Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10687

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
8735939 \ CV EXPL 20-7318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Ambtshalve toetsing. Korting toegepast op abonnementstermijnen wegens schending informatieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8735939 \ CV EXPL 20-7318

Uitspraakdatum: 16 december 2020

Verstekvonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ziggo B.V.

gevestigd te Utrecht

de eisende partij

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De verdere procedure

1.1.

Op 21 oktober 2020 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan 21 oktober 2020 wordt naar dit tussenvonnis verwezen.

1.2.

Bij akte van 18 november 2020 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij het tussenvonnis van 21 oktober 2020 heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende factuur van 18 juli 2019 in het geding te brengen. Bij de akte van 18 november 2020 heeft de eisende partij alsnog afdoende toegelicht hoe haar vordering is opgebouwd.

2.2.

De eisende partij heeft gesteld dat zij met de gedaagde partij per 24 november 2018 een overeenkomst heeft gesloten. De eisende partij heeft een e-mail aan de gedaagde partij overgelegd van 24 november 2018 waarin een bestelling is bevestigd van Kabel TV, TV Standard, Ziggo Movies and Series, Internet Complete, Safe Online en Bellen. De eisende partij heeft op 6 november 2019 de overeenkomst beëindigd wegens wanbetaling. De eisende partij heeft verder gesteld dat de overeenkomst online is gesloten. De eisende partij heeft algemene voorwaarden overgelegd van 1 juli 2018.

2.3.

De eisende partij vordert (onder meer) betaling van € 80,57 aan abonnementstermijnen over de periode 1 september 2019 tot en met 6 november 2019.

De wettelijke informatieverplichtingen van artikelen 6:230m en 6:230v BW

2.4.

Op grond van artikelen 6:230m en 6:230v BW dient de eisende partij - kort gezegd - voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op afstand op passende, duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW opgesomde informatie aan de consument te verstrekken. Voor wat betreft de kenmerken van de zaak of dienst, de prijs en kosten, de duur van de overeenkomst en voorwaarden voor opzegging en de minimumduur dient zij daarbij onmiddellijk voorafgaand aan het plaatsen van de bestelling tevens op een in het oog springende wijze op deze informatie te wijzen. Het doel van artikel 6:230m lid 1 BW is om de consument de mogelijkheid te geven een weloverwogen besluit te nemen over zijn aankoop. Een verwijzing achteraf naar waar de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW op de website dan wel in de algemene voorwaarden kan worden gevonden, is, gelet op voornoemd doel, niet in alle gevallen afdoende.

Daarnaast moet de eisende partij binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst een bevestiging van de overeenkomst verstrekken op een duurzame gegevensdrager, met daarin alle in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie.

2.5.

Wat betreft de precontractuele informatieverplichtingen licht de eisende partij in productie 3 toe waar (maar overigens niet sinds wanneer) de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde en op de overeenkomst toepasselijke wettelijke informatie op haar website te vinden is. De eisende partij verwijst hiervoor ook naar de algemene voorwaarden.

Uit de stellingen en toelichting daarop in de dagvaarding en de overgelegde producties, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet, althans onvoldoende, dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, bijvoorbeeld gedurende het online bestelproces, alle van toepassing zijnde informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de gedaagde partij heeft verstrekt. Verwijzingen naar bepalingen in haar algemene voorwaarden en naar de optie ‘veelgestelde vragen’ op de website volstaan niet. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de eisende partij op juiste wijze aan haar precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan.

2.6.

Wat betreft de contractuele informatieverplichtingen heeft de eisende partij een e-mail overgelegd waarin zij de overeenkomst met de gedaagde partij heeft bevestigd. In deze e-mail, die als duurzame gegevensdrager kan worden aangemerkt, wordt op een aantal van de contractuele informatieverplichtingen expliciet gewezen. Dat geldt echter niet voor de ingangsdatum van de overeenkomst, zodat onduidelijk is binnen welke termijn de eisende partij zich verbindt de diensten te verlenen en per wanneer voor de gedaagde partij een betalingsverplichting ontstaat.

2.7.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet (volledig) aan de verplichtingen van artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW is voldaan.

2.8.

Gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU moet de kantonrechter aan de schending van de informatieverplichtingen gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. Met het oog op deze Europeesrechtelijke beginselen ziet de kantonrechter aanleiding om de overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde prijs. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 en 3:41 BW, en/of aan de artikelen 6:193d en 6:193f BW, omdat de schending van de informatieverplichtingen ook een oneerlijke handelspraktijk is. Dit betekent dat van de gevorderde hoofdsom van € 80,57 aan abonnements- en verbruikskosten, een bedrag van € 60,43 toewijsbaar is.

Conclusie

2.9.

Een hoofdsom van € 60,43 is toewijsbaar. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 40,00.

2.10.

De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing is opgenomen.

2.11.

De gedaagde partij wordt als de meest in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast. De kosten voor de te nemen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 100,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 60,43 vanaf de vervaldata van de verschillende facturen tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

€ 86,85 wegens dagvaardingskosten,

€ 124,00 wegens griffierecht en

€ 36,00 wegens salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter