Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10677

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV. Voor 2012 en 2013 vernietigd hangende beroep. Voor 2014 terecht opgelegd; aftrek specifieke zorgkosten niet aannemelijk gemaakt, geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel en geen strijd met correctiebeleid. Recht op een immateriele schadevergoeding en een proceskostenvergoeding. Wegingsfactor 1 en een punt voor de zitting in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-12-2020
FutD 2020-3874
NTFR 2021/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3109 tot en met HAA 19/3111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2012, 2013 en 2014 de hierna vermelde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar de hierna vermelde bedragen. Daarnaast zijn bij beschikkingen de hierna vermelde bedragen aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastingrente

HAA 19/3109

2012

9 december 2017

€ 14.227

€ 30

HAA 19/3110

2013

25 november 2017

€ 13.990

€ 40

HAA 19/3111

2014

25 november 2017

€ 13.982

€ 39

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen en beschikkingen als volgt verminderd:

Zaaknummer

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastingrente

HAA 19/3232

2012

23 mei 2019

gehandhaafd

gehandhaafd

HAA 19/3233

2013

8 juni 2019

€ 13.981

gehandhaafd

HAA 19/3234

2014

8 juni 2019

€ 13.952

€ 38

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft bij het verweerschrift in alle zaken ten aanzien van delen van de bijlagen bij het verweerschrift een beroep gedaan op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De geheimhoudingskamer heeft bij beslissing van 18 mei 2020 het verzoek van verweerder tot beperkte kennisneming voor de betreffende bijlagen toegewezen. Bij brief van 27 mei 2020 heeft eiseres de rechtbank geen toestemming verleend kennis te nemen van de haar niet ter beschikking staande delen van de gedingstukken. De rechter heeft daarvan in deze zaken dan ook geen kennis genomen.

Verweerder heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2020 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

HAA 19/3109 (2012)

1. Op 7 januari 2015 is de aanslag voor het jaar 2012 conform de ingediende aangifte aan eiseres opgelegd. Daarbij is een aftrekbaar bedrag van € 529 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.

2. Nadat deze aftrek bij de navordering geheel werd teruggenomen, heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar deze navorderingsaanslag gehandhaafd. Er is dus na het aanwenden van het rechtsmiddel bezwaar ten opzichte van de opgelegde (primitieve) aanslag per saldo een correctie op het belastbare inkomen van € 529 aangebracht. De belastingcorrectie bedraagt per saldo € 175.

3. Verweerder heeft eiseres bij de uitspraak op bezwaar geen vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend.

4. Verweerder heeft bij brief van 22 september 2020 laten weten dat de navorderingsaanslag voor het jaar 2012 vernietigd is vanwege strijd met het correctiebeleid van de Belastingdienst. Verweerder biedt aan om het griffierecht en daarnaast € 522 te vergoeden voor de kosten van bezwaar, € 525 voor de proceskosten in beroep en een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 1.000 te betalen bij intrekking door eiseres van haar beroep in de zaken over 2012 en 2013.

5. Eiseres heeft de rechtbank daarop laten weten dat zij het beroep niet intrekt om de reden dat zij de aangeboden kostenvergoeding te laag vindt.

HAA 19/3110 (2013)

6. Op 11 februari 2015 is de aanslag voor het jaar 2013 conform de ingediende aangifte aan eiseres opgelegd. Daarbij is een aftrekbaar bedrag van € 1.236 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.

7. Bij navordering werd een bedrag van € 442 in aftrek toegelaten en een bedrag van € 794 teruggenomen, waardoor € 294 aan belasting gecorrigeerd werd. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder een totaal aftrekbedrag van € 451 toegelaten. Er is dus na het aanwenden van het rechtsmiddel bezwaar ten opzichte van de opgelegde (primitieve) aanslag per saldo een correctie op het belastbare inkomen van € 785 aangebracht. De belastingcorrectie bedraagt per saldo € 291.

8. Verweerder heeft eiseres bij de uitspraak op bezwaar geen vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend.

9. Verweerder heeft bij brief van 22 september 2020 laten weten dat de navorderingsaanslag voor het jaar 2013 vernietigd is vanwege strijd met het correctiebeleid van de Belastingdienst en heeft de onder 4 beschreven vergoedingen aangeboden bij intrekking van het beroep door eiseres.

10. Eiseres heeft de rechtbank daarop laten weten dat zij het beroep niet intrekt om de reden dat zij de aangeboden kostenvergoeding te laag vindt.

HAA 19/3111 (2014)

11. Op 19 juni 2015 is de aanslag voor het jaar 2014 conform de ingediende aangifte aan eiseres opgelegd. Daarbij is een aftrekbaar bedrag van € 1.667 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.

12. Bij navordering werd een bedrag van € 582 in aftrek toegelaten en een bedrag van € 1.085 teruggenomen, waardoor € 394 aan belasting gecorrigeerd werd. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder een aftrekbedrag van in totaal € 612 toegelaten. Er is dus na het aanwenden van het rechtsmiddel bezwaar ten opzichte van de opgelegde (primitieve) aanslag per saldo een correctie op het belastbare inkomen van € 1.055 aangebracht. De belastingcorrectie bedraagt per saldo € 383.

13. Verweerder heeft eiseres bij de uitspraak op bezwaar geen vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend.

Alle zaken

14. Tot de stukken van het geding behoort een stuk getiteld “CORRECTIEBELEID, Versie 2.1.” voorzien van de datum 30 maart 2011 (het correctiebeleid). Dat stuk heeft onder meer de volgende inhoud:

“1. Context
In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve correcties (op de grondslag) op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt.

[…]
2. Correctiebeleid
Een bedrag van niet meer dan € 225 kan als een ‘gering bedrag” beschouwd worden. Op basis hiervan geldt het volgende correctiebeleid:
1. Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van € 225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige; […]
3. Het te hanteren bedrag bij een inkomenscorrectie bedraagt € 500;
4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen)”

15. In de aanloop naar het opleggen van de navorderingsaanslagen zijn aan eiseres vragenbrieven ten aanzien van de geclaimde aftrek voor specifieke zorgkosten gestuurd. Een deel van de bewijsstukken is daarop door eiseres verstrekt. Na het opleggen van de navorderingsaanslag heeft eiseres meer bewijsmiddelen overgelegd, waarna bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag is verminderd op basis van die stukken.

16. Een van de tot het dossier in alle zaken behorende bewijsmiddelen is een verklaring met datum 5 september 2016 die is ondertekend door een huisarts van een huisartsenpraktijk in [C] . Buiten de genoemde datering bevat de verklaring geen aanduiding van een periode waarop de verklaring betrekking heeft. Op de verklaring is onder meer het volgende vermeld:

“Bovengenoemde patiente [eiseres] is bekend met overmatig zweten door haar medicijngebruik, welke zij helaas niet kan stoppen.”

17. Eiseres heeft over de aanslag ib/pvv voor het jaar 2015 geprocedeerd. In de uitspraak over die aanslag van deze rechtbank van 10 augustus 2018 (zaaknummer HAA 18/285) is niets vermeld over overmatig zweten en daarin staat ook niets over een aftrek voor extra kleding of beddengoed.

Geschil

18. In geschil is of de navorderingsaanslag over het jaar 2014 vernietigd moet worden en welke proceskostenvergoeding voor beroep en bezwaar aan eiseres toekomt. Daarnaast verzoekt eiseres om een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak in bezwaar en beroep in deze zaken.

Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslagen 2012 en 2013

19. Vanwege de vernietiging van de navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 (zie onder 4) en ib/pvv 2013 (zie onder 9) dienen de beroepen die op die navorderingsaanslagen betrekking hebben gegrond te worden verklaard.

Navorderingsaanslag 2014, specifieke zorgkosten

20. De op een belastingplichtige drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten komen in aftrek op grond van artikel 6.1 van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 6.17, eerste lid en onder g, van de Wet IB 2001, worden uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Ingevolge artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 worden deze uitgaven in aanmerking genomen indien ze voortvloeien uit ziekte of invaliditeit en deze ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

21. Eiseres stelt dat zij recht heeft op de aftrek voor extra kleding en beddengoed
van € 310 en verwijst daarbij primair naar de verklaring van de huisarts. Verweerder heeft het recht op de aftrek betwist, omdat uit de verklaring van de huisarts uit het jaar 2016 niet blijkt of het overmatige zweten zich in het jaar 2014 heeft voorgedaan en ook niet welke ziekte daar aan ten grondslag ligt.

22. De verklaring van de huisarts is gedateerd op 5 september 2016. Dat is een aanmerkelijke tijd na afloop van het kalenderjaar 2014. De verklaring bevat geen aanduiding van de periode waarop de verklaring betrekking heeft. Verder wordt uit de verklaring niet duidelijk of sprake is van een ziekte of invaliditeit ten gevolge waarvan het overmatige zweten optreedt. Het enkele vermelden van “medicijngebruik” doet vermoeden dat sprake is van een bepaalde reden voor dat gebruik, maar geeft over het bestaan van een ziekte of invaliditeit geen uitsluitsel. Als er al sprake zou zijn van een ziekte of invaliditeit, dan acht de rechtbank op grond van deze verklaring niet aannemelijk dat deze zich reeds in 2014 heeft voorgedaan en ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren. Eiseres is in haar bewijslast niet geslaagd, zodat op grond van de onder 20 beschreven regels geen recht bestaat op de aftrek voor extra kleding en beddengoed.

Navorderingsaanslag 2014, vertrouwensbeginsel

23. Eiseres beroept zich voor het verlenen van de aftrek voor extra kleding en beddengoed tevens op het vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat bij de over het jaar 2015 gevoerde beroepsprocedure de aftrek op basis van dezelfde huisartsverklaring als zij nu overlegt, wel is verleend. Verweerder wijst erop dat in de procedure over het jaar 2015 hierover geen oordeel is gegeven en dat de aftrek in een eerdere fase dan bij het beroep verleend was.

24. Of sprake is van een in rechte te beschermen vertrouwen hangt af van de waardering van omstandigheden die bij eiseres het vertrouwen hebben kunnen wekken dat een bepaalde aangelegenheid berust op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur1. Die omstandigheden kunnen ook gelegen zijn in de fiscale behandeling die al heeft plaatsgehad inzake een later belastingjaar2.

25. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van omstandigheden die een in rechte te beschermen vertrouwen opleveren, rust op eiseres. De door eiseres genoemde beroepsprocedure vermeldt over de aftrek voor extra kleding en beddengoed niets. Ook blijkt niet uit de uitspraak over 2015 en ook niet uit de stukken van het dossier in de onderhavige zaak over 2014 dat de genoemde aftrek bij de aanslagregeling 2015 onderwerp van discussie is geweest in die zin dat de inspecteur daarover bewust een standpunt heeft ingenomen. Voor het wekken van in rechte te beschermen vertrouwen is immers meer nodig dan het enkele volgen van een aangifte in een jaar. Eiseres is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat haar een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, zodat deze stelling faalt.

Navorderingsaanslag 2014, correctiebeleid

26. Nu geen recht bestaat op de aftrek voor extra kleding en beddengoed en aangezien eiseres in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen andere kosten of uitgaven die door de inspecteur als aftrek voor specifieke zorgkosten geweigerd zijn, blijft in beroep in beginsel sprake van een navordering van een belastingbedrag van € 383 en een correctie op het belastbare inkomen van € 1.050. Eiseres heeft echter ook aangevoerd dat de navordering in strijd is met het correctiebeleid van de Belastingdienst. Dit beleid houdt volgens eiseres in dat navordering achterwege moet blijven wanneer het nagevorderde belastingbedrag onder de correctiegrens van € 450 is komen te liggen. Eiseres wijst op de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 1 oktober 2020, LEE 19/993. Verweerder stelt daartegenover dat het correctiebeleid ook inhoudt dat bij een inkomenscorrectie van € 1.000 of meer nagevorderd wordt, ook als het belastingbedrag laag is. Mogelijk wordt hoger beroep ingesteld tegen de door eiseres genoemde uitspraak. Bovendien hebben Rechtbank Noord-Holland en het Gerechtshof Amsterdam (in zijn uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2990) geoordeeld dat bij enkel een inkomenscorrectie van € 1.000 de navordering in stand blijft, aldus verweerder.

27. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de genoemde uitspraak geoordeeld dat de navorderingsaanslag onder “de bedragen” blijft van het correctiebeleid en daarom moet worden vernietigd. In die zaak was geen sprake van een inkomen boven de correctiegrens en een belastingbedrag onder de correctiegrens. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat het Hof in deze uitspraak niet meer dan de feitelijke constatering deed dat beide bedragen onder de grens lagen, nu de kwestie als hier aan de orde met een hoger inkomensbedrag en een lager belastingbedrag niet voor lag. Niettemin acht de rechtbank, zoals zij in vaste jurisprudentie en anders dan Rechtbank Noord-Nederland heeft geoordeeld3, de uitleg juist dat een navordering gehandhaafd wordt indien ofwel het gecorrigeerde inkomensbedrag boven de correctiegrens voor het inkomen ligt ofwel het belastingbedrag boven de correctiegrens voor de belasting ligt. Zoals kan worden afgeleid uit punten 1 en 3 van dat beleid, bevat het correctiebeleid voor aanslagen twee afzonderlijke normen die elk voor zich tot uitvoering van de correctie leiden. Naar moet worden aangenomen is datzelfde bedoeld, zij het met hogere bedragen, voor het geval van navordering (zie punt 4 van het beleid). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verzamelinkomen een relevante waarde is voor diverse inkomensafhankelijke regelingen. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat de Belastingdienst bij aanmerkelijke correcties van het verzamelinkomen de navordering wenst te handhaven, ondanks dat het belastingbedrag gering is. Dit brengt met zich dat de onderhavige navorderingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank niet strijdig is met het correctiebeleid van de Belastingdienst.

Slotsom 2014

28. De navorderingsaanslag ib/pvv 2014 is terecht opgelegd.

Immateriële schadevergoeding

29. Eiseres verzoekt om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn van twee jaar voor het doen van een uitspraak in bezwaar en beroep.

30. Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden4. Het bezwaarschrift in deze zaken is ingediend op 27 december 2017, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 23 mei 2019 en de rechtbank doet uitspraak op 11 december 2020. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld noch gebleken. Daarom is de redelijke termijn overschreden met (afgerond) twaalf maanden. De overschrijding is voor elf maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor één maand aan de beroepsfase. Gelet op hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in totaal € 1.000 (2 x € 500). Hiervan dient een bedrag van € 917 door verweerder vergoed te worden en een bedrag van € 83 door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid). Hierbij is in aanmerking genomen dat sprake is van drie samenhangende zaken.

Proceskosten

31. Verweerder stelt dat de zitting wat betreft de jaren 2012 en 2013 achterwege had kunnen blijven omdat eiseres over de hoogte van de aangeboden vergoeding met verweerder contact had kunnen zoeken. Verweerder blijft bij het eerder aangeboden bedrag (zonder punt voor de zitting bij de rechtbank). De gemachtigde van eiseres stelt dat zij recht heeft op de toepassing van wegingsfactor 1,5 (zwaar) voor het gewicht van de zaak vanwege de hoeveelheid werk en energie die de zaken hebben gekost. Aangezien verweerder niet bereid is gebleken om factor 1,5 te vergoeden, is het standpunt van eiseres dat het geen zin heeft om daarover met verweerder te spreken en wordt dit standpunt ter zitting verdedigd en voorgelegd aan de rechtbank.

32. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid. De hoeveelheid werk van een gemachtigde is daarbij niet doorslaggevend, maar wel de gecompliceerdheid van zijn werkzaamheden. In beginsel wordt de wegingsfactor op 1 (gemiddeld) gesteld, tenzij er aanleiding is om van dat uitgangspunt af te wijken. Indien daarover wordt geklaagd, toetst de rechter de in eerdere fasen van het geding toegekende proceskostenvergoeding volledig en niet marginaal. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak5.

33. De proceskosten voor het beroep in de zaken over de jaren 2012, 2013 en 2014 dienen vergoed te worden. Voor het jaar 2014 uitsluitend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Voor het bezwaar heeft verweerder laten weten de kosten enkel voor 2012 en 2013 te willen vergoeden. Indien sprake is van ten hoogste drie samenhangende zaken is echter niet relevant of voor twee of drie zaken aanspraak gemaakt wordt op een vergoeding. In deze drie zaken, die gelijktijdig behandeld zijn, konden de werkzaamheden van gemachtigde als geheel nagenoeg identiek zijn. Daarom is sprake van samenhang van deze drie zaken en worden zij beschouwd als één zaak. De rechtbank acht deze zaken in hun aard niet van een grotere complexiteit of van een groter belang dan een gemiddelde zaak. In complexiteit en belang steeg deze zaak niet uit boven de zaak zoals die in hoger beroep voorlag bij het Gerechtshof Amsterdam en die leidde tot de uitspraak van 28 mei 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1409), waarbij het Gerechtshof wegingsfactor 1 (gemiddeld) toekende. Er is daarom geen aanleiding om een zwaardere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) toe te kennen.

34. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Het punt voor de zitting in beroep kent de rechtbank toe, aangezien de gemachtigde van eiseres door de rechtbank is uitgenodigd voor de zitting en hij ook verschenen is.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen in zaaknummers HAA 19/3109 (2012) en HAA 19/3110 (2013) gegrond;

  • -

    verklaart het beroep in zaaknummer HAA 19/3111 (2014) ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar in zaaknummers HAA 19/3109 (2012) en
    HAA 19/3110 (2013) en bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats komt;

  • -

    vernietigt – indien dat heden nog niet is gebeurd – de navorderingsaanslagen ib/pvv over 2012 en 2013;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 917;

  • -

    veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 83;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.572, en

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is op 11 december 2020 gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179.

2 Hoge Raad 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1501.

3 Zie onder meer Rechtbank Noord-Holland 21 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8757.

4 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

5 Vergelijk Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 en Gerechtshof
’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638.