Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10618

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4932
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Aanslag OZB niet-woning terecht opgelegd voor onroerende zaak waarin een zorgvilla is gevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-12-2020
FutD 2020-3816
V-N Vandaag 2020/3230
NTFR 2021/140
Belastingblad 2021/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4932

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2020 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 augustus 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen ten aanzien van [A] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2019.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2020. Namens eiseres is verschenen J.L.G. van Herk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) met dagtekening 28 februari 2019 heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 6.659.000. Met de beschikking zijn ten aanzien van de onroerende zaak in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres voor het jaar 2019 opgelegde aanslagen OZB ‘eigendom niet-woning’ ten bedrage van € 22.181,13 en rioolheffing ‘eigendom niet-woning’ ten bedrage van € 2.092,92.

2. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak. In de onroerende zaak is gevestigd [D] . Volgens de website een zorgvilla van Zorggroep [E] . De onroerende zaak bestaat uit 24 woonunits, 2 units voor zorg (zorghotel), gemeenschappelijke ruimtes, 14 parkeerplaatsen, 24 inpandige bergingen en overige ruimtes. De onroerende zaak is in 2017 gebouwd.

3. Op de website www. [@] staat, voor zover hier van belang, onder meer het volgende vermeld:

“Dag en nacht kunt u vertrouwen op onze deskundige en betrokken zorg. Van persoonlijke verzorging tot begeleiding bij dagelijkse bezigheid en van intensieve verpleging tot een steuntje in de rug. [D] geeft onderdak aan 24 zelfstandige huurappartementen voor permanente bewoning. Twee appartementen (studio’s) zijn ingericht als Zorghotel voor tijdelijk verblijf om bijvoorbeeld te herstellen na een operatie. (...) Het woonoppervlak varieert van 29 m2 voor de studio tot 103 m2 voor het driekamerappartement. Alle appartementen beschikken over een woonkamer en aparte slaapkamer(s), pantry, ruime badkamer en terras of balkon.

De keuken is het domein van de chef-kok van de villa. Hij is samen met zijn team verantwoordelijk voor de dagelijks vers bereide maaltijden aangepast aan uw eventuele (dieet)wensen, voorkeuren en het seizoen. Maaltijden worden in de regel geserveerd in de eetkamer. Bij uitzondering in uw appartement.

Wonen bij [D] kan vanaf 3.830,- euro per maand. Dit bedrag behelst de woonservicekosten (woonkosten zoals o.a. huur, onderhoud, beveiliging, verzekering) en all-in services zoals maaltijdservice, schoonmaakservice en was- en strijkservice.

In [D] is diverse zorg- en dienstverlening de klok rond beschikbaar.”

4. Eiseres bepleit dat voor [D] het OZB tarief ‘eigenaar woning’ moet worden toegepast omdat een groot gedeelte van de waarde toegerekend wordt aan de woningdelen. Het betreft een complex welke bijna volledig tot wonen dient conform het bepaalde in artikel 220a van de Gemeentewet. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:3) uitgegaan moet worden van het woningtarief. Er moet aangesloten worden bij het geschiktheidscriterium en niet van het bestemmingscriterium. De eventuele extra zorg is ondersteunend aanwezig en is soortgelijk aan hetgeen vermeld staat in rechtsoverweging 2.3.3 van laatstgenoemd arrest. Voorts is volgens eiseres sprake van rechtsongelijkheid door de bewoners te belasten met een niet-woning tarief. Er is sprake van strijd met artikel 3 van de Grondwet.

5. Verweerder heeft betoogd dat voor [D] terecht het tarief ‘niet-woning’ is toegepast. Indien 70% of meer van de onroerende zaak dient als woning dan wel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden is er sprake van een woning. Als er meer dan incidenteel ook zorgactiviteiten plaatsvinden kan het object niet meer als woning worden beschouwd (ECLI:NL:HR:2014:1326). Een groot aantal delen vallen wel onder de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet. Er is aldus sprake van een niet-woning met delen die in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De heffingsgrondslag voor de OZB is € 585.000.

6. Bij het beslechten van het geschil moet worden vooropgesteld en worden vastgesteld of het object onder de reikwijdte van artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet valt:

“Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.”

dan wel dat artikel 220e van de Gemeentewet van toepassing is:

“In afwijking van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting bedoeld in artikel 220, onderdeel a, buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.”

Daarbij dient onder de term in beide artikelen ‘in hoofdzaak’ te worden verstaan 70 percent of meer.

7. Voor de vraag of het object valt onder de reikwijdte van artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, is van belang het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326, in het bijzonder de navolgende overwegingen:

“3.2. Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of het woonzorgcentrum moet worden aangemerkt als een niet-woning en, bij bevestigende beantwoording van die vraag, naar welke heffingsmaatstaf de aanslag OZB-gebruik moet worden opgelegd.

3.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de woonstraten meer dan incidenteel tevens gebruikt worden in verband met het verlenen van (verpleegkundige) hulp en dat van die ruimten niet kan worden gezegd dat zij dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan overigens als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

3.2.2.

Daaruit volgt dat minder van 70 percent van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen die tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, zodat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet.

3.2.3.

Hieraan doet niet af dat voor de bepaling van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 220e van de Gemeentewet meer dan 70 percent van de waarde is toe te rekenen aan gedeelten die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Niet juist is de opvatting in het middel dat ook sprake is van een woning in de zin van artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet in het geval dat bij de toepassing van artikel 220e meer dan 70 percent van de waarde buiten aanmerking blijft. Het arrest HR 15 november 2013, nr. 11/05565, ECLI:NL:HR:2013:1125, BNB 2014/52 (hierna: het arrest BNB 2014/52) zag, zoals in onderdeel 3.3.2 van dat arrest is vooropgesteld, op de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet. Dit middel faalt derhalve.

3.3.

Zoals in onderdeel 3.3.5 van het arrest BNB 2014/52 is overwogen worden tot de gedeelten die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, ook gerekend verkeersruimten zoals gangen, hallen, liften en trappenhuizen, die dienen voor de toegang tot (zit/slaap)kamers van de bewoners en alle door bewoners gezamenlijk gebruikte ruimten, zoals gemeenschappelijke woonkamers, eetzalen, recreatieruimten, (mede) door bewoners gebruikte keukens en sanitaire ruimten. Dat geldt bij de onderhavige zaak niet alleen voor de woonstraten, maar ook voor de hoofdentrees van de beide gebouwen. Deze hoofdentrees heeft het Hof voor de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet ten onrechte buiten aanmerking gelaten.”

8. In het arrest van 5 januari 2018 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“Zoals is uiteengezet in de arresten van de Hoge Raad van 16 september 2016, nr. 15/04476, ECLI:NL:HR:2016:2084, BNB 2017/22, en nr. 15/05193, ECLI:NL:HR:2016:2085, BNB 2017/23, is het geschiktheidscriterium van toepassing bij de - in dit geval aan de orde zijnde - beantwoording van de vraag of een opstal als woning moet worden aangemerkt. Het bestemmingscriterium moet worden gehanteerd bij de - in dit geval niet aan de orde zijnde - aanwijzing van woongedeelten van een opstal die als geheel niet als woning kan worden aangemerkt.”

9. Voor de vraag of een onroerende zaak al dan niet als woning moet worden aangemerkt is volgens de Hoge Raad in het arrest van 5 januari 2018 van belang of de voor de onroerende zaak vastgestelde waarde in hoofdzaak is toe te rekenen aan delen van de onroerende zaak die naar aard en inrichting geschikt zijn om als woning te kunnen dienen en niet of deze delen van de onroerende zaak daarvoor ook daadwerkelijk dienen.

10. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of het object met toepassing van het geschiktheidscriterium als woning is aan te merken. Nog steeds komt het er daarbij op aan of ten minste 70 percent van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan gedeelten daarvan die tot woning dienen of volledig (dat wil zeggen 100%) dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Met andere woorden, van ieder afzonderlijk gedeelte van het object moet worden bepaald of dit geschikt is om tot woning te dienen. Nadat dit is vastgesteld, wordt de waarde van de delen die geschikt zijn om tot woning te dienen opgeteld om te beoordelen of deze ten minste 70 percent van de totale waarde uitmaken.

11. De rechtbank is op basis van de feiten van oordeel dat sprake is van meer dan het incidenteel verlenen van (zorgkundige) hulp in het object. Daarmee heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de woonstraten meer dan incidenteel worden gebruikt voor het verlenen van (zorgkundige) hulp. Daarom kan niet worden geoordeeld dat deze delen volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Datzelfde heeft ook te gelden voor de gemeenschappelijke ruimtes. Dat de bewoners duurzaam in het object verblijven, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een woning. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976.

12. Het vorenstaande brengt met zich dat van onderdelen in gemengd gebruik niet kan worden geoordeeld dat die onderdelen voldoen aan de in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet gestelde eisen.

13. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met artikel 3 van de Grondwet. Naar de rechtbank aannemelijk acht heeft eiseres bedoeld te wijzen op artikel 1 Grondwet (discriminatieverbod). Naar het oordeel van de rechtbank mist het standpunt van eiseres steun in het recht. Een in het voormelde artikel gegeven verbod omvat niet de toepassing van het niet-woningtarief nu dat toepassing vindt los van de vraag of de bewoners godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid zijn toegedaan dan wel op basis van ras, geslacht of op welke grond dan ook. Ook in zoverre faalt het beroep.

14. Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het object niet in hoofdzaak tot woning dient. Hieruit volgt dat verweerder de aanslag OZB terecht heeft gebaseerd op het tarief voor niet-woningen.

15. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

16. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier, op 25 november 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.