Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10665

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
8595215 CV EXPL 20-5347
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Loon verschuldigd over voor aanvang dienstverband gewerkte uren omdat werkzaamheden meer om lijf hadden dan kennismaking. Geen loon over tijdens vakantie gewerkte uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8595215 CV EXPL 20-5347

Uitspraakdatum: 4 november 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. L. van Dijk

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever]

gevestigd te Nieuw-Vennep

gedaagde partij

hierna te noemen: [werkgever]

verschenen bij haar directeur [directeur]

1 Het procesverloop

1.1.

[werkneemster] heeft bij dagvaarding van 12 juni 2020 een vordering tegen [werkgever] ingesteld. [werkgever] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Bij tussenvonnis van 8 juli 2020 heeft de kantonrechter bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden.

1.3.

Deze mondelinge behandeling heeft op 5 oktober 2020 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [werkneemster] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en [directeur] (hierna [directeur] ) heeft een verklaring voorgelezen. .

1.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren [in 1993] , is bij [werkgever] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een looptijd van 1 december 2020 tot 1 december 2021, in de functie van Strategisch & Operationeel Manager tegen een salaris van € 3.510,- bruto per maand exclusief emolumenten op basis van 40 uur per week. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van twee maanden opgenomen.

2.2.

[werkgever] is een onderneming die werkt aan innovatieve oplossingen voor het automatiseren van productieprocessen.

2.3.

In de periode tussen 13 en 30 november 2019 heeft via Whatsapp – voor zover relevant – de volgende conversatie tussen [werkneemster] en [directeur] , directeur van [werkgever] (hierna [directeur] ) plaatsgevonden:

‘[13-11-2019 21:35:33] [directeur] ( [werkgever] ): Hoi [werkneemster] , wil je je morgen ff melden bij [voornaam 1] ipv [voornaam 2] .
Voor morgen heb ik volgende bedacht:
- opdracht in concept uitwerken, is iets wat ik graag wil gaan toepassen klanten meenemen in beleving opbouw van "hun installatie"
- bezoek vestiging Alkmaar maar dit kan ook vrijdag
- evt mee naar klant s middags of alternatief programma: praten met diverse (toekomstige collega's om je te verdiepen in wie we zijn en wat we doen.
Je kunt mij evt bellen voor meer info vanavond Morgen ben ik alleen vroeg bereikbaar of na 11
[13-11-2019 21:38:33] [directeur] ( [werkgever] ): Voor vrijdag heb ik [voornaam 2] gevraagd of ze jou kan introduceren in onze digitale structuur dus verkoopinfo, offertes etc etc
Daar zijn jullie wel ff zoet mee denk
S middags kun je evt aanschuiven bij allerlei meetings die ik heb of bij meetings die intern gehouden worden om zo sfeer en cultuur op te snuiven
Beetje duidelijk en ok voor jou?
Gr en prettige avond verder
[voornaam directeur]
[13-11-2019 21:49:59] [werkneemster] : Hoi [directeur] ! Over de eerste 'klanten meenemen in beleving opbouw van "hun installatie" bel ik je anders morgen even na 11. Ik denk dat het handig is als ik een rondje kan doen en iedereen wat vragen kan stellen /meekijken en e.e.a. kan noteren. Naar Alkmaar, rijd ik dan met iemand of met jou mee? Voor Vrijdag is dat allemaal goed!
(13-11-2019 21:51:11] [werkneemster] : P.s. mee naar de klant is ook goed.
(…)[26-11-2019 10:39:00] [directeur] ( [werkgever] ): Morgen mee naar [klant] lukt dan ook niet ? En ik had je al aangemeld bij projectleidersoverleg
[26-11-2019 10:40:44] [werkneemster] : [klant] lukt wel, hoelaat is het projectleidersoverleg?
[26-11-2019 11:01:57] [directeur] ( [werkgever] ): 1700 dus aansluitend
[26-11-2019 11:06:07] [directeur] ( [werkgever] ): Kan evt wel zorgen dat je thuis komt Zal ik je morgen dan ff ophalen 1445? [klant] is volgens mij bij jou in de buurt ...
[26-11-2019 11:16:10] [werkneemster] : Ja dat is goed. [26-11-2019 11:16:18] [werkneemster] : Top dat kan!
[27-11-2019 12:18:02 [werkneemster] : Hoi! (…). Jij bent hier om 14:45 toch?
[27-11-2019 12:53:57] [directeur] ( [werkgever] ): Ja waar moet ik zijn?
(…)
[27-11-2019 14:46:05] [werkneemster] : Ik zie je! Kom naar beneden
(…)’

2.4.

Nadat tussen [werkneemster] en [directeur] strubbelingen in de samenwerking waren ontstaan, heeft [werkneemster] [werkgever] bij e-mail van 21 januari 2020 heeft [werkneemster] aan [werkgever] – voor zover relevant – het volgende geschreven:

‘(…). De afgelopen week heb ik wat tijd gehad om al het voorgaande te laten bezinken en ben ik eigenlijk tot de conclusie gekomen dat het misschien maar beter is voor mij, en misschien voor jou, als ik niet meer werkzaam ben bij [werkgever] . (…). Ik hoop dat je akkoord gaat met het beëindigen van de overeenkomst. We zitten nog binnen de proeftijd en ik heb in ieder geval al een keuze voor mijzelf gemaakt. (…)’

2.5.

Bij brief van 30 januari 2020 heeft [werkneemster] [werkgever] verzocht het salaris over januari 2020 en de eindafrekening te voldoen.

2.6.

Bij brief van 3 februari 2020 heeft [werkgever] aan [werkneemster] bevestigd dat het dienstverband door haar opzegging in de proeftijd is geëindigd op 21 januari 2020. Verder is aangegeven dat [werkgever] pas tot het opstellen van een eindafrekening overgaat nadat [werkneemster] alle digitale bestanden, schriftelijke aantekeningen en materialen die zij tijdens haar dienstverband tot stand heeft gebracht, bij [werkgever] heeft ingeleverd.

2.7.

Bij e-mail van 20 februari 2020 heeft (de gemachtigde van) [werkneemster] aangegeven dat zij alle opgevraagde documenten bij [werkgever] heeft achtergelaten. Verder is het verzoek om tot uitbetaling van de eindafrekening (inclusief salaris over januari 2020) over te gaan herhaald, waarbij door [werkneemster] ook aanspraak is gemaakt op loon over gewerkte dagen in november 2019.

2.8.

Bij e-mail van 23 februari 2020 heeft [werkgever] herhaald dat zij pas tot uitbetaling overgaat nadat [werkneemster] de eerder opgevraagde documenten heeft verstrekt, met dien verstande dat op de eindafrekening het negatieve verlofsaldo in mindering zal worden gebracht. [werkgever] heeft verder betwist dat [werkneemster] aanspraak heeft op loon over dagen in november 2019.

2.9.

Bij e-mail van 13 maart 2020 heeft [werkneemster] [werkgever] opnieuw gesommeerd tot betaling van achterstallig salaris over te gaan, waarbij tevens waarbij aanspraak is gemaakt op salaris over tijdens haar vakantie in december 2020 gewerkte uren.

2.10.

[werkgever] heeft hieraan geen gehoor gegeven, waarna [werkneemster] deze procedure is gestart.

3 De vordering

3.1.

[werkneemster] vordert dat de kantonrechter [werkgever] vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [werkgever] veroordeelt om aan [werkneemster] te betalen:

I. [werkgever] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werkneemster] te betalen:

A. een bedrag van € 2.626,21 bruto aan loon over de periode 1 tot en met 21 januari 2020;

B. een bedrag van € 729,-- bruto aan loon over de gewerkte uren tijdens de vakantie;

C. een bedrag van € 810,-- bruto voor de 5 dagen die zij voor ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft gewerkt;

D. de wettelijke verhoging van 50% over de bedragen onder A tot en met C;

E. een bedrag van € 300,-- voor de buitengerechtelijke incassokosten;

F. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag van de voldoening;

II. [werkgever] te veroordelen om een eindafrekening op te maken ter zake pro rato opgebouwd vakantiegeld en te voldoen binnen 10 dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 5.000,--;

III. [werkgever] te veroordelen in de kosten van deze procedure, een bedrag aan salaris van de gemachtigde van [werkneemster] daaronder begrepen;

IV. [werkgever] te veroordelen in de nakosten ad € 157,- aan salaris gemachtigde, dan wel € 239,- aan salaris gemachtigde indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [werkgever] niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis heeft voldaan, alsmede de explootkosten van de betekening van het vonnis.

3.2.

[werkneemster] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat haar dienstverband per 22 januari is geëindigd en dat zij het salaris over de periode van 1 januari tot en met 21 januari 2020 ten onrechte niet heeft ontvangen.. [werkneemster] betwist dat met het salaris over januari 2020 een negatief verlofsaldo moet worden verrekend. Zij stelt verder dat op het negatieve verlofsaldo 36 uur in mindering moet worden gebracht omdat zij die uren tijdens haar vakantie in december 2019 voor [werkgever] heeft gewerkt. Verder stelt [werkneemster] dat zij recht heeft op loon over dagen die zij in november 2019 al voor [werkgever] heeft gewerkt (in totaal 40 uur).

3.3.

Ook moet een eindafrekening worden opgemaakt van de pro rata opgebouwde vakantietoeslag op straffe van een dwangsom. [werkgever] is wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd omdat zij in verzuim is te betalen waar [werkneemster] recht op heeft. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW.

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat [werkneemster] een negatief verlofsaldo heeft van 85 uur (uitgaande van 20 januari 2020 als laatste dag in dienst) althans 93 uur (uitgaande van 21 januari 2020 als laatste dag in dienst) dat met de salarisbetaling over januari 2020 en de eindafrekening moet worden verrekend. Verder betwist [werkgever] dat zij loon verschuldigd is over de maand november 2019 en over tijdens haar vakantie in december 2019 gewerkte uren.

4.2.

[werkgever] betwist verder dat de door [werkneemster] gestelde buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. [werkgever] heeft tot slot aangevoerd dat zij kosten heeft gemaakt doordat [werkneemster] in gebreke is gebleven in het aanleveren van de opgevraagde informatie en dat deze kosten (€ 400,-) voor rekening van [werkneemster] dienen te komen.

5 De beoordeling

5.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of [werkgever] nog (achterstallig) salaris verschuldigd is aan [werkneemster] in het kader van de financiële afwikkeling van het dienstverband.

Loonvordering over januari 2020 en tijdens vakantie gewerkte uren

5.2.

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst (rechtsgeldig) in de proeftijd is geëindigd door opzegging door [werkneemster] . De kantonrechter gaat ervan uit dat de arbeidsovereenkomst tot en met 21 januari 2020 heeft geduurd, dit is de dag waarop [werkneemster] per e-mail heeft aangegeven dat zij het dienstverband wilde beëindigen. Dat betekent dat [werkneemster] recht heeft op salaris tot en met 21 januari 2020. De vordering onder A van het petitum zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat daarop – zoals door [werkgever] terecht is aangevoerd – een negatief verlofsaldo in mindering mag worden gebracht.

5.3.

Volgens [werkgever] bedraagt het negatieve saldo 93 uur bij uitdiensttreding op 21 januari 2020 (randnummer 11 van de conclusie van antwoord), 27 uur aan opgebouwd verlof verminderd met 120 uren aan opgenomen verlof (van 23 december 2019 tot 5 januari 2020 en van 10 januari tot en met 21 januari 2020). [werkneemster] stelt zich op het standpunt dat deze berekening niet correct is, omdat hierop in mindering moet worden gebracht de 36 uren die zij tijdens haar vakantie in december 2019 heeft gewerkt. De kantonrechter volgt [werkneemster] hierin niet, nu niet is gebleken dat [werkgever] [werkneemster] heeft opgedragen werkzaamheden tijdens haar vakantie te verrichten noch is gebleken dat [werkneemster] op voorhand met [werkgever] heeft be of afgesproken dat zij een aantal van haar reeds ingeplande vakantiedagen toch niet zou opnemen vanwege te verrichten werkzaamheden. Het voorgaande brengt met zich dat [werkgever] 93 uur aan negatief verlofsaldo in mindering mag brengen op de salarisbetaling over januari 2020 en dat de vordering van [werkneemster] onder I. B. van haar petitum (veroordeling van [werkgever] om het salaris over gewerkte uren tijdens vakantie te betalen) zal worden afgewezen.

5.4.

[werkgever] heeft in haar conclusie van antwoord opgemerkt dat kosten (ad € 400,-) zijn gemaakt doordat [werkneemster] haar laptop heeft leeggehaald voordat zij deze heeft ingeleverd en posters en post-its met uitkomsten van braitstormsessies heeft vernietigd, welke kosten volgens [werkgever] voor rekening van [werkneemster] dienen te komen. Voor zover [werkgever] daarmee heeft aangevoerd dat deze kosten mogen verrekend met hetgeen zij nog aan [werkneemster] verschuldigd is, slaagt dat verrekeningsberoep bij gebrek aan een nadere (feitelijke en juridische) onderbouwing, niet.

Loonvordering over november 2019

5.5.

Voor wat betreft de vordering (onder I. C van het petitum) tot betaling van salaris voor de op 14, 15, 18, 26 en 27 november 2019 gewerkte uren (40), heeft [werkneemster] ter zitting toegelicht dat in het sollicitatiegesprek op 12 november 2019 met [directeur] is besproken dat zij eerder zou starten, dat ze zich op 14 november rond 9.00 uur op kantoor heeft gemeld voor een rondleiding en voorstelrondje, waarna ze op kantoor heeft gewerkt aan een opdracht die ze van [directeur] had gekregen. Verder heeft ze aangegeven dat ze in die periode is mee geweest naar een klant welk bezoek tot in de avond duurde. [werkgever] heeft betwist dat [werkneemster] aanspraak op loon kan maken over de genoemde dagen omdat het dienstverband pas op 1 december 2019 is aangevangen en niet met [werkneemster] is afgesproken dat zij betaald zou krijgen voor meeloopdagen voorafgaand aan haar indiensttreding. Ter zitting heeft [directeur] toegelicht dat wat [werkneemster] voor 1 december 2019 gedaan heeft vrijblijvend was, weinig om het lijf had en uitsluitend diende ‘ter lering en vermaak’.

5.6.

De kantonrechter overweegt dat uit de Whatsappberichten (deels weergegeven onder 2.3) blijkt dat [werkneemster] in ieder geval op 14, 15 en 27 november 2019 op initiatief van [directeur] een en ander voor [werkgever] heeft gedaan dat meer om het lijf had dan een enkel uurtje kennismaken. Het ging om werkzaamheden/activiteiten die in het verlengde lagen van wat [werkneemster] uit hoofde van (het inwerken op) haar functie zou gaan doen, zoals het uitwerken van een opdracht, een bezoek aan de klant [klant] , deelname aan een projectleidersoverleg en een introductie in de digitale structuur van het bedrijf. Normaal gesproken valt dit soort activiteiten onder de (betaalde) inwerkperiode direct na indiensttreding, maar in het geval van [werkneemster] is daar kennelijk al eerder een start mee gemaakt. Dat gebeurde in een periode waarin (zoals door [werkneemster] onbetwist gesteld) tussen partijen nog onduidelijkheid bestond over de officiële startdatum van de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht [werkneemster] er gelet op deze omstandigheden op vertrouwen dat zij voor haar inzet in november 2019 ook betaald zou krijgen. Dat het door [werkneemster] verrichte werk achteraf geen waarde heeft gehad, zoals [directeur] ter zitting heeft aangevoerd, doet hieraan niet af.

5.7.

Voor zover de loonvordering ziet op de dagen 18 en 26 november 2019, zal deze worden afgewezen nu uit de Whatsappconversatie niet blijkt dat er ook op die dagen voor [werkgever] is gewerkt. Zo zijn er tussen 15 en 24 november in het geheel geen Whatsapp berichten uitgewisseld en had de conversatie op 26 november alleen betrekking op het bestellen van een computerscherm en het maken van een afspraak voor een klantbezoek op 27 november waar [werkneemster] bij zou zijn.

5.8.

Hoeveel uren [werkneemster] op 14, 15 en 27 november 2019 heeft gewerkt is op basis van de beschikbare informatie niet vast te stellen. De kantonrechter stelt daarom de loonbetalingsverplichting van [werkgever] in redelijkheid vast op een bedrag van € 324,00 bruto, zijnde 16 uur tegen een (door [werkgever] niet betwist) bruto uurloon van € 20,25.

Wettelijk verhoging

5.9.

Omdat [werkgever] te laat heeft betaald, zal de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW worden toegewezen, met dien verstande dat deze wordt gematigd tot 10%.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.10.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten stelt de kantonrechter vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, aangezien het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter is verder van oordeel dat [werkneemster] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu [werkgever] de hoogte van het door [werkneemster] gevorderde bedrag niet heeft betwist, zal dat bedrag (€ 300,-) worden toegewezen.

Wettelijke rente

5.11.

[werkgever] wordt tevens veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de toe te wijzen vorderingen, met dien verstande dat geen wettelijke rente wordt toegewezen over de buitengerechtelijke incassokosten, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk door [werkneemster] zijn betaald.

Eindafrekening

5.12.

De vordering van [werkneemster] om [werkgever] te veroordelen een eindafrekening op te maken terzake pro rata opgebouwde vakantiegeld wordt toegewezen. Hieraan zal geen dwangsom worden verbonden omdat er geen aanwijzingen zijn dat [werkgever] niet vrijwillig aan de veroordeling zal voldoen.

Proceskosten en nakosten

5.13.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen. De vordering om [werkgever] te veroordelen in de proceskosten zal dan ook worden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering terzake de nakosten omdat slechts in geval van een volledige proceskostenveroordeling recht op nakosten bestaat.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werkneemster] van een bedrag van € 2.626,21 bruto ter zake het loon over de periode 1 tot en met 21 januari 2020, waarop door [werkgever] in mindering mag worden gebracht een negatieve verlofsaldo van 93 uur, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werkneemster] van een bedrag van € 324,00 bruto ter zake de dagen die zij in november 2019 heeft gewerkt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werkneemster] van buitengerechtelijke incassokosten van € 300,00;

6.4.

veroordeelt [werkgever] om binnen 10 dagen na dit vonnis een eindafrekening op te maken ter zake pro rata opgebouwd vakantiegeld;

6.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter