd. Het deurkozijn ter hoogte van de slotschotels van de uitzetijzers van de voordeur waren eveneens beschadigd. De systeempanelen van het plafond in de parallelle hal en de toiletruimte waren gedeeltelijk naar beneden gevallen. Op het plafond van het achterste gedeelte van het restaurant was roetafzetting aanwezig. De water-/terraszijde van het restaurant was rommeliger: dit gedeelte van het restaurant was voorzien van vele glasresten. Ter hoogte van de ingeslagen ruit in de deur lag opvallend veel glas. Voorts vertoonde dit gedeelte van het restaurant roetafzetting op wanden en plafond. Het gedeelte van het restaurant ter hoogte van de bar en de keuken was door brand beschadigd. Het plafond boven en in de directe nabijheid van de bar waren, alsmede de wanden en het meubilair, voorzien van forse roetafzetting, gesmolten kunststof delen en inbrandingen. Het keukengedeelte zag er wanordelijk uit. Op de vloer lagen meerdere papierdelen, glasresten en ‘Cobra’ resten. De ruimte tussen de bar en de bar zelf was vervuild en beschadigd. De bar was voorzien van meerdere roet- en brandplekken. Aan de hand van de camerabeelden en de inbranding op de bar, links van een stapel dienbladen kon worden opgemaakt dat op deze locatie het explosief was geëxplodeerd. Op meerdere tafels en stoelen alsmede op de vloer van het restaurant en op de keukenvloer werden door ons vele stukjes papierkarton aangetroffen. Meerdere papierkarton resten waren gedeeltelijk voorzien van een gekleurd etiket met letters. Op meerdere locaties op de vloer van het restaurant werden kunststof resten aangetroffen en veiliggesteld (SIN: [xxx] t/m [xxx] ). De kunststof resten bestonden al dan niet uit gedeeltelijk gesmolten flesdopjes en flesfragmenten. Op de wanden rond de bar alsmede op de koffiemachine en het glasrek achter de bar werden vele kleine stukjes zwart ducttape aangetroffen.

De brandschade in het restaurant, zijnde de scherpe randen van inbrandingen op en rond de bar, de gesmolten brandmelders en het roet op het plafond en wanden van het restaurant komende uit de richting van de bar en aan de barzijde, alsmede de verbrande tafels en stoelen in de directe omgeving van de bar, toont aan dat er brand was ontstaan. De wijze van het ontstaan van de diverse brandlocaties rond de bar alsmede de roetafzetting zijn passend bij en verenigbaar met een wijze van brandstichting met gebruikmaking van een vluchtige stof van een ontbrandbare vloeistof welke met een explosieve kracht in de ruimte werd geslingerd.

De schade aan het hotel, zijnde het naar buiten gedrukte raamkozijn aan de zuidzijde van het hotel aan het terraspad, de naar buiten gedrukte pui aan de terras-/waterzijde van het hotel, de vernielde entreedeur met deurpost alsmede de naar beneden gevallen plafondplaten in de parallelle hal naast de entreehal en in de toiletruimte in de entreehalen, geeft aan dat er een drukopbouw in het restaurant heeft plaatsgevonden. De genoemde drukopbouw is passend bij en verenigbaar met al dan niet opzettelijk een explosie teweegbrengen.

De aangetroffen stukken papierkarton, zijnde explosief knalvuurwerk van vermoedelijk het merk en type Cobra 6 Super, de aangetroffen kunststof flesdelen gedeeltelijk voorzien van motorbenzine, de flesdopjes en het zwarte ducttape zijn meer dan vermoedelijk gebruikt voor het vervaardigen van een zogenoemde explosieve constructie. Hierdoor vond er een bestemmingsverandering van het explosief knalvuurwerk plaats waarbij de explosie niet diende voor algemeen vermaak maar voor het plegen van een aanslag waarbij een explosie met brand en schade tot gevolg teweeg werd gebracht.

- een verslag van een deskundige, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met nummer 2019.05.07.224 (aanvraag 002) van 25 juni 2019, opgemaakt door [deskundige] (dossierpagina’s 191 tot en met 194):

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

- [xxx] een bemonstering (buitenzijde dop blauw [xxx] );

- [xxx] een bemonstering (buitenzijde dop oranje [xxx] );

- [xxx] een bemonstering (handvat hamer).

Het DNA-profiel [xxx] [verdachte] is vergeleken met de DNA-profielen van de bemonsteringen:

- [xxx] (buitenzijde dop blauw [xxx] ): DNA-mengprofiel van twee personen. Het DNA kan afkomstig zijn van [naam] en [verdachte] ;

- [xxx] (buitenzijde dop oranje [xxx] ): DNA-profiel van een man. Het DNA kan afkomstig zijn van [verdachte] . De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard;

- [xxx] : DNA-profiel van een man. Het DNA kan afkomstig zijn van [verdachte] . De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard.

- een verslag van een deskundige, te weten een looppatroonanalyse bij een aanslag op een hotel te [plaats] op 24 april 2019 in opdracht van Districtsrecherche Zaanstreek van Universitair Medisch Centrum Groningen – Rijksuniversiteit Groningen, Bewegingswetenschappen, opgemaakt door [deskundige] en [deskundige] (dossierpagina’s 207 tot en met 216):

Zowel de dader als verdachte vertonen overeenkomstige kenmerken op het naar buiten geroteerd plaatsen van beide voeten en het overstrekken van de knieën tijdens het plaatsen van de hiel.

De resultaten van de set beelden van de dader (de twee opnames bij het hotel) op kenmerken betreffen: 1 1 0 0 1 1 0 0 n 0 0 0 0 0 0.

De resultaten van de set beelden van verdachte (een combinatie van de drie mappen) op kenmerken betreffen: 1 1 0 0 1 1 0 0 1 0 0 0 0 0 0.

Na vergelijking tussen de set beelden van de dader en de populatie, de set beelden van verdachte en de populatie en tussen de set daderbeelden en verdachtebeelden, blijkt dat het patroon een uitkomst geeft van een likelihoodratio van 567 (met een betrouwbaarheidsinterval tussen 236 en 1360). De kans dat bij de persoon in de daderbeelden hetzelfde looppatroon gevonden wordt als in de set van de beelden van verdachte onder de hypothese dat het om dezelfde persoon gaat is 567 keer hoger dan uitgaande van de hypothese dat ze niet dezelfde persoon zijn (veel waarschijnlijker).

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 26 juni 2020 (dossierpagina’s 267 tot en met 270):

Tijdens de aanhouding van verdachte [verdachte] zijn twee telefoons in beslag genomen onder verdachte. Op het geheugen van de telefoon werden verschillende foto’s aangetroffen waarop een persoon afgebeeld staat met een wit masker. De persoon heeft de uiterlijke kenmerken van verdachte [verdachte] . Hieronder volgen twee voorbeelden van de verschillende foto’s. Opmerkelijk is dat de dader van de aanslag op [hotel] zeer waarschijnlijk ook een wit masker droeg.