Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10696

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
C/15/298707 / FA RK 20-357
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot deze gemeenschap behoren onder meer de eenmanszaak van de vrouw en de aandelen van een BV waarin uitsluitend de man werkzaamheden verricht. Partijen twisten over de datum van waardering. Als peildatum voor de waardering van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel het tijdstip van de verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.

Gesteld noch gebleken is dat partijen een andere peildatum zijn overeengekomen. De vraagt ligt nu voor, of op grond van de redelijkheid en billijkheid voor de waardering uit moet worden gegaan van 30 november 2018.

Voor wat betreft de waardering van (de aandelen van) een onderneming die uitsluitend door één van de echtgenoten wordt gedreven, acht de rechtbank het redelijk om vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap de ondernemersrisico’s - in positieve en negatieve zin - te laten bij die ondernemende echtgenoot. Dit leidt tot de conclusie dat voor wat betreft de hierna te noemen eenmanszaak en aandelen in de BV, als peildatum voor de waardering zal gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, 30 november 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2021/18
RFR 2021/48
JPF 2021/46 met annotatie van Reinhartz, B.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/298707 / FA RK 20-357

Beschikking d.d. 16 december 2020 betreffende de verdeling

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.S. Gerson, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. Q. Overeijnder, gevestigd te Monnickendam.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikkingen van deze rechtbank van 4 maart 2020 en 1 juli 2020 en de daarin vermelde stukken;

- het e-mailbericht, met als bijlage het formulier verdelen en verrekenen, van de advocaat van de vrouw van 6 augustus 2020;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 19 augustus 2020;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 6 november 2020;

- het e-mailbericht van de advocaat van de vrouw van 6 november 2020;

- de brief van de advocaat van de man van 10 november 2020;

- twee F-formulieren, met bijlage, van de advocaat van de man van 17 november 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2020.

Bij die gelegenheid is verschenen de man, bijgestaan door mr. M.S. Gerson, die pleit-aantekeningen heeft overgelegd.

De vrouw en haar advocaat zijn, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.3.

Bij beschikking van 4 maart 2020 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

1.4.

Bij beschikking van 1 juli 2020 is een kinderbijdrage vastgesteld en het verzoek
om een partnerbijdrage afgewezen. Voorts is de beslissing ten aanzien van de verdeling
pro forma aangehouden en bepaald dat de vrouw een formulier verdelen en verrekenen met onderbouwing dient te overleggen.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht om een bevel verdeling, met benoeming van een notaris en onzijdige personen.

2.2.

De man heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht te bepalen dat de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hem voorgestelde wijze, waarbij hij aan de vrouw een bedrag van € 15.091 moet betalen.

2.3.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

peildatum

2.4.

Als peildatum voor het bepalen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 30 november 2018.

2.5.

De man meent dat, gelet op de redelijkheid en billijkheid, voor de waardering van de ontbonden huwelijksgemeenschap moet worden aangesloten bij 30 november 2018.
Ten eerste vanwege het feit dat de waarde van de goederen van de gemeenschap
in overwegende mate wordt beïnvloedt door gebruik door degene die het betreffende goed onder zich heeft. Ten tweede omdat door de inspanningen van één van partijen verricht na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, de ondernemingsactiviteiten (zowel ten aanzien van [BV 1] als [eenmanszaak] ) zijn gecontinueerd, zodat het niet redelijk is dat deze inspanningen in de betreffende onderneming ten goede komen aan de andere partij.
Bovendien is het volgens de man niet redelijk uit te gaan van de waarde op het moment van feitelijke verdeling, omdat de vrouw de verdeling telkens probeert uit te stellen en het in overwegende mate aan haar is toe te rekenen dat die nog niet heeft plaatsgevonden.

2.6.

Als peildatum voor de waardering van de tot de ontbonden huwelijksgoederen-gemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel het tijdstip van de verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.
Gesteld noch gebleken is dat partijen een andere peildatum zijn overeengekomen.
De vraagt ligt nu voor, of op grond van de redelijkheid en billijkheid voor de waardering uit moet worden gegaan van 30 november 2018.

Voor wat betreft de waardering van (de aandelen van) een onderneming die uitsluitend door één van de echtgenoten wordt gedreven, acht de rechtbank het redelijk om vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap de ondernemersrisico’s - in positieve en negatieve zin - te laten bij die ondernemende echtgenoot.
Dit leidt tot de conclusie dat voor wat betreft de hierna te noemen eenmanszaak en aandelen in de BV, als peildatum voor de waardering zal gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, 30 november 2018.
Voor de overige tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de datum van feitelijke verdeling.

bestanddelen

2.7.

Uit de stukken volgt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap in ieder geval bestaat uit de volgende activa en passiva:

a. de auto;

b. de inboedel;

c. de bankrekeningen;

d. de eenmanszaak van de vrouw ( [eenmanszaak] );

e. de aandelen in [BV 1] ;

f. de studieschulden bij [organisatie] .

Met betrekking tot deze posten wordt als volgt overwogen.

ad a. de auto

Onweersproken staat vast dat de Hyundai Tuscon [kenteken] op 18 februari 2019 voor
€ 2.000 is ingeruild door de vrouw.
De vrouw dient in dit kader € 1.000 te betalen aan de man.

De vrouw stelt dat de waarde van de Tesla waarin de man rijdt, moet worden verdeeld.
De man betwist dit en stelt dat de Tesla een lease auto is van de BV en dus geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap, bovendien heeft hij die na de peildatum in gebruik genomen.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat de Tesla op de peildatum tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoorde. Haar verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

ad b. de inboedel

De man heeft verzocht de computer en zijn badjas aan hem toe te delen, vanwege de emotionele waarde. Voorts heeft hij verzocht de overige inboedel aan de vrouw toe te delen, tegen een waarde van € 8.000.

Nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek van de man worden toegewezen in die zin dat de vrouw aan de man moet overhandigen de computer en de badjas van de man en dat de overige inboedel aan haar wordt toebedeeld. Dit onder de verplichting voor de vrouw € 4.000 te vergoeden aan de man wegens overbedeling.

ad c. de bankrekeningen

Partijen zijn het er over eens, althans de vrouw heeft onvoldoende weersproken, dat op de peildatum de volgende bank- en spaarrekeningen aanwezig waren:

op naam van de vrouw:

  1. [rekeningnummer]

  2. [rekeningnummer]

  3. [rekeningnummer]

  4. [rekeningnummer]

op naam van beide partijen:

5. [rekeningnummer] : saldo € 0

6. [rekeningnummer] : saldo € 9.504,40

7. [rekeningnummer] : saldo € 0

8. [rekeningnummer] : saldo € 1

9. [rekeningnummer] : saldo € 0

10. [rekeningnummer] : saldo € 0

op naam van de man:

11. [rekeningnummer] : saldo € 183,81

11. [rekeningnummer] : saldo € 0

11. [rekeningnummer] : saldo €10,08

11. [rekeningnummer] : saldo € 0,04.

Niet betwist is dat ieder de op zijn eigen naam staande rekeningen behoudt.
Ook zijn partijen het er over eens dat het geld dat partijen voor de kinderen hebben gespaard op de op beider naam staande rekening met nummer [rekeningnummer] , voor de helft zal worden overgemaakt op een rekening op naam van [kind] en voor de helft op een rekening
op naam van [kind] .

Partijen twisten echter over de vraag aan wie het saldo van de overige rekeningen toekomt. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de saldi per peildatum (30 november 2018) bij helfte moeten worden verdeeld.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de op naam van beiden staande rekeningen zullen opheffen. De saldi van deze rekeningen moeten tussen hen bij helfte worden gedeeld, met uitzondering van het saldo van de rekening met nummer [rekeningnummer] .

Onduidelijk is wat de saldi van voornoemde op naam van de vrouw staande rekeningen op de peildatum zijn. De vrouw dient per ommegaande een bankafschrift van voornoemde rekeningen aan de man te overleggen waaruit blijkt wat het saldo op 30 november 2018 is, waarna de saldi bij helfte moeten worden verdeeld.

Uit de stukken blijkt dat de door de vrouw gestelde rekeningen op naam van de man met nummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer]

zijn opgeheven voor de peildatum, zodat deze niet in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen.

De rekening met nummer [rekeningnummer] is een bankrekening van [BV 1] , zodat deze niet tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort.

Vaststaat dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer] op naam van de eenmanszaak van de vrouw ( [eenmanszaak] ) staat.
Deze rekening zal dan ook hierna worden behandeld onder ad. d.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot verbeurt.

Het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van goederen vindt plaats telkens wanneer door de deelgenoot een handeling wordt verricht of iets nagelaten wordt met het oogmerk
de rechten van de andere deelgenoot te verkorten.

ad d. de eenmanszaak van de vrouw ( [eenmanszaak] )

Partijen zijn het erover eens dat de activa behorende tot de eenmanszaak [eenmanszaak] aan de vrouw worden toebedeeld.

Partijen twisten over de waarde van de activa van de eenmanszaak. Volgens de vrouw is de waarde nihil, de man stelt zich op het standpunt dat deze minimaal € 5.000 bedraagt.

Niet betwist is dat in de aangifte IB 2018 de activa van de eenmanszaak per 31 december 2018 zijn opgenomen voor een waarde van € 4.376.

Nu voor wat betreft de datum van waardering wordt aangesloten bij 30 november 2018, zal bij gebrek aan andersluidende gegevens worden uitgegaan van voornoemde waarde.
Dit betekent dat de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak] , waaronder het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] , worden toebedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 4.376, onder de verplichting voor de vrouw € 2.188 te vergoeden aan de man.
De vrouw dient daarnaast de eventuele schulden van de eenmanszaak als haar eigen schulden te voldoen.

ad e. de aandelen in [BV 1]

Vaststaat dat de man 100% aandeelhouder is van [BV 1] en dat deze holding op de peildatum 50% van de aandelen hield in [BV 2] .
Dit betekent dat slechts de aandelen in [BV 1] tot de ontbonden huwelijksge-meenschap behoren en niet de aandelen in [BV 2] .

Partijen zijn het er over eens dat de aandelen in [BV 1] worden toebedeeld aan de man. Zij twisten echter over de waarde van deze aandelen.

Volgens de man zijn de aandelen op 30 november 2018 € 83.700 netto waard.
Ter onderbouwing legt hij een berekening over van accountant [accountant] , alsmede een beoordeling van onafhankelijk adviesbedrijf [adviesbedrijf] .

Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat de vrouw het niet eens is met voornoemde waarde van de aandelen en dat zij zelf een waarderingsspecialist heeft ingeschakeld. Volgens de vrouw beschikt deze specialist niet over de juiste jaarstukken van de man, omdat niet alle jaarstukken zijn aangeleverd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de berekening van accountant [accountant] onvoldoende gemotiveerd betwist.
Uitgegaan zal dan ook worden van een waarde per 30 november 2018 van € 112.500 bruto, ofwel € 83.700 netto.

De aandelen in [BV 1] zullen tegen deze waarde aan de man worden toebedeeld, onder de verplichting voor de man de helft van deze waarde te vergoeden aan de vrouw.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdeling, levering en overdracht van de aandelen voor 30 november 2020 moet plaatsvinden, omdat na deze datum niet langer een beroep kan worden gedaan op de faciliteit geruisloos doorschuiven na echtscheiding en 25% (aanmerkelijk belang) belasting wordt geheven over de overgedragen aandelen.

Aangezien vorenbedoelde tweejaarstermijn reeds is verstreken, zal in het kader van de aandelenoverdracht belasting worden geheven. Beide partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor deze belastingschuld.

De man heeft verzocht vast te stellen dat hij zijn best heeft gedaan de vrouw tijdig te informeren en te wijzen op de bestaande risico’s ten aanzien van de verdeling van de aandelen ná 30 november 2020, en te bepalen dat de vrouw jegens hem aansprakelijk is voor de geleden en/of te lijden schade.

Deze verzoeken gaan het bestek van deze procedure te buiten. Ze zijn niet te kwalificeren als nevenvoorzieningen in de zin van de wet en zullen daarom worden afgewezen.

Voor zover de vrouw bedoeld heeft dat de rechtbank haar voorstel dat de man vanaf de peildatum het deel van de winst waar de vrouw recht op heeft naar haar overmaakt, opvat als een verzoek, zal dit worden afgewezen als te onbepaald. Het had op de weg van de vrouw gelegen dit verzoek te concretiseren en te onderbouwen.

ad f. de studieschulden bij [organisatie]

Onweersproken heeft de man gesteld dat uit de aangifte IB van partijen blijkt dat de vrouw eind 2018 een studieschuld bij [organisatie] had van € 5.000 en hij van € 34.518.

Ingevolge artikel 1:102 BW blijft na de ontbinding van de gemeenschap ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was. De interne draagplicht van de echtgenoten volgt uit artikel 1:100 lid 1 BW: ieder draagt de helft van deze schulden, tenzij anders is bepaald bij overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap.
Nu niet is gebleken dat partijen vorenbedoelde overeenkomst hebben gesloten, zijn zij ieder draagplichtig voor de helft van de twee schulden bij [organisatie] .

Degene die een schuld voor een groter deel heeft voldaan dan met zijn draagplicht overeenstemt, heeft voor het meerdere verhaal op de ander.

overig

2.8.

Partijen twisten over de vraag of tot de ontbonden huwelijksgemeenschap ook nog andere aandelen en bitcoins en/of cryptovaluta behoren.

Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw haar stelling dat partijen op de peildatum nog andere aandelen en bitcoins en/of cryptovaluta hadden, onvoldoende onderbouwd. Haar verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.

2.9.

De vrouw stelt dat zij een schuld heeft aan haar ouders van € 34.000, wegens door hen in 2018/2019 betaalde kosten van de huishouding van de vrouw en de kinderen in de periode dat de man haar in de steek heeft gelaten.
Ter onderbouwing van deze stelling heeft de vrouw een door haar en haar ouders getekende verklaring overgelegd.

De man betwist deze lening. De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de ouders daadwerkelijk de lening hebben verstrekt en dat zij (anders dan een gift) rekeningen en/of de door de vrouw opgesomde kosten daadwerkelijk hebben voorgeschoten. De door de vrouw overgelegde verklaring is niet gedateerd en/of gespecificeerd. Volgens de man was er geen enkele noodzaak voor de ouders om een lening aan de vrouw te verstrekken. Tot en met mei 2018 heeft hij zijn salaris op de gemeenschappelijke rekening gestort en zo de (gezamenlijke) lasten betaald. Daarna heeft hij alimentatie betaald.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van een lening van de ouders van de vrouw aan haar. Het enkel overleggen van een ondertekende (ongedateerde) verklaring is hiertoe onvoldoende. Het had op de weg van de vrouw gelegen om de noodzaak van de door haar gestelde lening te onderbouwen, alsmede bewijsstukken te overleggen waaruit specifiek blijkt wanneer haar ouders welke bedragen (voor welke kosten/uitgaven) hebben uitgeleend.
Nu de vrouw dit heeft nagelaten, zal haar verzoek terzake de lening worden afgewezen.

2.10.

De vrouw stelt dat de man de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij op 15 maart 2018 een bedrag van € 3.513 van de gezamenlijke spaarrekening heeft gehaald, zodat hij haar de helft daarvan moet teruggeven.

Door de man is hiertegen als verweer gevoerd dat hij met dit bedrag de huur van zijn woning heeft betaald, omdat hij met zijn salaris ook de huur van de echtelijke woning moest voldoen.

Vaststaat dat de man het bedrag heeft opgenomen van de gezamenlijke spaarrekening vóór de peildatum.
Ingevolge artikel 1:84 lid 1 BW komen, indien het inkomen ontoereikend is, de kosten van de huishouding ten laste van het gemeenschappelijke vermogen van partijen zolang het huwelijk niet is ontbonden.
Door de vrouw is niet betwist dat de man het bedrag heeft aangewend voor het betalen van de huur van zijn woning, omdat hij zijn salaris aanwendde voor het betalen van de echtelijke woning en andere kosten van de huishouding. Aangezien de huur van de woning van de man tot de peildatum kosten van de huishouding betreft, althans andere noodzakelijke ten laste van de gemeenschap komende kosten, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van benadeling van de gemeenschap voor het door de vrouw gestelde bedrag.
Haar verzoek op dit punt zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

2.11.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal bepaald worden dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

Gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederen-gemeenschap op de wijze zoals hierboven onder 2.7. is overwogen;

3.2.

verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. van Kamperdijk op 16 december 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..