Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:10403

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
7962307 \ CV EXPL 19-11609
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. De vervoerder heeft onvoldoende aangetoond dat de langdurige vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. Er wordt dus niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7962307 \ CV EXPL 19-11609

Uitspraakdatum: 2 december 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de buitenlandse rechtspersoon

Flightright GmbH

gevestigd te Hamburg (Duitsland)

eiseres

hierna te noemen: Flightright

gemachtigde: mr. H. Yildiz

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KLM Cityhopper B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

1.1.

Flightright heeft bij dagvaarding van 5 juni 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Flightright heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

[passagier 1] en [passagier 2], hierna: de passagiers, hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Hannover (Duitsland) naar Las Vegas (Verenigde Staten) via Amsterdam en Salt Lake City (Verenigde Staten) op 30 april 2018, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht van Hannover naar Amsterdam is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht naar Salt Lake City gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht en zijn 22 uur later dan gepland op de eindbestemming gearriveerd.

2.3.

De passagiers hebben hun vermeende vorderingsrecht overgedragen aan Flighright.

2.4.

Flightright heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

Flightright vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2018, tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

Flightright heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Op het verweer zal bij de beoordeling worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5.3.

Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden geldt (in algemene zin) het volgende. In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever er op gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van het luchtverkeerbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

5.4.

De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel uitmaakt van de rotatievlucht Amsterdam-Hannover-Amsterdam. Het toestel waarmee de voorafgaande vlucht (Amsterdam-Hannover) is uitgevoerd,stond gepland te vertrekken om 11:00 UTC vanuit Amsterdam en te arriveren te Hannover om 12:30 UTC. Het toestel is om 11:31 UTC, dus met een vertraging van 31 minuten, vanuit Amsterdam vertrokken en is met een vertraging van 27 minuten om 12:27 UTC te Hannover gearriveerd. Deze vertraging is in de onderhavige kwestie niet relevant, omdat de passagiers te Amsterdam een overstap van één uur en 25 minuten hadden en de minimum connectie time is 50 minuten. Met een vertraging van 27 minuten zou er voldoende tijd overblijven om de aansluitende vlucht te halen, aldus de vervoerder. De vlucht in kwestie mocht vervolgens te Hannover van de luchtverkeersleiding niet op tijd vertrekken. Het toestel kreeg de vereiste klaring niet. Het toestel kreeg een CTOT (Calculated Take Off Time) van Eurocontrol vanwege regulatie EHART30. Dit is een regulatie voor een deel van het luchtruim in het oosten van Nederland. In dat deel van het luchtruim was er sprake van slechte weersomstandigheden (code 81). Het toestel mocht niet vertrekken vanwege beperkt luchtverkeer in het Nederlandse luchtruim door slechte weer. Het toestel kreeg de vereiste klaring van de lokale luchtverkeersleiding uiteindelijk pas om 11:36 UTC, waardoor een nadere vertraging van 39 minuten is ontstaan. De vlucht is vervolgens zo spoedig mogelijk uitgevoerd. Het toestel is met een vertraging van één uur en twee minuten om 14:37 UTC te Amsterdam gearriveerd, aldus nog steeds de vervoerder.

5.5.

De passagiers betwisten dat er sprake is geweest van buitengewone omstandigheden die de vlucht in kwestie hebben verhinderd. De passagiers stellen dat de vervoerder door de vertraging van de voorafgaande vlucht de aan haar toegekende vertrektijd heeft gemist. Naar aanleiding van het voorgaande is een nieuw EOBT (Estimated Off Block Time) afgegeven om 12:50 UTC, waardoor er een NEWCTOT om 13:49 UTC is uitgegaan, aldus de passagiers. De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door haar overgelegde producties en haar toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming het gevolg is geweest van een door de luchtverkeersleiding genomen besluit waarop zij geen invloed had.

5.6.

Uit het overgelegde OCC-rapport valt op te maken dat de vertrekvertraging van de voorafgaande vlucht (Amsterdam-Hannover) twee oorzaken heeft gehad, namelijk de vertragingscodes 95-89. Code 95 staat voor: “CREW ROTATION, awaiting crew from another flight (…)”, oftewel wisseling van de bemanning. Deze vertraging levert geen buitengewone omstandigheid op. De vervoerder is namelijk zelf verantwoordelijk voor vertragingen die ontstaan wegens een tekort aan personeel, omdat dit voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij. Code 89 staat voor: “RESTRICTIONS AT AIRPORT OF DEPARTURE WITH OR WITHOUT ATFM RESTRICTIONS, including Air Traffic Services, start-up and pushback, airport and or runway closed due to obstruction or weather, industrial action, staff shortage (…)”. De vervoerder heeft daarbij toegelicht dat deze vertraging is ontstaan doordat het toestel de vereiste klaring van de luchtverkeersleiding niet heeft ontvangen. De vervoerder heeft echter nagelaten het vluchtrapport of het log van deze vlucht te overleggen, zodat met de passagiers de kantonrechter van oordeel is dat onvoldoende is aangetoond dat het toestel daadwerkelijk de vereiste klaring niet heeft ontvangen. Bij gebrek aan bewijs is niet vast te stellen dat de vertraging van de voorafgaande vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.

5.7.

De vraag die vervolgens voorligt is of de vlucht in kwestie (Hannover-Amsterdam) vertraagd is uitgevoerd door een buitengewone omstandigheid. De vervoerder heeft in dat kader een Operational Log van de vlucht in kwestie overgelegd. Daaruit valt op te maken dat het toestel om 10:30 UTC het CTOT van 12:44 UTC opgelegd heeft gekregen. Dit CTOT is opgelegd wegens vertragingscode 83: “ATFM due to RESTRICTION AT DESTINATION AIRPORT”, oftewel beperkingen van de luchtverkeersleiding van Amsterdam-Schiphol. De vervoerder heeft de EOBT van de vlucht in kwestie aangepast naar 12:50 UTC, omdat zij voorzag dat zij op het geplande moment van vertrek niet kon vertrekken. Vervolgens is om 12:20 UTC een nieuwe CTOT van 13:49 UTC aan het toestel toegekend met als reden EHART30 en code 81: “ATFM due to ATC ENROUTE DEMAND/CAPACITY”. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de vervoerder zelf om een nieuw CTOT heeft aangevraagd. In ieder geval is door de vervoerder onvoldoende aangetoond dat dit een besluit van de luchtverkeersleiding betrof waarop zij geen invloed had. Uitsluitend de vertraging die is ontstaan door het besluit van de luchtverkeersleiding van 10:30 UTC is derhalve aan te merken als vertraging ten gevolge van een buitengewone omstandigheid. De duur van deze vertraging bedraagt 14 minuten. Indien de vervoerder het CTOT van 12:44 UTC had kunnen halen, hadden de passagiers om 13:49 UTC in Amsterdam kunnen arriveren en de aansluitende vlucht van 15:00 UTC naar Salt Lake City kunnen halen, aangezien de minimum connectie time 50 minuten bedraagt. Dit is niet gelukt omdat de rotatievlucht vertraagd is uitgevoerd, hetgeen voor rekening komt van de vervoerder. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een buitengewone omstandigheid. Het verweer van de vervoerder met betrekking tot de door de luchtverkeersleiding opgelegde restricties faalt.

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat de vervoerder onvoldoende heeft aangetoond dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. Er wordt om die reden niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen.

5.9.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen. De passagiers hebben met ingang van 30 april 2018 wettelijke rente gevorderd. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van fortfair berekende schade, zodat deze schade niet gelet op artikel 6:83 sub b BW terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 30 april 2018, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen.

5.10.

Flightright heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Flightright heeft hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2018 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;

6.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 104,39;
griffierecht € 486,00;
salaris gemachtigde € 240,00;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter