Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10698

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
299187/20-570
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvankelijk stond onvoldoende vast of de moeder ook op de langere termijn, binnen een voor de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), niet in staat zou zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen. Door toewijzing van het verzoek tot OTS, kreeg de moeder de gelegenheid te laten zien dat zij bereid en in staat is om binnen het gedwongen kader haar medewerking te verlenen aan de hulpverlening die in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

Uit alles blijkt dat de moeder van goede wil is en bereid is om dat te doen waarvan de gezinsvoogd zegt dat het nodig is. Het belang van [de minderjarige] in deze zaak moet echter zwaarder wegen dan het belang van de moeder dat haar gezag niet wordt beëindigd. Na beëindiging van het gezag van de moeder zal een voogd direct aanspreekpunt kunnen zijn voor alle betrokken instanties, en kan er sneller overgegaan worden tot het nemen van besluiten en de uitvoering ervan, in het belang van [de minderjarige].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

beëindiging van het ouderlijk gezag (zaak-/rekestnr.: 299187/20-570)

ondertoezichtstelling (zaak-/rekestnr.: 302604/20-909)

Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 10 december 2020

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Haarlem,

betreffende

- [de minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. R.M. Maliepaard, kantoorhoudende te Vleuten;

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna: de GI;

( [naam] ), Agentschap Jongerenwelzijn, SDJ, gevestigd te Antwerpen, hierna: SDJ;

mr. N. Arnols, advocaat, kantoorhoudende te Antwerpen, vertegenwoordigster van [de minderjarige] in de hem betreffende procedures in België.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2020 en de daarin opgenomen stukken;

- de brief van de GI van 22 oktober 2020;

- de brief van mr. N. Arnols van 30 oktober 2020;

- het (aanvullend) rapport van het onderzoek van de Raad, ingekomen op 9 november 2020.

1.2.

Op 12 november 2020 is de behandeling van de zaak ter zitting voortgezet.
Hierbij zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. R.M. Maliepaard;

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] , vertegenwoordiger van de Raad;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    [naam] , werkzaam bij Tien voor Toekomst van het Leger des Heils.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 4 juni 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van
De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van
10 juni 2020 tot 10 december 2020. De rechtbank heeft de GI verzocht haar uiterlijk op

10 november 2020 te infomeren over het verloop van de ondertoezichtstelling.

Het verzoek tot ondertoezichtstelling (OTS) is voor het overige aangehouden tot
10 december 2020, evenals het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag.

2.2.

De rechtbank heeft in voormelde beschikking overwogen dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de moeder onvoldoende haar medewerking heeft verleend om de noodzakelijke zorg tot stand te brengen die nodig is om deze bedreiging weg te kunnen nemen. Op dat moment stond echter nog onvoldoende vast of de moeder ook op de langere termijn, binnen een voor de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), niet in staat zou zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen. Door toewijzing van het verzoek tot OTS, kreeg de moeder de gelegenheid te laten zien dat zij bereid en in staat is om binnen het gedwongen kader haar medewerking te verlenen aan de hulpverlening die in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

2.3.

De GI heeft vervolgens op 22 oktober 2020 onder meer het volgende bericht:

Moeder heeft een ambulante hulpverlener vanuit het Leger des Heils, die haar helpt met allerlei praktische zaken in de thuissituatie en in de opvoeding/verzorging van de kinderen. Moeder heeft veel vertrouwen in die hulpverlener. Er zijn vele zorgen omtrent deze kinderen; moeder heeft een bewindvoerder, er zijn schulden;

Het is duidelijk dat het veel organisatie vergt van moeder om met het hele gezin [de minderjarige] te kunnen bezoeken. Ouders hebben geen eigen vervoer en zijn van derden afhankelijk.

Moeder zegt dat zij graag zelf voor [de minderjarige] zou willen zorgen, maar dat ze dat niet zou kunnen, omdat ze meerdere keren heeft gezien wat een belasting het is om zijn lichamelijke verzorging te doen. Moeder is tevreden met de zorg die hij bij DVC Zevenbergen ontvangt.

Het contact dat de Jeugdzorgwerker met moeder heeft, verloopt positief. Moeder is telefonisch goed bereikbaar en als zij niet bereikbaar is maar ziet dat er gebeld is, belt zij altijd terug.

De Jeugdzorgwerker heeft de praktische zaken in werking gezet, zoals de wijziging van het woonadres, de verblijfindicatie aanvraag, de ziektekostenverzekering en de aanmeldingen bij diverse zorgaanbieders. [de minderjarige] staat op de wachtlijst voor een woonplek, behandeling, therapieën en medisch zorg.

Op woensdag 30 september 2020 is moeder naar Antwerpen geweest voor de OTS- rechtszitting.

[de minderjarige] heeft de OTS maatregel gekregen op 29 november 2017 (vonnisnummer 2017/3579) van de Rechtbank Antwerpen.

2.4.

Mr. N. Arnols, persoonlijk raadsman van [de minderjarige] in België, heeft bericht dat het van groot belang is dat [de minderjarige] wordt herenigd met zijn ouders. Volgens haar is een zorginstelling in Nederland - Pluryn – bereid om de jongen op te vangen. Als het licht hiervoor op groen gezet wordt, kan de overdracht in gang worden gezet en zal de Jeugdrechter in Antwerpen het dossier afsluiten. Dan stopt ook de tussenkomst van
mr. Arnols.

2.5.

Volgens de beschikking van 4 juni 2020 bestaan de volgende ontwikkelingsbedreigingen:

- het woonperspectief van [de minderjarige] is onduidelijk;

- de moeder heeft belangrijke financiële, juridische en administratieve zaken rondom [de minderjarige] nog niet geregeld.

2.6.

Uit het rapport van de Raad blijkt dat het woonperspectief van [de minderjarige] nog niet duidelijk is. Gedurende het onderzoek heeft de Raad de indruk gekregen dat de moeder nog niet zeker is over de verhuizing en zelfs meer de voorkeur heeft om met het gezin naar België te verhuizen. De Raad constateert dat de moeder de verhuizing en de financiële en medische zaken niet alleen kan regelen en dat zij nog steeds niet heel duidelijk heeft wat zij exact wil. De Raad realiseert zich dat het een ingewikkeld proces is, waarvan men logischerwijs niet kan verwachten dat de moeder dit alleen kan. De Raad ziet ook een afwachtende houding van de moeder en een neiging om zaken buiten zichzelf te leggen, waarbij ze de nadruk lijkt te leggen op haar financiële (on)mogelijkheden en belangen. Zij legt veel acties bij een ander en is dan de regie daarover kwijt.

2.7.

De Raad beantwoordt de vraag of de moeder alle belangrijke financiële, juridische en administratieve zaken rond [de minderjarige] kan regelen, ontkennend. Dit wordt geregeld door inmenging en regievoering door een ander. Moeder heeft hier een bewindvoerder en een gezinsvoogd voor nodig. De Raad heeft de indruk dat de moeder niet echt begrijpt wat het kindgeld betekent dat in België voor [de minderjarige] wordt uitgekeerd, en maakt zich zorgen om haar houding als het om financiën gaat. Zij lijkt er op dit moment van overtuigd te zijn dat een instelling als DVC “verdient” aan haar zoon, terwijl er juist sprake is van een flinke schuld. Volgens de Raad zijn er aan de moeder facturen gestuurd die niet betaald zijn.
Uit het onderzoek blijkt dat het de moeder boven het hoofd groeit en dat zij onvoldoende draagkracht heeft om dit zelf te organiseren. Langdurige, zelfs jarenlange, ondersteuning wordt nodig geacht.

2.8.

Tenslotte constateert de Raad dat de moeder van goede wil is en bereid is om dat te doen, waarvan de gezinsvoogd zegt dat het nodig is.
De conclusie is dat niet van de moeder verwacht kan worden dat zij binnen afzienbare termijn zelf alle zorg (medisch, financieel en regie) kan dragen over [de minderjarige] .
Zij neemt geen beslissing over het toekomstperspectief van het gezin en onderhoudt niet zelf actief contact met de instellingen rond [de minderjarige] . Zodoende neemt ze niet actief deel aan zijn behandelplan. De zorg voor haar vijf andere kinderen en voor zichzelf en haar partner
is dusdanig groot, dat dit al haar aandacht vraagt.

De Raad acht de verwachting niet gerechtvaardigd dat de moeder zelfstandig in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen en zelfstandig de juiste beslissingen en de juiste acties in zijn belang te (onder)nemen. De Raad acht een beëindiging van het gezag van de moeder nodig, waarbij een voogd direct aanspreekpunt zal zijn voor de betrokken instanties en er sneller overgegaan kan worden tot het nemen van besluiten en de uitvoering daarvan.
Het zal aan de voogd zijn om de moeder mee te nemen in die processen en aandacht te blijven houden voor haar moederrol, ook als zij niet langer met het gezag over [de minderjarige] is belast.

2.9.

De moeder heeft aangevoerd dat zij heeft gedaan wat zij kon.

Volgens de tussenbeschikking moest zij laten zien dat ze bereid en in staat was om binnen het gedwongen kader van de OTS haar medewerking te verlenen aan de hulpverlening die in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Dat is precies wat ze gedaan heeft, zoals blijkt uit de berichtgeving van derden in het rapport en met name die van de gezinsvoogd, die immers de OTS uitvoert. Niet valt in te zien wat zij meer had kunnen doen dan dit om een wijziging van het gezag af te wenden. Zij verzoekt daarom het verzoek van de Raad om haar gezag te beëindigen, af te wijzen en het verzoek om [de minderjarige] vanaf 10 december 2020 voor een periode van nog eens zes maanden onder toezicht te stellen, toe te wijzen.

2.10.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de moeder al dan niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbare termijn.

2.11.

Omdat [de minderjarige] een zeer kwetsbare jongen is die voltijds verzorging nodig heeft, is essentieel dat gewaarborgd is dat hem de noodzakelijke verzorging niet wordt onthouden en dat alle zaken in dit verband juridisch, administratief en/of financieel goed op orde zijn.

2.12.

De rechtbank stelt voorop dat uit alles blijkt dat de moeder van goede wil is en bereid is om dat te doen waarvan de gezinsvoogd zegt dat het nodig is. Zij heeft ter zitting aangegeven dat het makkelijker is om zaken als inschrijving van [de minderjarige] in Nederland geregeld te krijgen als er een instantie als de GI bij betrokken is. Hulpverlening in de vorm van (verlenging van) de ondertoezichtstelling lijkt aldus voor moeder ook op de langere termijn noodzakelijk als ondersteuning bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

2.13.

De rechtbank deelt het standpunt van de Raad dat het belang van [de minderjarige] in deze zaak zwaarder moet wegen dan het belang van de moeder dat haar gezag niet wordt beëindigd. Na beëindiging van het gezag van de moeder zal een voogd direct aanspreekpunt kunnen zijn voor alle betrokken instanties, en kan er sneller overgegaan worden tot het nemen van besluiten en de uitvoering ervan, in het belang van [de minderjarige] .

In het licht van het hiervoor overwogene, is voldoende komen vast te staan dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:247 tweede lid BW te dragen binnen een voor de ontwikkeling van dit kind aanvaardbare termijn.

2.14.

Dit leidt tot conclusie dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [de minderjarige] is, zodat het verzoek tot beëindiging van het gezag zal worden toegewezen.

2.15.

De rechtbank spreekt de verwachting uit dat het de moeder ook rust kan geven als ze de praktische zaken rond [de minderjarige] niet meer zelf hoeft te regelen. Naast [de minderjarige] zijn er immers nog vijf kinderen, haar partner en zijzelf die aandacht nodig hebben.

2.16.

Nu de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over [de minderjarige] te benoemen.

De GI heeft zich op 18 februari 2020 schriftelijk bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI zal dan ook tot voogdes worden benoemd.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

Beëindigt het ouderlijk gezag van:

- [de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

over

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .

3.2.

Benoemt tot voogdes over [de minderjarige] :

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd Bijlmerdreef 101 te Amsterdam-Zuidoost.

3.3.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, voorzitter, mr. A. Stefels en

mr. A.H. Loos - Horstman, rechters, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.C.M. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2020.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.