Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10690

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1095
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. In geschil is of verweerder terecht de afkoopsom lijfrente ten bedrage van € 7.781 tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend en of de door verweerder in rekening gebracht revisierente tot een juist bedrag zijn berekend. Verweerder heeft reeds rekening gehouden met een bedrag van € 4.894 aan betaalde en niet in aftrek gebrachte premies. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de overgelegde stukken een aanspraak op aanvullende aftrek tot een bedrag van € 1.839 niet aannemelijk gemaakt. Voorts zijn de revisierente tot een juist bedrag in rekening gebracht gelet op artikel 30i van de Awr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-12-2020
V-N Vandaag 2020/3289
FutD 2021-0018
NTFR 2021/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: P.P. van Leeuwen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 22 juni 2019 aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.855. Tevens is bij beschikkingen € 161 aan belastingrente en € 1.556 revisierente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde P.P. van Leeuwen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [C] , is ongehuwd en heeft een zoon, [D] , geboren op [#] .

2. Eiser heeft bij [E] N.V. (hierna: [E] ) een lijfrenteverzekering afgesloten.

3. Eiser heeft deze lijfrenteverzekering in het jaar 2017 afgekocht. De waarde ten tijde van de afkoop bedroeg € 12.675. De ingehouden loonheffing bedroeg € 6.592.

4. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 27 februari 2018 informatie aan eiser verstrekt inzake de afkoop van een lijfrenteproduct en de in te dienen aangifte ib/pvv 2017.

5. Eiser heeft op 11 oktober 2018 aangifte ib/pvv over het jaar 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.444. Hierbij heeft eiser een afkoopsom lijfrente van € 2.370 aangegeven. Eiser heeft geen revisierente aangegeven.

6. Verweerder heeft met dagtekening 23 november 2018 een voorlopige aanslag ib/pvv 2017 aan eiser opgelegd conform de ingediende aangifte.

7. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 6 februari 2019 aangekondigd af te zullen wijken van de ingediende aangifte en eiser verzocht op dit voornemen te reageren. Eiser heeft hierop bij brief van zijn gemachtigde van 12 februari 2019 als volgt gereageerd:

“De door u voorgestelede wijziging is niet akkoord. De afwijking zit hem in de uitkering van [E] N.V. De heer [X] was in de veronderstelling dat dit een kapitaalverzekering was en heeft derhalve geen van de maandelijkse stortingen afgetrokken. Per 30 juni 2000 heeft de heer [X] eenmalig € 1.361,34 (NLG 3000,-) aan koopsom gestort bij [E] . Van dit bedrag heeft de heer [X] de helft afgetrokken in 1999 (terugwentelen kon toen nog) en de andere helft in 2000. Dat is alles wat hij ooit ter zake heeft afgetrokken.

De jaaropgaaf van [E] geeft € 12.675,- aan uitkering weer.

Er is in totaal € 11.666,- gestort bij [E] , waarvan voormelde € 1.361,- is afgetrokken. Per saldo is dus € 10.305,- nooit afgetrokken.

Op basis van de saldo methode moet er voor [E] dan € 12.675,- -/- € 10.305,- zijnde € 2.370,- worden aangegeven voor 2017.”

8. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 3 mei 2019 eiser om informatie verzocht ter zake van de niet-afgetrokken premies. Tevens heeft verweerder in de brief aangegeven bekend te zijn met niet afgetrokken premies ten bedrage van € 4.894 en daarmee rekening te zullen houden. Verweerder heeft op 27 mei 2019 een reactie van eiser ontvangen.

9. Verweerder heeft bij de aanslagregeling de afkoopsom lijfrente gecorrigeerd van € 2.370 naar € 7.781 (€ 12.675 -/- € 4.894). Over de afkoopsom is 20% revisierente berekend (€ 1.556).

10. Op 25 juni 2019 heeft verweerder een bezwaarschrift van eiser ontvangen.

11. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft verweerder bij brief met dagtekening 27 september 2019 een vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift aan eiser verzonden. Eiser heeft bij brief met dagtekening 8 oktober 2019 op dit voornemen gereageerd.

12. Verweerder heeft met dagtekening 5 december 2019 uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij verweerder het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

Geschil
13. In geschil is of de aanslag ib/pvv 2017 tot een juist bedrag is opgelegd. Met name is in geschil of verweerder terecht de afkoopsom lijfrente ten bedrage van € 7.781 tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend. Tevens is in geschil of verweerder de revisierente tot het juiste bedrag in rekening heeft gebracht.

14. Eiser stelt dat een bedrag aan niet afgetrokken premies van in totaal € 6.733 voldoende aannemelijk is gemaakt, middels het overleggen van de aangiftes ib/pvv van de jaren 1998 en 2000. De waarde van de afkoopsom lijfrente bedraagt dan ook € 5.942, waardoor het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld dient te worden op € 20.108. Tevens dient de revisierente verlaagd te worden. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag ib/pvv 2017.

15. Verweerder stelt dat de aanslag ib/pvv 2017 tot een juist bedrag is opgelegd en terecht een bedrag van € 7.781 als afkoopsom lijfrente tot het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de niet afgetrokken premies tot een hoger bedrag dan € 4.839 in aanmerking moeten worden genomen. Het enkel overleggen van de aangifte ib/pvv 1998 en 2000 is daartoe onvoldoende. Eiser heeft namelijk geen stukken zoals bijvoorbeeld aanslagen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de aangiften ook als zodanig zijn verwerkt. Tevens stelt verweerder dat de revisierente op het juiste bedrag is vastgesteld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

17. Artikel 3.133 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“ 1. Voorzover zich met betrekking tot een aanspraak op lijfrente (…) een in het tweede lid genoemde omstandigheid voordoet, worden de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement (artikel 3.137) bij de verzekeringnemer (…) als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.

2. Het eerste lid vindt toepassing indien:

(…)

d. de aanspraak wordt afgekocht (…)”

18. Volgens artikel 3.137, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt het bedrag aan negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking te nemen premies en bedragen en het daarover behaalde rendement gesteld op de waarde in het economisch verkeer van de lijfrente-aanspraak op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanspraak geacht wordt te zijn afgekocht.

19. Artikel 3.137, tweede lid, van de Wet IB 2001 betreft de codificatie van de goedkeuring uit het besluit van 10 mei 2010, nr. DGB 2010/3119M, welke wijziging is ingevoerd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009, en luidt als volgt:

“2. In aanvulling op het eerste lid wordt, ingeval een aanspraak wordt afgekocht, op de in het eerste lid, eerste volzin, genoemde waarde tot het in artikel 3.107a, tweede lid, aangegeven maximum in mindering gebracht de betaalde premies en bedragen ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen voor zover die in mindering te brengen premies en bedragen niet reeds:

a. bij een termijn of uitkering ingevolge artikel 3.107a, eerste lid, in mindering zijn gebracht, of

b. bij een eerdere afkoop ingevolge dit lid in mindering zijn gebracht.”

20. Uit artikel 3.137, tweede lid, van de Wet IB 2001 volgt dat op eiser de last rust aannemelijk te maken in hoeverre hij betaalde lijfrentepremies in voorgaande jaren niet heeft afgetrokken. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de premies niet in eerdere jaren zijn afgetrokken heeft eiser de ingediende aangiftes ib/pvv van de jaren 1998 en 2000 overgelegd. Dat verweerder verlangt dat eiser ook de aanslagen overlegd is een verzwaring van de bewijslast, namelijk van het ‘aannemelijk maken’ naar het ‘doen blijken’. Eiser beschikt niet (meer) over de aanslagen van de jaren 1998 en 2000 en daarnaast ligt het op de weg van verweerder om die aanslagen te overleggen.

22. Verweerder heeft reeds rekening gehouden met een bedrag van € 4.894 aan betaalde en niet in aftrek gebrachte premies. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de overgelegde stukken een aanspraak op aanvullende aftrek tot een bedrag van € 1.839 niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft eiser diverse bescheiden overgelegd, maar daaruit kan nog niet worden afgeleid dat eiser geen premies van lijfrente in aftrek heeft gebracht. Daarvoor is immers verifieerbare informatie nodig over de wijze waarop een en ander uiteindelijk bij de aanslagregeling is verwerkt, en een verklaring van eiser of de gemachtigde volstaan daarvoor niet. Dat eiser stelt in bewijsnood te verkeren, omdat hij niet meer over de aanslagen beschikt kan verweerder niet tegengeworpen worden. Dat verweerder evenmin over de aanslagen beschikt kan niet tot de conclusie leiden dat van eiser geen bewijs mag worden verlangd.

23. Op grond van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) wordt 20% revisierente verschuldigd indien door de toepassing van artikel 3.133 van de Wet IB 2001 een lijfrente-aanspraak tot het loon wordt gerekend. Aangezien verweerder door rekening te houden met een bedrag van € 4.894 aan betaalde en niet afgetrokken premies de lijfrenteaanspraak terecht en tot het juiste bedrag (€ 7.781) tot het loon heeft gerekend, leidt de toepassing van artikel 30i van de Awr ertoe dat verweerder de beschikking revisierente terecht tot een bedrag van € 1.556 heeft vastgesteld.

24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2020 door mr. M.W. Koenis, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.