Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10641

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
8398747 AO VERZ 20-45
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet onterecht, geen voortvarend onderzoek dus niet voldaan aan onverwijldheidseis. Wel ontbinding wegens verwijtbaar gedrag met transitievergoeding. Geen billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8398747 AO VERZ 20-45

Uitspraakdatum: 10 september 2020

Beschikking in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. N.M.N. Klazinga

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] gevestigd te [plaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkgever]

gemachtigde: mr. J. Bos

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft primair een verzoek gedaan om het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen, en subsidiair om ten laste van [werkgever] onder andere een billijke vergoeding toe te kennen. [werkgever] heeft een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.2.

Op 13 augustus 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht en beide gemachtigden hebben een pleitnota voorgedragen. Voorafgaand aan de zitting heeft [werknemer] bij faxbericht van 5 augustus 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren [in 1966] , is op 1 augustus 2000 bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van Inkoper tegen een laatstelijk salaris van € 4.650,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.2.

[werkgever] is een onderneming die zich bezighoudt met interieurafbouw en inrichting van gebouwen in binnen- en buitenland. Bij [werkgever] werken momenteel circa 170 medewerkers.

2.3.

In een gespreksverslag van 28 februari 2013 is – voor zover relevant - het volgende opgenomen:

(…). Na weken van onduidelijkheid hebben we een afspraak gehad om hopelijk antwoorden te krijgen op de vragen:

- Waarom hebben we ca. € 20.000, = teveel betaald aan Bulgarije voor de balies in Kigali?

- Waarom ligt er niet op papier vast hoe eea is verlopen (geen bestelbonnen/geen mail) en de enige die met name financieel contact met Bulgarije heeft gehad is [werknemer]

Het is ook vreemd, omdat [werknemer] altijd heel punctueel en principieel is, zeker bij dit soort bedragen.

[werknemer] geeft uitleg en geeft toe fouten gemaakt te hebben in het offerte stadium. Dit heeft hij niet in het team besproken.

[betrokkene 1] zegt, dat als we geweten hadden wat de balies zouden kosten we ze mogelijk zelf gemaakt hadden. Daar zijn we het met zijn allen over eens.

We komen bij een gebrek aan bewijs tot de conclusie, dat we er nooit achter zullen komen.

[betrokkene 2] geeft [werknemer] het voordeel van de twijfel. Het vertrouwen heeft een schram opgelopen en moet helen. (…)

2.4.

In een e-mail van 9 februari 2015 heeft [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), thans Managing Director van [werkgever] , – voor zover relevant – verslag gedaan van vijf gesprekken die met [werknemer] zijn gevoerd over zijn functioneren als Inkoper:

‘(…). Afgelopen weken zijn er met [werknemer] vijf gesprekken geweest mbt zijn functioneren en de inhoud van zijn werkzaamheden.

Aanleiding hiervoor is tweeledig.

Afgelopen tijd zijn er een aantal voorvallen geweest waar we als DMT niet echt de vinger achter hebben kunnen krijgen. Dit betrof met name een issue mbt de inkoop van balies in Bulgarije en offerte aanvragen voor het project [project] .

Bovendien zijn we het afgelopen jaar behoorlijk over het budget voor gereedschapskosten heen gegaan zonder dat dit echt goed te verklaren is. Aangezien [werknemer] vanuit verstrekte autorisaties gereedschappen en voorraadmaterialen kon bestellen zonder goedkeuring van een MT lid kon deze situatie ontstaan en ontstonden er hooguit discussies als de bewuste factuur goedgekeurd moest worden. Overigens is het niet zo dat we hier onverklaarbare zaken tegen gekomen zijn.

Bovenstaande is mede kunnen ontstaan doordat we als leiding niet in staat waren grip te houden op de inhoud en de planning van de werkzaamheden van [werknemer] . Dit blijkt wel nodig te zijn aangezien [werknemer] onbewust geneigd is informatie voor zich te houden, niet te delen als er geen specifieke belangstelling getoond wordt en volop door te gaan. Op zich deels een plezierige eigenschap maar op zijn plek met zijn inkoopwerkzaamheden ook een niet gewenste situatie.

Zodoende ontstond het gevoel dat [werknemer] wel erg zijn eigen wereldje binnen [werkgever] aan het opbouwen was en dit is iets wat we absoluut niet willen. (…)

[werknemer] blijft calculeren binnen het team van [betrokkene 5] , [werknemer] blijft algemene inkopen voorbereiden, autorisatie hiervoor komt echter volledig bij [betrokkene 3] te liggen. [werknemer] kan dus niets meer zelfstandig bestellen. (…)

Zonder alle discussies weer op te willen halen maakt [betrokkene 3] [werknemer] wel duidelijk dat zijn dienstverband serieus ter discussie heeft getaan. Door de bovenstaande aanpassingen denken we echter weer een goede basis te hebben neergelegd en kan er in principe niet opnieuw een situatie ontstaan dat [werknemer] te veel zijn eigen gang kan gaan. (…)’

2.5.

Op 6 december 2019 zijn door [betrokkene 3] , vragen aan [werknemer] gesteld over een bestelling van een paar wandelschoenen die [werknemer] op 4 november 2019 op naam van [werkgever] heeft gedaan bij Bol.com.

2.6.

Op 9 december 2019 is [werknemer] opnieuw bevraagd over de bestelling van de wandelschoenen.

2.7.

Op 10 december 2019 heeft [werknemer] zich, na een eerdere korte periode van ziekte vanaf 18 november 2019, opnieuw ziekgemeld.

2.8.

Bij brief van 10 december 2019 is [werknemer] hangende een te starten onderzoek op non-actief gesteld, hetgeen als volgt aan hem is bevestigd:

‘(…). Recentelijk is met je gesproken over een bestelling van schoenen, omdat het vermoeden bestaat dat dit een privébestelling is geweest. Je hebt hiervoor nog geen afdoende verklaring kunnen geven. In het gesprek van gistermiddag heb je voorts aangegeven, dat er meerdere zaken niet goed zijn gegaan in bestellingen die jij hebt gedaan. Jij hebt zelf verteld niet meer te weten wat er wel en niet goed gaat, of is gegaan in de afgelopen weken. Daarnaast heb je de afgelopen weken tegenstrijdige signalen afgegeven over de werkdruk en toon je sterk wisselende emotionele reacties. In jouw functie is een grote mate van integriteit van cruciaal belang en we kunnen het ons als bedrijf niet veroorloven om jou door te laten werken als we gerede twijfel hebben over jouw integriteit. Om deze reden willen we jou per direct op non­ actief stellen. De reden daartoe is gelegen in het feit dat een nader intern onderzoek wordt ingesteld om te onderzoeken of er sprake is van meerdere onregelmatigheden die jou verwijtbaar zijn. Totdat we dit onderzoek hebben afgerond stellen we jou op non-actief tot en met - in elk geval - 20 december 2019. Mocht er meer tijd nodig zijn, don zullen we jou tijdig op de hoogte stellen (…)’.

2.9.

[werkgever] was van 24 december 2019 tot 6 januari 2020 gesloten in verband met de kerstvakantie.

2.10.

Op 16 januari 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarin [werknemer] in de gelegenheid is gesteld te reageren op de bevindingen uit het onderzoek naar zijn integriteit.

2.11.

Bij e-mail van 20 januari 2020 heeft (de gemachtigde van) [werknemer] gereageerd op de bevindingen die hem in het gesprek op 16 januari 2020 waren voorgelegd. Daarin heeft [werknemer] een toelichting op de voorgelegde situaties gegeven en zich op het standpunt gesteld dat hem daarvan geen verwijt gemaakt kan worden.

2.12.

Bij brief van 21 januari 2020 heeft [werkgever] [werknemer] op staande voet ontslagen, hetgeen als volgt aan hem is bevestigd:

‘(…). Hierdoor berichten wij je dat je op staande voet bent ontslagen.

Op 10 december jl. ben je op non-actief gesteld om te onderzoeken of er sprake was van onregelmatigheden. Dit naar aanleiding van een factuur voor wandelschoenen van Bol.com. Daarop aangesproken op 6 december 2019 heb je meermalen je verklaring bijgesteld of gewijzigd. Eerst zou de bestelling zijn gedaan voor een collega. Toen dat na controle niet juist bleek, gaf je aan dat iedereen die bestelling gedaan kon hebben. Ook dat bleek niet juist want uit het bestelformulier kwam jouw naam naar voren. Daarna wist je niet meer hoe het was gegaan en zou je er over nadenken. Daarbij kwam dat op de door fout opgestelde Inkoopfactuur "werkschoenen" stond vermeld om daarmee de bestelling van wandelschoenen te verdoezelen. Ook op 10 december 2019 kon je de bestelling niet verklaren. Dat was zeer onbevredigend. Juist van jou als Inkoper wordt openheid en helderheid verwacht.

Tijdens de bespreking op donderdag 16 januari 2020 heeft [werkgever] je in de gelegenheid gesteld om te verklaren over een aantal andere zaken. Je verscheen op die afspraak met mr. N. Klazinga en vriend [naam] . [werkgever] heeft een drietal incidenten aan je voorgehouden. Je hebt tijdens die bespreking niets willen toelichten of verklaren. Gisteren ontvingen wij via mr. Klazinga je verklaring op de onderstaande drie aan jou voorgehouden zaken.

Naar aanleiding van het door [werkgever] Ingestelde onderzoek bleek begin januari 2020 dat [leverancier 1] , leverancier van [werkgever] , betalingen aan jou verricht. Daarop heeft in onze opdracht op maandagmorgen 13 januari 2020 een bedrijfsrechercheur een bezoek gebracht aan [leverancier 1] . Medewerkers van [leverancier 1] verklaarden dat jij sinds 2016 over 2% van de door [werkgever] betaalde omzetfacturen zond aan [leverancier 1] , die [leverancier 1] vervolgens aan jou betaalde. Mr. Klazinga heeft ten aanzien van deze betalingen gesteld dat die betalingen voor sponsoring waren bestemd. Wat daar ook van zij, [werkgever] was van die facturen en betalingen niet op de hoogte en kan die werkwijze vanzelfsprekend niet goedkeuren.

In 2016 heb jij namens [werkgever] met [autowasserij] een overeenkomst gesloten voor het wassen van de [werkgever] bedrijfsauto's. Op maandag 13 januari 2020 kwam aan het licht dat jij sinds oktober 2019 bij herhaling bij [autowasserij] hebt aangedrongen op opwaardering op je eigen pas. Mr. Klazinga stelt nu dat [autowasserij] na afronding van de onderhandeling over het wassen van de bedrijfswagens jou heeft aangeboden je eigen auto daar gratis te wassen en dat je van die gelegenheid ook gebruik maakte. In de overeenkomst met [autowasserij] is niets opgenomen over gratis wassen van jouw auto en ook uit het bij herhaling vragen om opwaardering van je eigen pas kan geenszins worden afgeleid dat [autowasserij] zou hebben aangedrongen op het gratis wassen van jouw eigen auto. [werkgever] wist niet van het gratis wassen van Jouw privéauto, hetgeen je blijkens de verklaring van mr. Klazlnga erkent.

Op woensdag 15 januari 2020 bleek [werkgever] dat je bij [leverancier 2] , leverancier van [werkgever] , in 2019, offerte hebt gevraagd voor het spuiten van bedden. Nadat [leverancier 2] de prijs had genoemd, heb je hem bericht dat het voor jou privé was met een 'smiley' erbij en met de vraag of een speciaal prijsje mogelijk was. [leverancier 2] heeft daarop de helft van de prijs geboden, waarmee je hebt ingestemd. Vandaag kwam aan het licht dat je [werkgever] voor het spuiten van de privébedden hebt laten betalen. Je hebt zowel op de Inkoopfactuur als op de aan [werkgever] gezonden factuur verdoezeld dat het om privé bedden ging en nog belangrijker [werkgever] wist niets van deze kwestie. Mr. Klazlnga stelt dat privébestellingen als deze -zij het in beperkte omvang- bij [werkgever] gewoon zijn en verrekend worden met bonus of overuren. Zelfs als dat gebeurt, dan kan dat uiteraard niet geschieden zonder wetenschap van [werkgever] zelf. Nu [werkgever] niet wist van deze privétransactie, staat daarmee vast dat jij je bewust ten koste van [werkgever] hebt willen verrijken.

Vandaag bleek ook dat je in 2018 bij [leverancier 3] , leverander van [werkgever] , een containerbak op je huisadres hebt besteld voor het afvoeren van aarde. Daarbij heb jij de leverancier verzocht om de betreffende factuur naar [werkgever] te sturen. [werkgever] heeft die factuur betaald. Hetzelfde geldt voor de reparatie van een verstopt urinoir bij te thuis door [loodgieter] . [werkgever] wist niet dat het privétransacties van jou betrof. Je hebt je daarmee verrijkt ten koste van [werkgever] .

Denkelijk zijn er meer van dergelijke kwesties. Al deze zaken heb je voor [werkgever] verborgen gehouden. Daarvan was je je bewust gelet op het verdoezelen van Inkooporders en facturen. In deze zaken gaat het om een financiële benadeling van [werkgever] c.q. verrijking van je zelf.

Jij verkeert als zelfstandig Inkoper bij [werkgever] In de positie om opdrachten aan leveranders te gunnen en te weigeren en om prijsafspraken te maken en kortingen te bedingen. In die functie is voldoende afstand tot leveranciers vereist en om, als daar onvoldoende sprake van is, daar melding van te maken bij het management. Dat had je zondermeer in acht moeten nemen, maar dat heb je bij herhaling niet gedaan. Je hebt de noodzakelijke integriteit ernstig geschonden.

Bovengenoemde kwesties en het niet infomeren van [werkgever] van je privébestellingen bij leveranciers, het financieel benadelen van [werkgever] en het verrijken van jezelf vanwege je functie bij [werkgever] , zijn op zichzelf beschouwd en in samenhang bezien dringende redenen op grond waarvan van [werkgever] niet verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst nog voort te zetten. De verklaring van mr. Klazinga heeft niet tot een ander oordeel geleid en er zijn geen persoonlijke omstandigheden bekend waarmee [werkgever] rekening moet houden in de besluitvorming.

Nu je [werkgever] een dringende reden hebt gegeven om met onmiddellijke ingang tot de beëindiging van het dienstverband over te gaan, ben je jegens [werkgever] schadeplichtig en dien je een schadevergoeding te betalen gelijk aan het salaris vanaf vandaag tot 1 mei 2020. Dat bedrag zal, voor zover mogelijk, worden verrekend met je salaris en de eindafrekening. Ook acht [werkgever] zich vrij om overige schade nog op je te verhalen. (…)

2.13.

Bij e-mail van 23 januari 2020 heeft [werknemer] geprotesteerd tegen het gegeven ontslag en zich beschikbaar gehouden voor re-integratie-activiteiten en werkhervatting voor zover dit medisch gezien weer mogelijk zou zijn.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [werknemer] te vernietigen;

2. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van het overeengekomen loon van € 4.650,- bruto per maand vanaf 1 januari 2020 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

3. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris over de maanden januari en februari 2020 en verdere maanden wanneer betaling daarvan eveneens te laat geschiedt;

4. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente over het achterstallige salaris telkens vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarover het salaris verschuldigd is;

Subsidiair

1. [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen van een transitievergoeding ten bedrage van € 32.593,62 bruto;

Althans, in het geval [werknemer] voormelde verzoeken alsnog intrekt

1. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van het overeengekomen loon van € 4.650,- bruto per maand over de periode vanaf 1 januari 2020 tot 21 januari 2020;

2. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris over de maand januari;

3. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente over het achterstallige salaris vanaf 25 januari 2020 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;

4. [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een eindafrekening ter zake van vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen onder verstrekking van een deugdelijke loonspecificatie daarvan;

5. [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen van een transitievergoeding ten bedrage van € 32.593,62 bruto;

6. [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen een billijke vergoeding ten bedrage van € 100.000,- bruto - althans een door Uw Kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding;

7. [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen een schadevergoeding ten bedrage van € 23.490,­ bruto;

8. een verklaring voor recht te geven dat [werknemer] in het kader van de afwikkeling van de certificaten in de STAK van [werkgever] aangemerkt wordt als 'good leaver';

9. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding, de billijke vergoeding en de schadevergoeding vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening ;

In alle gevallen

10. [werkgever] te veroordelen in de kosten van deze procedure het salaris van de gemachtigde van [werknemer] daaronder begrepen.

3.2.

Aan het verzoek heeft [werknemer] – samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven en dient te worden vernietigd. Allereerst heeft de opzegging niet onverwijld plaatsgevonden. [werkgever] is onvoldoende voortvarend te werk gegaan door pas een maand na de non-actiefstelling van 10 december 2019 uitvoering aan haar onderzoek te geven. Verder ontbreekt een dringende reden voor het ontslag. De aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen zijn [werknemer] niet te verwijten, althans zijn niet aan te merken als een dringende reden. Nu de arbeidsovereenkomst niet (rechtsgeldig) is geëindigd door het ontslag op staande voet, heeft [werknemer] onverminderd recht op doorbetaling van loon vanaf 21 januari 2019. Omdat de loonbetaling te laat is gedaan, is [werkgever] de wettelijke verhoging en wettelijke rente hierover verschuldigd.

3.3.

Voor het geval [werknemer] ervoor kiest zijn primaire verzoeken in te trekken, is [werkgever] een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Ook dient [werknemer] te worden beschouwd als ‘good leaver’ ten behoeve van de afwikkeling van zijn certificaten.

3.3.Subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig is gegeven, maakt [werknemer] aanspraak op de transitievergoeding. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wanneer aan [werknemer] geen transitievergoeding zou worden toegekend. Die omstandigheden bestaan eruit dat de gevolgen van het ontslag voor [werknemer] enorm zijn, hij (door de hoge werkdruk bij [werkgever] ) arbeidsongeschikt is geraakt en het binnen [werkgever] gebruikelijk was om privé-bestellingen te doen.

3.4.

Tot slot verzoekt [werknemer] [werkgever] te veroordelen in de kosten van de procedure.

4 Het verweer en de tegenverzoeken

4.1.

[werkgever] verweert zich tegen het verzoek en verzoekt om afwijzing daarvan. Zij voert hiertoe – samengevat – aan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, omdat de opzegging onverwijld is gedaan en de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen die zijn weergegeven in de ontslagbrief van 21 januari 2020 (zoals weergegeven onder 2.12. hiervoor) wel degelijk als een dringende reden kwalificeren. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen, waardoor voor toewijzing van een transitievergoeding geen aanleiding bestaat.

4.2.

Tegenverzoek: [werkgever] verzoekt om haar ten laste van [werknemer] een gefixeerde schadevergoeding van € 20.088,- toe te kennen, te vermeerderen met de wettelijke rente. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] bewust en opzettelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zodat daarmee een dringende reden voor een ontslag op staande voet is ontstaan, waardoor hij schadeplichtig is jegens [werkgever] .

4.3.

Voorwaardelijk tegenverzoek: Voor zover het primaire verzoek van [werknemer] (tot vernietiging van het ontslag op staande voet) wordt toegewezen, verzoekt [werkgever] de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verwijtbaar gedrag, een verstoorde arbeidsrelatie, dan wel de cumulatiegrond. Herplaatsing is niet mogelijk en ligt gelet op de beperkte ervaring van [werknemer] ook niet in de rede.

[werknemer] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, zodat aan hem geen transitievergoeding en een billijke vergoeding toekomt en er bij de einddatum geen rekening gehouden hoeft te worden met de opzegtermijn.

4.4.

Tot slot verzoekt [werkgever] [werknemer] te veroordelen in de kosten van de procedure.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

[werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd.


Ontslag op staande voet onverwijld gegeven?

5.2.

De vraag die beantwoord moet worden is of het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.

5.3.

Voor het antwoord op de vraag of een ontslag al dan niet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden voor dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Indien bij een werkgever het vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden tot ontslag van een werknemer voordoet, en hij zich, alvorens tot ontslagverlening op staande voet over te gaan, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, is de daarbij van hem te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zulk een onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen wordt geschaad. Wel dient steeds met de nodige voortvarendheid te worden gehandeld.

5.4.

[werkgever] stelt zich op het standpunt dat het onderzoek vanaf het moment van ontdekken van de onregelmatigheden tot en met het ontslag op staande voet met de nodige voortvarendheid heeft plaatsgevonden. Zij heeft ter onderbouwing de volgende tijdslijn gegeven:

  • -

    Op 6 december 2019 is [werknemer] aangesproken op de aankoop van wandelschoenen, hij heeft toen geen afdoende verklaring gegeven;

  • -

    Op 9 december 2019 hebben partijen weer een gesprek over de wandelschoenen gevoerd, [werknemer] heeft toen weer geen afdoende verklaring gegeven;

  • -

    Op 10 december 2019 is [werknemer] op non-actief gesteld;

  • -

    Op 13 januari 2020 heeft [werkgever] de kwestie [leverancier 1] en [autowasserij] ontdekt;

  • -

    Op 14 januari 2020 is [werknemer] uitgenodigd voor een gesprek;

  • -

    Op 15 januari 2020 heeft [werkgever] de kwestie [leverancier 2] ontdekt;

  • -

    Op 16 januari 2020 heeft een gesprek met [werknemer] en zijn gemachtigde plaatsgevonden;

  • -

    Op 20 januari 2020 heeft de gemachtigde van [werknemer] schriftelijk gereageerd;

  • -

    Op 21 januari 2020 heeft [werkgever] de kwesties rondom de containerbak en het urinoir ontdekt, waarna intern overleg heeft plaatsgevonden en [werkgever] [werknemer] op staande voet heeft ontslagen.

5.5.

Uit dit tijdspad kan naar het oordeel van de kantonrechter niet de conclusie worden getrokken dat [werkgever] voldoende voortvarend te werk is gegaan. Hoewel er begin december 2019 al grote twijfel was over de integriteit van [werknemer] en hij op 10 december 2019 geschorst is om te onderzoeken of sprake is van ‘meerdere verwijtbare onregelmatigheden’, blijkt uit het tijdspad dat in de periode van 10 december 2019 tot 13 januari 2020 geen onderzoeksactiviteiten hebben plaatsgevonden. Door [betrokkene 3] is ter zitting bevestigd dat er tijdens de kerstvakantie niets is gedaan en dat de enige onderzoeksactiviteit die daarvóór had plaatsgevonden het inschakelen van een bedrijfsrechercheur op 12 december 2019 betrof. Deze rechercheur is 13 januari 2020 bij [leverancier 1] langs geweest en heeft zijn bevindingen dezelfde dag aan [werkgever] teruggekoppeld. Op of omstreeks diezelfde dag is door [werkgever] kennelijk nader (intern) onderzoek uitgevoerd, waarna de andere onregelmatigheden boven water kwamen. Niet valt in te zien waarom deze onderzoeksactiviteiten niet direct na de schorsing op 10 december 2019 opgestart konden worden en waarom deze niet eerder afgerond hadden kunnen worden. Dat klemt te meer nu [betrokkene 3] ter zitting heeft toegelicht dat de onregelmatigheden op een vrij eenvoudige manier met intern onderzoek gevonden zijn. Van een diepgravend en tijdrovend onderzoek is dus geen sprake geweest.

5.6.

Het verweer van [werkgever] dat voor de beoordeling van de onverwijldheidseis uitsluitend gekeken moet worden naar de periode van 13 tot 21 januari 2020 kan de kantonrechter niet volgen. Blijkens de brief van 10 december 2019 nam [werkgever] het incident met de wandelschoenen dusdanig zwaar op dat er vermoedens van een dringende reden waren; in het verweerschrift heeft [werkgever] bij punt 7 aangegeven dat het incident met de schoenen al zelfstandig een dringende reden voor ontslag vormt. Het incident was voor [werkgever] de aanleiding om tot schorsing en onderzoek over te gaan. Onder die omstandigheden had van [werkgever] verwacht mogen worden dat zij op dat moment was gestart met het onderzoek en dit niet had laten stilvallen.

5.7.

De conclusie van het voorgaande is dat [werkgever] na de schorsing op 10 december 2019 onvoldoende voortvarendheid heeft gehandeld, zodat het ontslag op staande voet niet onverwijld en – daardoor - niet rechtsgeldig is gegeven.

Vernietiging ontslag, loondoorbetaling en loonspecificaties

5.8.

[werknemer] heeft ter zitting kenbaar gemaakt zijn primaire verzoeken te handhaven, zodat uitsluitend die verzoeken zullen worden beoordeeld.

5.9.

Aangezien hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, wordt het verzoek van [werknemer] om vernietiging van dat ontslag op grond van artikel 7:671 BW en 7:681 BW toegewezen. Ook het verzoek van [werknemer] tot loonbetaling vanaf 21 januari 2020 zal worden toegewezen.

5.10.

[werknemer] heeft tevens loon gevorderd over de periode van 1 tot 21 januari 2020, omdat [werkgever] het loon over die periode heeft ingehouden en heeft verrekend met de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 BW die [werknemer] volgens [werkgever] verschuldigd zou zijn. In dit artikel is bepaald dat de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet vernietigd wordt, waardoor het dienstverband dus niet geëindigd is, bestaat er geen grond voor de vordering van [werkgever] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 juncto lid 3 BW. [werkgever] had deze vergoeding dus niet met het loon mogen verrekenen. De loonvordering over de periode van 1 tot 21 januari 2020 wordt daarom toegewezen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.11.

De gevorderde wettelijke verhoging over het achterstallige loon vanaf 1 januari 2020 is toewijsbaar nu de te late betaling van het loon aan [werkgever] is toe te rekenen. De kantonrechter acht het in de gegeven omstandigheden billijk de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW te matigen tot 25%.

5.12.

De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar zoals verzocht.

Proceskosten

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de zijde van [werknemer] begroot op een bedrag van € 1.219,00 bestaande uit € 499,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris gemachtigde.

De zelfstandige tegenverzoeken van [werkgever]

Gefixeerde schadevergoeding

5.14.

Het verzoek van [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 BW moet worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, bestaat er geen recht op een gefixeerde schadevergoeding nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Bovendien is het verzoek niet ingediend binnen de in artikel 7:686a lid 4 sub a BW bepaalde vervaltermijn van twee maanden, zodat het verzoek ook om die reden niet kan worden toegewezen.

Voorwaardelijk verzoek tot ontbinding

5.15.

De vraag die beantwoord moet worden is of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub e, g of i BW.

5.16.

Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder [werkgever] het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, is vervuld. [werkgever] heeft ook belang bij de verzochte ontbinding, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door het ontslag op staande voet (zie: HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998), zodat dit verzoek zal worden beoordeeld. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW.

Redelijke grond – verwijtbaar handelen

5.17.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

5.18.

[werkgever] heeft primair verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van [werknemer] . Ter onderbouwing van het verwijtbaar handelen heeft [werkgever] verwezen naar de onregelmatigheden die ook aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd: (1) aanschaf wandelschoenen privé, (2) [leverancier 1] sponsoring privé, (3) [autowasserij] privé, (4) [leverancier 2] privé, (5) Container, reparatie urinoir en onderhoud zonnepanelen privé.

(1) wandelschoenen

5.19.

[werkgever] beschuldigt [werknemer] ervan dat hij op 4 november 2019 voor een bedrag van € 229,90 (inclusief BTW) wandelschoenen (omschrijving: Meindl Jura GTX wandelschoenen maat 44 Comfort fit) op kosten van [werkgever] heeft besteld bij Bol.com en dat hij deze privé-aankoop heeft willen verdoezelen door op de interne inkooporder te vermelden dat het ging om werkschoenen (omschrijving: Meindl Jura GTX werkschoenen maat 44 Comfort fit).

5.20.

[werknemer] betwist dat hij de schoenen voor zichzelf in privé heeft besteld. Hij heeft toegelicht dat binnen [werkgever] de regel geldt dat personeel voor een bedrag van maximaal € 85,- aan werkschoenen mag bestellen. Het personeel mag zelf de schoenen kiezen, met dien verstande dat de gekozen schoen aan de veiligheidseisen moet voldoen. [werknemer] verzorgde als Inkoper (in opdracht van de werknemers) de bestelling van de schoenen. Indien daarbij het beschikbare budget werd overschreden, gaf [werknemer] dit door aan [betrokkene 4] (project manager bij [werkgever] ) die het verschil verrekende met gelden (overuren, bonus, winstdeling) die [werkgever] nog aan de betreffende werknemer verschuldigd was. [werknemer] stelt zich op het standpunt dat hij de schoenen, conform deze werkwijze, heeft besteld voor een collega, maar dat hij zich door de hoge werkdruk (en daaruit voortvloeiende burn-outklachten) niet meer kan herinneren voor wie hij deze schoenen heeft besteld. Hij heeft verder aangevoerd dat ook niet aannemelijk is dat hij de schoenen voor zichzelf heeft besteld, omdat de maat van de schoenen een andere maat is dan de maat die hij heeft (45 in plaats van 44). Tot slot heeft [werknemer] aangevoerd dat hij met het oog op (controle door) de fiscus op de inkooporder werkschoenen heeft vermeld in plaats van wandelschoenen.

5.21.

De kantonrechter plaatst kanttekeningen bij de verklaring van [werknemer] . Zo is niet komen vast te staan dat de bestelde wandelschoenen aan de veiligheidseisen voor werkschoenen voldoen (geen stalen neuzen) en komt het de kantonrechter niet heel aannemelijk voor dat een werknemer een werkschoen aanschaft die meer dan € 100,00 duurder is dan het door de werkgever te vergoeden bedrag en dan de gebruikelijke kosten voor een werkschoen. De kantonrechter stelt verder vast dat er geen bewijs (zoals bijvoorbeeld een e-mail van een collega met het verzoek de schoenen te bestellen) is van de stelling van [werknemer] dat hij de schoenen voor een collega heeft besteld. [werknemer] heeft ter zitting toegelicht dat dat bewijs er niet is, omdat collega’s hun bestelling altijd mondeling aan hem doorgaven en dat hij daarvan geen administratie bijhield. Gelet op de grote hoeveelheid schoenen (circa 100) die [werknemer] jaarlijks naar eigen zeggen bij verschillende leveranciers bestelde, plaatst de kantonrechter vraagtekens bij deze werkwijze. Ook ontbreekt er bewijs (of een concreet en specifiek bewijsaanbod hiertoe) dat [werknemer] het bedrag dat de € 85,- te boven ging, ter verrekening heeft doorgegeven aan [betrokkene 4] . Hoewel niet onomstotelijk vast is komen te staan dat [werknemer] de schoenen daadwerkelijk voor zichzelf op kosten van [werkgever] heeft aangeschaft, vindt de kantonrechter het, mede in het licht van de gebeurtenissen in 2013 en 2015 (weergegeven onder 2.3 en 2.4 hiervoor) niet onbegrijpelijk dat bij [werkgever] twijfels zijn ontstaan over de werkwijze van [werknemer] .

(2) [leverancier 1] sponsoring privé

5.22.

[werkgever] beschuldigt [werknemer] ervan dat hij, zonder [werkgever] hiervan op de hoogte te stellen, [leverancier 1] (hierna: [leverancier 1] ), een leverancier van [werkgever] , maandelijks een factuur uit naam van zijn, [werknemer] , eenmanszaak [naam eenmanszaak] stuurde, ter hoogte van 2% van de omzet die [leverancier 1] behaalde op inkopen door [werkgever] . Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [werkgever] een factuur van [eenmanszaak] aan [leverancier 1] overgelegd, waarin een bedrag van € 252,48 inclusief btw aan [leverancier 1] is gefactureerd ten behoeve van ‘een gift voor Peru Kinderproject 2016’.

5.24.

De kantonrechter is van oordeel dat deze handelwijze (die door [werknemer] niet betwist wordt) niet met zijn functie te verenigen is. [werknemer] heeft ter verdediging aangevoerd dat deze werkwijze volledig op initiatief van [leverancier 1] plaatsvond. Naar het oordeel van de kantonrechter miskent [werknemer] hiermee echter dat deze handelswijze een direct uitvloeisel is van zijn eigen initiatief (in 2016) om – onder andere bij [leverancier 1] – sponsorgeld op te halen voor een vrijwilligersproject. Daarmee is de sponsoring, die kennelijk na een eenmalige gift in 2016 door [leverancier 1] is voortgezet, wel degelijk door [werknemer] zelf geïnitieerd. De kantonrechter is, anders dan [werknemer] , ook van oordeel dat de sponsorfacturatie niet los gezien kan worden van zijn positie bij [werkgever] . Naar de kantonrechter aanneemt is [werknemer] door zijn functie bij [werkgever] met [leverancier 1] in contact gekomen. Het is bovendien niet aannemelijk dat [leverancier 1] op deze zelfde wijze zou hebben gesponsord als [werknemer] niet als Inkoper bij [werkgever] werkzaam was geweest. Of [werknemer] zichzelf (al dan niet ten behoeve van een vrijwilligersproject) ten koste van [werkgever] heeft bevoordeeld, kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld. Vaststaat wel dat [werknemer] [werkgever] niet heeft geïnformeerd over de facturatie. Hierdoor heeft hij (op zijn minst) de schijn van belangenverstrengeling gewekt. [werknemer] heeft die schijn niet kunnen wegnemen. Zo heeft hij (desgevraagd ter zitting) niet duidelijk kunnen maken waarom het gefactureerde sponsorbedrag gerelateerd werd aan de omzet vanuit [werkgever] , waarom de facturen vanuit zijn privé-onderneming (een eenmanszaak met inkoopactiviteiten) werden verstuurd en waarom daarbij btw in rekening werd gebracht, terwijl fondsenwervende activiteiten in principe btw-vrij zijn.

(3) [autowasserij]

5.25.

[werkgever] beschuldigt [werknemer] ervan dat hij zonder dat [werkgever] het wist een regeling voor zichzelf heeft getroffen, die inhield dat hij zonder te betalen privéauto’s kon laten wassen bij [autowasserij] , terwijl [werknemer] als inkoper namens [werkgever] met [autowasserij] een overeenkomst heeft gesloten om tegen betaling door [werkgever] het wagenpark van [werkgever] schoon te houden. [werknemer] heeft erkend dat dit is gebeurd, maar heeft aangevoerd dat dit op initiatief van [autowasserij] is gebeurd en dat het daarmee genoten voordeel (10 wasbeurten van € 10,-) verwaarloosbaar is.

5.26.

De kantonrechter is van oordeel dat, ook als zou vaststaan dat het initiatief voor de regeling van [autowasserij] is uitgegaan, deze handelwijze niet te verenigen is met zijn functie. [werknemer] is aangesteld om (uitsluitend) de belangen van [werkgever] te dienen. Zijn eigen (persoonlijke) belangen mogen hierbij geen enkele rol spelen. Wanneer er immers persoonlijk voordeel ontstaat om voor een bepaalde leverancier te kiezen, ligt belangenverstrengeling op de loer. Juist een Inkoper dient hiervan doordrongen te zijn en iedere schijn/vorm van belangenverstrengeling te voorkomen. [werknemer] is hierin tekortgeschoten. Behalve dat hij de fout is ingegaan door de door [autowasserij] aangeboden privé-deal te accepteren, heeft hij ook nagelaten [werkgever] hierover te informeren. Dat is [werknemer] aan te rekenen. Dat het financiële belang bij de privé-deal (mogelijk) gering is geweest, maakt dit niet anders.

(4) [leverancier 2] en (5) container, urinoir, zonnepanelen

5.27.

[werkgever] beschuldigt [werknemer] ervan dat hij – zonder medeweten en instemming van [werkgever] - bij externe relaties van [werkgever] de volgende privé-bestellingen op kosten van [werkgever] heeft gedaan:

  • -

    het spuiten van drie ledikanten bij [leverancier 2] , waarbij hij per e-mail van 21 februari 2019 heeft verzocht om een ‘speciaal prijsje’. [leverancier 2] heeft hiervoor op 14 maart 2019 een bedrag van € 786,- inclusief BTW gefactureerd aan [werkgever] en [werknemer] heeft hiervoor op 21 februari 2019 een inkooporder aangemaakt;

  • -

    het plaatsen van een container bij zijn woning. Bij e-mail van 15 januari 2018 heeft [werknemer] de leverancier gevraagd om op de factuur aan [werkgever] niet zijn privé-adres te vermelden.

  • -

    het repareren van een verstopt urinoir op zijn privé-adres door [loodgieter] . Bij e-mail van 27 augustus 2019 heeft [werknemer] de loodgieter verzocht om op de factuur aan [werkgever] niet zijn privé-adres, maar het werkadres te vermelden. Op 29 augustus 2018 heeft [werknemer] hiervoor een interne inkooporder aangemaakt waarop uitsluitend het werkadres is vermeld.

5.28.

[werknemer] heeft de privé-bestellingen ten aanzien van de ledikanten, container en het urinoir niet ontkend, maar hij betwist dat hij heeft gefraudeerd en zichzelf heeft verrijkt ten koste van [werkgever] . Hij heeft – met verwijzing naar de verklaring van zijn ex-collega [oud-collega] (hierna: [oud-collega] ) - aangevoerd dat het binnen [werkgever] gebruikelijk is dat voor privédoeleinden bestellingen op kosten van [werkgever] worden gedaan, die vervolgens door [betrokkene 4] worden verrekend met tegoeden. Verder heeft hij toegelicht dat zijn privé-adres niet op de facturen en inkooporders is vermeld vanwege de fiscus, die tijdens een controle in 2018 onregelmatigheden bij [werkgever] heeft aangetroffen.

5.29.

[werkgever] heeft erkend dat in het verleden privé-bestellingen door personeel konden worden gedaan. Volgens [werkgever] is dit gebruik echter beëindigd, althans sterk teruggebracht, nadat zij hiervoor is beboet na een controle van de fiscus in 2017. Een enkele privé-aankoop van eigen diensten of producten van [werkgever] (zoals plaatmateriaal) vindt sindsdien nog wel eens plaats, maar niet op de schaal waarop [werknemer] dit heeft gedaan en nooit zonder toestemming en verrekening, aldus [werkgever] . [werkgever] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij op de hoogte was van de betreffende privé bestellingen en ook dat de daarmee gemoeide kosten zijn verrekend.

5.30.

De kantonrechter stelt vast dat de verklaring van [oud-collega] (slechts) in algemene zin bevestigt dat i) privé-aankopen alleen met goedkeuring van de eigen teamleider en diens meerdere konden worden gedaan, ii) verrekening van die privé-aankopen altijd via [betrokkene 4] verliepen en iii) de medewerkers van de afdeling Inkoop elkaar, gezien hun gevoelige positie als Inkoper, op de hoogte stelden van privé-aankopen. [oud-collega] verklaart niet dat zij (zoals kennelijk gebruikelijk) door [werknemer] op de hoogte is gesteld van de betreffende privé-bestellingen, noch dat [werknemer] daarvoor toestemming van zijn leidinggevende had gekregen en de bestelbonnen ter verrekening aan [betrokkene 4] heeft aangeboden. Ook uit andere stukken blijkt dit niet. [werknemer] heeft ook niet gesteld (of concreet, gespecificeerd bewijs aangeboden) dat, van wie en wanneer hij voor deze bestellingen de vereiste toestemming heeft verkregen, en dat en wanneer de kosten door hem ter verrekening zijn doorgegeven aan [betrokkene 4] . De enkele stelling van [werknemer] dat dit blijkt uit het feit dat de facturen betaald zijn (omdat facturen alleen worden betaald als ze zijn geaccordeerd door [betrokkene 3] ), is hiervoor onvoldoende.

5.31.

Uit de facturen en inkooporders viel immers - juist vanwege het uitdrukkelijke verzoek van [werknemer] aan de betreffende leveranciers om zijn privé-adres niet te vermelden - niet op te maken dat het om privé-bestellingen ging. Het had gelet hierop op de weg van [werknemer] gelegen om zijn stellingen terzake nader te onderbouwen en dat is niet gebeurd. Het bewijsaanbod dat [werknemer] heeft gedaan, wordt gepasseerd, nu dit slechts ziet op (getuigen-)bewijs van de wijze waarop binnen [werkgever] wordt omgegaan met privé-aankopen en niet op de vereiste toestemming voor de specifieke privé-bestellingen. De kantonrechter houdt het er op basis van het voorgaande voor dat [werknemer] zonder de vereiste toestemming op kosten van [werkgever] deze privé-bestellingen heeft gedaan en dat de kosten van deze bestellingen niet ter verrekening zijn aangeboden. Daarmee heeft [werknemer] zijn positie als Inkoper gebruikt om zichzelf ten koste van [werkgever] te bevoordelen.

5.32.

Ten aanzien van de zonnepanelen is dit niet komen vast te staan, nu [werknemer] onbetwist heeft aangevoerd dat hij slechts om een offerte heeft gevraagd maar dat het tot het plaatsen (of onderhouden) van zonnepanelen nooit is gekomen.

5.33.

De kantonrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat [werknemer] dusdanig verwijtbaar heeft gehandeld dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Hij heeft zich meer dan incidenteel bediend van een handelwijze die niet met zijn functie als Inkoper te verenigen is en heeft daarmee belangenverstrengeling in de hand gewerkt. Voorts is ten aanzien van een aantal van de hierboven genoemde privé-bestellingen voldoende aannemelijk dat [werknemer] zichzelf zonder toestemming en medeweten van [werkgever] heeft bevoordeeld ten koste van [werkgever] . Dit is [werknemer] (zwaar) aan te rekenen. Dat geldt te meer nu in 2013 en in 2015 al met [werknemer] is gesproken over het grote belang van integriteit en transparantie in zijn functie als Inkoper. [werknemer] is er toen op gewezen dat het vertrouwen in hem een serieuze schram had opgelopen en dat zijn dienstverband serieus ter discussie had gestaan.

5.34.

Herplaatsing ligt niet in de rede, zodat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond zal worden toegewezen.

Transitievergoeding

5.36.

[werknemer] heeft verzocht [werkgever] te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

5.37.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer gaat om bijvoorbeeld de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of verduistering waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt, of de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39).

5.38.

Uit de (niet limitatieve) voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen en de overige passages uit de parlementaire geschiedenis, blijkt dat bij ernstig verwijtbaar handelen sprake moet zijn van uitzonderlijke situaties. Het moet gaan om duidelijke en uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen, die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met goed werknemerschap en op één lijn te stellen zijn met de voorbeelden die zijn gegeven in de parlementaire geschiedenis (zie ook Hof Den Haag 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1908). De gemene deler van al die gedragingen is dat de werknemer zich bewust is dan wel behoort te zijn van het onoorbare karakter van zijn handelen. Is geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval, dan is er in de regel geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten maar ‘gewoon’ verwijtbaar handelen of nalaten. De rechtspraak van de Hoge Raad bevestigt dat de lat voor ernstig verwijtbaar handelen zeer hoog ligt (HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2626). Zelfs in geval van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet behoeft nog geen sprake te zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484).

5.39.

De kantonrechter is met in achtneming van het voorgaande van oordeel dat het gedrag van [werknemer] weliswaar verwijtbaar is, maar (net) niet als ‘ernstig verwijtbaar’ kwalificeert. Daarbij is mede in ogenschouw genomen dat uit de ter zitting gegeven toelichting door [betrokkene 3] is gebleken dat [werkgever] haar governance zelf ook niet goed op orde heeft (gehad) en er kennelijk geen (voor het personeel kenbaar en duidelijk) beleid is ten aanzien van het doen van privé-bestellingen en het aannemen van giften van relaties. Het had, na de controle (en boete) van de fiscus in 2017/2018, op de weg van [werkgever] gelegen om heldere regels uit te vaardigen, die onder de aandacht van het personeel te brengen met een heldere waarschuwing voor de consequenties in het geval die regels worden overtreden. Daarbij komt dat [werkgever] in 2015, nadat eerder al twijfels waren ontstaan over de werkwijze van [werknemer] , had besloten dat [werknemer] niets meer zelfstandig mocht bestellen (zie 2.5 hiervoor). Kennelijk heeft [werkgever] daar later niet meer bovenop gezeten en de teugels laten vieren. Hierdoor heeft ook [werkgever] bijgedragen aan de ontstane situatie.

5.40.

Nu [werkgever] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door [werknemer] verzochte transitievergoeding van € 32.593,62 bruto, zal dit bedrag worden toegewezen.

5.41.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen bestaat er geen aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding op de voet van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onderdeel c, BW toe te kennen.

5.42.

De datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, wordt met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, onderdeel a BW (dus onder aftrek van de proceduretijd) bepaald op 1 november 2020.

Proceskosten

5.43.

De proceskosten worden gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

vernietigt het ontslag op staande voet;

6.2.

veroordeelt [werkgever] aan [werknemer] te voldoen het verschuldigde bruto maandsalaris van
€ 4.650,- exclusief vakantietoeslag, vanaf 1 januari 2020 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 25% en met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 1.218,00, te weten:

griffierecht € 499,00;

salaris gemachtigde € 720,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

het tegenverzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2020;

6.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 32.593,62 bruto;

6.3.

compenseert de proceskosten in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en op voornoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter